18.12.2010
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 346/35
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad op 20 oktober 2010 — „Evroetil” AD/Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
(Zaak C-503/10)
2010/C 346/62
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„Evroetil” AD
Verwerende partij: Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 mei 2003 ter bevordering van het gebruik van biobrandstoffen of andere hernieuwbare brandstoffen in het vervoer (1) aldus worden uitgelegd dat de definitie van bio-ethanol producten omvat als dat waar het in deze zaak om gaat, dat de volgende kenmerken en objectieve eigenschappen heeft:
—
het wordt gewonnen uit biomassa;
—
de winning vindt plaats door middel van een bijzonder procedé dat in de door verzoekster, Evroetil AD, opgestelde technische specificatie voor de winning van bio-ethanol is beschreven en dat zich volgens deze technische specificatie onderscheidt van het procedé voor de winning van ethylalcohol uit landbouwproducten;
—
het bevat meer dan 98,5 % alcohol en de volgende stoffen die het ongeschikt voor consumptie maken: hogere alcoholen — 714,49 tot 8 311 mg/dm3; aldehyde — 238,16 tot 411 mg/dm3; ester (ethylacetaat) — 1 014 tot 8 929 mg/dm3;
—
het voldoet aan de voorschriften van de Europese pre-norm prEN 15376 voor bio-ethanol als brandstof;
—
het is bestemd voor gebruik als brandstof en wordt door de bijmenging ervan bij A95-benzine daadwerkelijk als biobrandstof gebruikt en bij tankstations verkocht;
—
het wordt niet in een hiertoe bestemd specifiek procedé gedenatureerd.
2)
Moet artikel 2, lid 2, sub a, van richtlijn 2003/30 aldus worden uitgelegd dat het litigieuze product enkel kan worden ingedeeld als bio-ethanol wanneer het daadwerkelijk als biobrandstof wordt gebruikt, of is het voldoende dat het voor gebruik als biobrandstof is bestemd en/of daadwerkelijk voor gebruik als biobrandstof geschikt is?
3)
Wanneer op grond van de antwoorden op de eerste en de tweede vraag ervan moet worden uitgegaan dat het litigieuze product of een overeenkomstig deel ervan bio-ethanol is, onder welke code van de gecombineerde nomenclatuur (hierna: „GN”), opgenomen in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2587/914 van de Commissie van 26 juli 1991 (2), moet het litigieuze product dan worden ingedeeld?
3.1
Moeten de bepalingen van hoofdstuk 22 van de GN en in het bijzonder GN-code 2207 aldus worden uitgelegd dat het product bio-ethanol hieronder valt?
3.2
Bij bevestigende beantwoording van vraag 3.1, is het bij de indeling van bio-ethanol en in het bijzonder van het litigieuze product dan van belang of het product is gedenatureerd [volgens de procedures genoemd in verordening (EG) nr. 3199/93 van de Commissie van 22 november 1993 inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns (3) of volgens andere erkende procedures]?
3.3
Bij bevestigende beantwoording van vraag 3.2, moeten de bepalingen van de GN met betrekking tot GN-code 2207 dan aldus worden uitgelegd dat enkel gedenatureerde bio-ethanol onder GN-code 2207 20 000 valt?
3.4
Bij bevestigende beantwoording van vraag 3.3, moeten de bepalingen van de GN met betrekking tot GN-code 2207 dan aldus worden uitgelegd dat niet-gedenatureerde bio-ethanol onder GN-code 2207 10 000 valt?
3.5
Wanneer vraag 3.1 bevestigend en vraag 3.2 ontkennend wordt beantwoord: onder welke van de twee onderverdelingen — 2207 10 000 of 2207 20 000 — moet het litigieuze product dan worden ingedeeld?
3.6
Wanneer vraag 3.1 ontkennend wordt beantwoord, moet bio-ethanol dan onder een van de in artikel 2, lid 1, van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit (4) genoemde GN-codes worden ingedeeld, en zo ja, onder welke?
4)
Wanneer op grond van de antwoorden op de eerste en de tweede vraag het litigieuze product of een overeenkomstig deel ervan niet als bio-ethanol is te beschouwen, moet het litigieuze product dat de in de eerste vraag genoemde kenmerken en objectieve eigenschappen heeft, dan worden ingedeeld als ethylalcohol in de zin van artikel 20, lid 1, eerste streepje, van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (5)?
(1) PB L 123, blz. 42.
(2) PB L 328, blz. 50.
(3) PB L 288, blz. 12.
(4) PB L 283, blz. 51.
(5) PB L 316, blz. 21.
Full & Egal Universal Law Academy