29.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/14
Beroep ingesteld op 25 oktober 2010 — Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden
(Zaak C-508/10)
2011/C 30/23
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Condou-Durande en R. Troosters, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden
Conclusies
—
Vast te stellen dat het Koninkrijk der Nederlanden, daardoor, dat het hoge en onbillijke leges vraagt van onderdanen van derde landen en hun gezinsleden die de status van langdurig ingezetene aanvragen, niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 2003/109/EG (1), en derhalve de krachtens artikel 258 VWEU bedoelde op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen.
—
Het Koninkrijk der Nederlanden in de kosten te verwijzen.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie beschouwt een bedrag van, naargelang het geval, 201 tot 830 euro, voor de verwerking van een aanvraag voor de status van langdurig ingezetene, als onevenredig, in vergelijking met de 30 euro die door EU-burgers moet worden betaald voor een verblijfskaart. Een dergelijke procedure kan dus niet als „billijk” worden beschouwd. De Commissie is van mening dat dergelijke hoge leges, ongeacht de vraag of zij een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten vormen, een „middel om de uitoefening van het recht van verblijf door de rechthebbenden te belemmeren” kunnen zijn, zoals bedoeld in overweging 10 van de richtlijn, en aldus een ontradend effect hebben op onderdanen van derde landen die gebruik zouden wensen te maken van de rechten die de richtlijn hen verleent. Dit wordt overigens gestaafd door het feit dat de Commissie in dit verband klachten ontvangt van burgers.
(1) Richtlijn van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB 2004, L 16, blz. 44).
Full & Egal Universal Law Academy