29.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/15
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 26 oktober 2010 — Josef Geistbeck en Thomas Geistbeck/Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH
(Zaak C-509/10)
2011/C 30/24
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Josef Geistbeck en Thomas Geistbeck
Verwerende partij: Saatgut-Treuhandverwaltungs GmbH
Prejudiciële vragen
Krachtens artikel 267, eerste alinea, sub b, en derde alinea, VWEU worden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende vragen voorgelegd over de uitlegging van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1) (hierna: „verordening nr. 2100/94”) en van verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie van 24 juli 1995 houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers (2) (hierna: „verordening nr. 1768/95”):
a)
Moet de passende vergoeding die een landbouwer overeenkomstig artikel 94, lid 1, van verordening nr. 2100/94 aan de houder van een communautair kwekersrecht dient te betalen, omdat hij door aanplanting verkregen teeltmateriaal van een beschermd ras heeft gebruikt zonder naleving van de verplichtingen waarin is voorzien bij artikel 14, lid 3, van verordening nr. 2100/94 en artikel 8 van verordening nr. 1768/95, worden berekend op basis van het gemiddelde bedrag van de vergoeding die in rekening wordt gebracht voor het in hetzelfde gebied in licentie produceren van een overeenkomstige hoeveelheid teeltmateriaal van beschermde rassen van het betrokken gewas, dan wel op basis van de (lagere) vergoeding die overeenkomstig artikel 14, lid 3, vierde streepje, van verordening nr. 2100/94 en artikel 5 van verordening nr. 1768/95 moet worden betaald in het geval van een toegelaten aanplanting?
b)
Indien slechts moet worden uitgegaan van de vergoeding voor een toegelaten aanplanting:
Kan de houder van het kwekersrecht in de hierboven bedoelde situatie bij een eenmalige onrechtmatige inbreuk de hem overeenkomstig artikel 94, lid 2, van verordening nr. 2100/94 te vergoeden schade forfaitair berekenen op basis van de vergoeding voor het in licentie produceren van teeltmateriaal?
c)
Mogen — of moeten zelfs — bij de berekening van de overeenkomstig artikel 94, lid 1, van verordening nr. 2100/94 te betalen passende vergoeding of van de overeenkomstig artikel 94, lid 2, van deze verordening te betalen vergoeding voor alle andere schade, bijzondere controlekosten van een organisatie die de rechten van een groot aantal houders van kwekersrechten behartigt, aldus in aanmerking worden genomen dat het dubbele van de gewoonlijk overeengekomen vergoeding respectievelijk van de overeenkomstig artikel 14, lid 3, vierde streepje, van verordening nr. 2100/94 te betalen vergoeding wordt toegekend?
(1) PB L 227, blz. 1
(2) PB L 173, blz. 14.
Full & Egal Universal Law Academy