29.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/25
Hogere voorziening ingesteld op 23 november 2010 door Hans-Peter Wilfer tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 8 september 2010 in zaak T-458/08, Wilfer/BHIM
(Zaak C-546/10 P)
2011/C 30/42
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirant: Hans-Peter Wilfer (vertegenwoordiger: W. Prinz, Rechtsanwalt)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
—
het arrest van de Vierde kamer van het Gerecht van 8 september 2010 in zaak T-458/08 volledig vernietigen;
—
geïntimeerde verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De hogere voorziening is gericht tegen het arrest van het Gerecht waarbij is verworpen het beroep van rekwirant strekkende tot vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt van 25 juli 2008 inzake de afwijzing van zijn aanvraag tot inschrijving van een beeldmerk dat een gitaarkop in de kleuren zilver, grijs en kastanjebruin weergeeft.
Rekwirant voert daartoe vier rechtsmiddelen aan.
Het Gerecht heeft documenten, die voor het eerst samen met het verzoekschrift waren overgelegd, buiten beschouwing gelaten. Rekwirant is van mening dat het louter gaat om verdere uitwerking van het bestaande betoog, zodat deze documenten in aanmerking hadden moeten worden genomen.
Het Gerecht heeft artikel 7, lid 1, sub b, van verordening (EG) nr. 40/94 geschonden, daar het geen rekening heeft gehouden met het feit dat bij driedimensionale merken bestaande in de vorm van de waar, onderscheid moet worden gemaakt tussen courante consumptiegoederen en bijzondere waren. Bijzondere waren onderscheiden zich doordat zij volgens de algemene opvatting van het relevante publiek bepaalde onderdelen bevatten die juist een herkomstaanduidende functie hebben. Bijgevolg gelden in zoverre geen bijzondere eisen voor het bewijs van het onderscheidend vermogen. Tegen deze achtergrond volstaat reeds een minimum aan onderscheidend vermogen bij dergelijke onderdelen van waren. Verder is bij de beoordeling van het onderscheidend vermogen niet uitgegaan van de stelregel dat het relevante publiek (beroepsmuzikanten en hobbymuzikanten) weet dat het vanouds gebruikelijk is dat snaarinstrumenten, en ook violen, zoals een stradivarius, worden gekenmerkt door een bijzondere vormgeving van de kop. Het Gerecht heeft evenmin in aanmerking genomen dat bij een beeldmerk, dat enkel het deel van een waar weergeeft dat gewoonlijk ter aanduiding van de waar dient, zoals een gitaarkop, reeds een minimum aan onderscheidend vermogen volstaat.
Het Gerecht heeft het beginsel van ambtshalve onderzoek van de feiten overeenkomstig artikel 74, lid 1, van verordening (EG) nr. 40/94 geschonden, voor zover het met betrekking tot de vraag, in hoeverre een kop bij gitaren een herkomstfunctie heeft, de verhouding tussen regel en uitzondering heeft miskend.
Het Gerecht heeft ten slotte ook het beginsel van gelijke behandeling geschonden, daar het niet in aanmerking heeft genomen dat er ook andere gemeenschapsmerken en nationale merken bestaan die eveneens louter de kop van een gitaar weergeven.
Full & Egal Universal Law Academy