29.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/13
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Essen (Duitsland) op 15 oktober 2010 — Dr. Biner Bähr, als Insolvenzverwalter über das Vermögen der Hertie GmbH/HIDD Hamburg-Bramfeld B.V. 1
(Zaak C-494/10)
2011/C 30/20
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Essen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Dr. Biner Bähr, als Insolvenzverwalter über das Vermögen der Hertie GmbH
Verwerende partij: HIDD Hamburg-Bramfeld B.V. 1
Prejudiciële vragen
1)
Houdt het Hof in beginsel vast aan de beslissing in zijn arrest Seagon/Deko (C-339/07), dat de rechterlijke instanties van de lidstaat op wiens grondgebied de insolventieprocedure is geopend, op grond van artikel 3, lid 1, van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (1) bevoegd zijn om uitspraak te doen over een faillissementspauliana die is gericht tegen een verweerder die zijn statutaire zetel in een andere lidstaat heeft, ook indien naast een faillissementspauliana primair een beroep wordt gedaan op verbintenissen ter zake van kapitaalbeschermingsvoorschriften met een nationale vennootschapsrechtelijke grondslag, die uit economisch oogpunt gericht zijn op hetzelfde of een kwantitatief „beter” resultaat vergeleken bij dat van de faillissementspauliana en die losstaan van de opening van een insolventieprocedure?
2)
Indien de eerste vraag ontkennend moet worden beantwoord: Valt een faillissementspauliana waarvan het onderwerp tegelijkertijd en in de eerste plaats een van de insolventieprocedure onafhankelijke verbintenis is die door de curator wordt gebaseerd op een vennootschapsrechtelijke grondslag en die uit economisch oogpunt gericht is op hetzelfde of een kwantitatief „beter” resultaat, onder de uitsluiting van artikel 1, lid 2, sub b, van de executieverordening (2), of wordt de internationale rechterlijke bevoegdheid ter zake in afwijking van het arrest van het Hof Seagon/Deko (C-339/07) bepaald aan de hand van de executieverordening?
3)
Is de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, een verbintenis uit een overeenkomst in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, executieverordening, ook als de band tussen de partijen bij het geschil slechts van indirecte aard is, namelijk bestaande in een 100 %-deelneming van de moedervennootschap in elk van de bij het geschil betrokken vennootschappen?
(1) Verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB L 160, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1).
Full & Egal Universal Law Academy