5.2.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/2
Hogere voorziening ingesteld op 17 december 2010 door Brookfield New Zealand Ltd, Elaris SNC tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 13 september 2010 in zaak T-135/08 — Schniga/CBP — Elaris en Brookfield New Zealand (Gala Schnitzer)
(Zaak C-534/10 P)
2011/C 38/03
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Brookfield New Zealand Ltd, Elaris SNC (vertegenwoordiger: M. Eller, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Communautair Bureau voor plantenrassen, Schniga GmbH
Conclusies
—
het arrest van het Gerecht vernietigen;
—
de zaak voor afdoening naar het Gerecht verwijzen of, subsidiair, de vordering van Schniga GmbH definitief afwijzen en dus de beslissing van de kamer van beroep van het CBP van 21 november 2007 in de zaken A-003/2007 en A-004/2007 bevestigen;
—
terugbetaling van de kosten gelasten.
Middelen en voornaamste argumenten
Volgens rekwirantes moet het bestreden arrest om de volgende redenen worden vernietigd:
I. Niet-ontvankelijkheid van het derde middel van Schniga GmbH. Onrechtmatig onderzoek van de feiten als beoordeeld door de kamer van beroep. Schending van artikel 73, lid 2, van verordening nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1)
—
Het derde middel dat Schniga GmbH aanvoert ter onderbouwing van haar vordering tot vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep, dat bij het bestreden arrest is ingewilligd, had niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, aangezien het een onderzoek van de feiten inhield, hetgeen niet is toegestaan op grond van artikel 73, lid 2, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht.
—
Het Gerecht heeft artikel 73, lid 2, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht geschonden, aangezien het feitelijke bevindingen van de kamer van beroep betreffende de eigenlijke inhoud van het individuele verzoek in de zin van artikel 55, lid 4, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht en het begrip van deze bevindingen door aanvraagster onrechtmatig heeft onderzocht.
II. Schending van artikel 55, lid 4, juncto artikel 61, lid 1, sub b, en artikel 80 van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht
—
Het Gerecht heeft ten onrechte gesteld (of impliciet aangenomen) dat artikel 55, lid 4, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht het Bureau de bevoegdheid verleent om in individuele gevallen verzoeken te doen — waarvan de niet-inwilliging leidt tot afwijzing van een aanvraag overeenkomstig artikel 61, lid 1, sub b, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht — niet alleen met betrekking tot de kwaliteit van het materiaal dat binnen een bepaalde termijn moet worden overgelegd, maar ook met betrekking tot het documentaire bewijs van die kwaliteit.
—
Het Gerecht heeft ten onrechte gesteld (of impliciet aangenomen) dat artikel 55, lid 4, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht het Bureau de bevoegdheid verleent om in individuele gevallen zijn verzoeken op te delen in twee zelfstandige en onafhankelijke verzoeken, één betreffende het materiaal zelf en één betreffende het documentaire bewijs van de kwaliteit, waarvan de niet-nakoming leidt tot afwijzing van een aanvraag overeenkomstig artikel 61, lid 1, sub b, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht.
—
Het Gerecht heeft voorts ten onrechte gesteld (of impliciet aangenomen) dat artikel 55, lid 4, juncto artikel 61, lid 1, sub b, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht het Bureau de bevoegdheid verleent om een nieuwe overlegging van materiaal toe te staan in een situatie waarin de eerder bepaalde termijn om materiaal van een bepaalde kwaliteit over te leggen, reeds was verstreken, enkel omdat de termijn om documentair bewijs over de kwaliteit van dat materiaal in te dienen, nog niet was verstreken.
—
Het Gerecht heeft ten onrechte gesteld (of impliciet aangenomen) dat artikel 55, lid 4, juncto artikel 61, lid 1, sub b, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht het Bureau de bevoegdheid verleent om een nieuwe overlegging van virusvrij materiaal toe te staan wanner de termijn voor de overlegging van dit materiaal is verstreken en absoluut duidelijk is dat dit materiaal niet virusvrij is.
—
Het Gerecht heeft voorts ten onrechte gesteld (of impliciet aangenomen) — gelet op de omstandigheid dat het overgelegde materiaal met virussen besmet was en dus geen fytosanitair certificaat voor dat materiaal kon zijn ingediend en nooit zou worden ingediend — dat de uitdrukking „zo snel mogelijk” met betrekking tot het verzoek om het ontbrekende fytosanitair certificaat voor reeds overgelegd materiaal in te dienen, niet als een termijn en hoe dan ook niet als een verstreken termijn kon worden opgevat in verband met een individueel verzoek in de zin van artikel 55, lid 4, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht, die leidt tot afwijzing van de aanvraag overeenkomstig artikel 61, lid 1, sub b, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht.
—
Het Gerecht heeft voorts ten onrechte gesteld (of impliciet aangenomen) dat artikel 55, lid 4, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht het Bureau volledige discretionaire bevoegdheid verleent om zich er zonder enig verder hiërarchisch of rechterlijk toezicht van te vergewissen dat zijn verzoeken in individuele gevallen — waarvan de niet-nakoming leidt tot afwijzing van een aanvraag overeenkomstig artikel 61, lid 1, sub b, van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht — juridisch nauwkeurig en duidelijk zijn, en dat die discretionaire beoordeling door het Bureau kan worden verricht a) ongeacht of de aanvrager formeel en tijdig heeft verzocht om herstel in de vorige toestand op grond van artikel 80 van de verordening inzake het communautaire kwekersrecht en b) zonder rekening te houden met het eigenlijke begrip door de aanvrager van dat verzoek of met zijn goede of kwade trouw bij de uitlegging van dat verzoek.
(1) PB L 227, blz. 1.
Full & Egal Universal Law Academy