18.12.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 346/30
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 27 september 2010 — Ministre de l'Intérieur, de l’Outre-mer et des Collectivités territoriales/Chambre de commerce et d’industrie de l’Indre
(Zaak C-465/10)
2010/C 346/50
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministre de l’Intérieur, de l’Outre-mer et des Collectivités territoriales
Verwerende partij: Chambre de commerce et d’industrie (CCI) de l’Indre
Prejudiciële vragen
1)
Inzake het bestaan van een rechtsgrondslag voor een verplichting tot terugvordering van de aan de CCI verleende steun:
Bestaat er een bepaling van gemeenschapsrecht, met name in verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 (1) en verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 (2), die verplicht de subsidies terug te vorderen wanneer een in het kader van het EFRO gesubsidieerde aanbestedende dienst bij de uitvoering van de gesubsidieerde actie een of meer regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten heeft geschonden, terwijl voorts niet wordt betwist dat de actie in aanmerking komt voor steun uit dit fonds en dat zij is uitgevoerd? Zo ja, geldt deze verplichting dan voor elke schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten, of slechts voor bepaalde schendingen? In het laatste geval, voor welke schendingen?
2)
Indien de eerste vraag, betreffende de wijze van terugvordering van ten onrechte verleende steun, minstens gedeeltelijk bevestigend wordt beantwoord:
a)
Vormt de schending, door een aanbestedende dienst die steun ontvangt in het kader van het EFRO, van een of meer regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten bij de keuze van de dienstverlener die belast is met de uitvoering van de gesubsidieerde actie, een onregelmatigheid in de zin van verordening nr. 2988/95 (3)? Kan de omstandigheid dat de bevoegde nationale instantie, toen zij besloot de gevraagde steun in het kader van het EFRO toe te kennen, niet onkundig kon zijn van het feit dat de begunstigde marktdeelnemer de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten had geschonden bij de aanwerving, nog vóór de toekenning van de steun, van de dienstverlener die belast is met de uitvoering van de door haar gesubsidieerde actie, een invloed hebben op de kwalificatie als onregelmatigheid in de zin van verordening nr. 2988/95?
b)
Indien vraag 2, sub a, bevestigend wordt beantwoord, en aangezien, zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld in zijn arrest van 29 januari 2009 (zaken C-278/07–C-280/07, Hauptzollamt Hamburg-Jonas/Josef Vosding Schlacht, Kühl- und Zerlegebetrieb GmbH & Co, Jurispr. blz. I-457), de verjaringstermijn van artikel 3 van verordening nr. 2988/95 van toepassing is op administratieve maatregelen als de terugvordering van door een marktdeelnemer wegens door hem begane onregelmatigheden ten onrechte ontvangen steun:
—
moet de aanvangsdatum van de verjaringstermijn dan worden bepaald op de datum waarop de steun is uitgekeerd aan de begunstigde of op de datum waarop de begunstigde de ontvangen subsidie heeft gebruikt om de met schending van een of meer regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten aangeworven dienstverlener te bezoldigen?
—
moet deze verjaringstermijn dan worden beschouwd te zijn gestuit door het doen toekomen door de bevoegde nationale instantie, aan de begunstigde van de subsidie, van een controleverslag waarin de schending van de regels inzake het plaatsen van overheidsopdrachten wordt vastgesteld en waarin de nationale instantie wordt aangespoord om dienovereenkomstig te zorgen voor terugbetaling van de uitgekeerde bedragen?
—
moet dan, wanneer een lidstaat gebruik maakt van de door artikel 3, lid 3, van verordening nr. 2988/95 geboden mogelijkheid om een langere verjaringstermijn toe te passen, in het bijzonder wanneer in Frankrijk de termijn van gemeen recht wordt toegepast als ten tijde van de feiten van het geding bedoeld in artikel 2262 van het burgerlijk wetboek, dat bepaalt: „Alle rechtsvorderingen, zowel zakelijke als persoonlijke, verjaren na dertig jaar […]”, voor de beoordeling van de verenigbaarheid van deze verjaringstermijn met het gemeenschapsrecht, met name met het evenredigheidsbeginsel, rekening worden gehouden met de maximale verjaringstermijn van de nationale tekst die als rechtsgrondslag dient voor de terugvorderingseis van de nationale overheid, dan wel met de in casu werkelijk toegepaste termijn?
c)
Indien vraag 2, sub a, ontkennend wordt beantwoord, verzetten de financiële belangen van de Gemeenschap zich dan tegen de toepassing door de rechter, op de betaling van steun zoals die welke in het onderhavige geding aan de orde is, van nationale regels inzake de intrekking van besluiten die rechten in het leven roepen, volgens welke de overheid, behalve in het geval van het niet-bestaan, de verkrijging door bedrog of een verzoek van de begunstigde, een individueel besluit dat rechten in het leven roept, indien het onwettig is, slechts binnen een periode van vier maanden na de aanneming ervan kan intrekken, waarbij een individueel administratief besluit niettemin, met name wanneer het overeenstemt met de betaling van steun, ontbindende voorwaarden kan bevatten, bij de vervulling waarvan de betrokken steun zonder termijnbeletsel kan worden ingetrokken — met dien verstande dat de Conseil d’Etat heeft geoordeeld dat deze nationale bepaling aldus moest worden uitgelegd dat de begunstigde van krachtens een communautaire tekst ten onrechte toegekende steun zich er slechts op kon beroepen indien hij te goeder trouw was?
(1) Verordening (EEG) nr. 2052/88 van de Raad van 24 juni 1988 betreffende de taken van de Fondsen met structurele strekking, hun doeltreffendheid alsmede de coördinatie van hun bijstandsverlening onderling en met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten (PB L 185, blz. 9).
(2) Verordening (EEG) nr. 4253/88 van de Raad van 19 december 1988 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van verordening (EEG) nr. 2052/88 met betrekking tot de coördinatie van de bijstandsverlening uit de onderscheiden Structuurfondsen enerzijds en van die bijstandsverlening met die van de Europese Investeringsbank en de andere bestaande financieringsinstrumenten anderzijds (PB L 374, blz. 1).
(3) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy