29.1.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 30/27
Beroep ingesteld op 26 november 2010 — Europese Commissie/Republiek Oostenrijk
(Zaak C-555/10)
2011/C 30/45
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Braun en H. Støvlbæk, gemachtigden)
Verwerende partij: Republiek Oostenrijk
Conclusies
—
vaststellen dat de Republiek Oostenrijk bij de omzetting van het eerste spoorwegvervoerspakket de krachtens artikel 6, lid 3, en bijlage II van richtlijn 91/440/EEG, zoals gewijzigd, en de artikelen 4, lid 2, en 14, lid 2, van richtlijn 2001/14/EG op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen;
—
de Republiek Oostenrijk verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie is van mening dat de door de richtlijn voorgeschreven onafhankelijkheid van de beheerder van de spoorweginfrastructuur in Oostenrijk niet naar behoren in nationaal recht is omgezet.
Weliswaar zou de in Oostenrijk bestaande organisatie in een gemeenschappelijke holding, van een onderneming die wezenlijke functies voor het beheer van de spoorweginfrastructuur waarneemt en een onderneming die spoorwegdiensten verricht, in beginsel geoorloofd zijn. Niettemin zou moeten worden verzekerd dat die ondernemingen op aantoonbare wijze economisch onafhankelijk zijn van elkaar.
Met name zou de holding geen enkele zeggenschap mogen uitoefenen over de dochtermaatschappij die wezenlijke functies voor het beheer van de spoorweginfrastructuur waarneemt. Dat zou in Oostenrijk niet gewaarborgd zijn. De onafhankelijkheid van de infrastructuurbeheerder zou niet door een onafhankelijke instantie worden gecontroleerd en de concurrenten zouden niet over een doeltreffend recht van beroep beschikken wanneer een bepaalde onderneming bevoorrecht wordt behandeld.
Ook zouden er geen afdoende wettelijke of contractuele bepalingen zijn die de betrekkingen regelen tussen de holdingvennootschap en haar dochtermaatschappij die wezenlijke functies voor het beheer van de spoorweginfrastructuur waarneemt.
Naar de mening van de Commissie doen ook de talrijke personele vervlechtingen tussen holdingvennootschap en dochteronderneming, bijvoorbeeld dubbelfuncties in de respectieve raden van bestuur, twijfel rijzen omtrent de economische onafhankelijkheid. Het zou noodzakelijk zijn, leidinggevenden van de ene onderneming voor enkele jaren van leidende posities in de andere onderneming uit te sluiten. Bovendien zou de benoeming van leidend personeel van de met wezenlijke functies belaste entiteit slechts onder toezicht van een onafhankelijke instantie mogen geschieden.
Voorts zou ook de ruimtelijke en personele scheiding van de respectieve informatiesystemen noodzakelijk lijken om de voorgeschreven onafhankelijkheid te verzekeren van de onderneming die met wezenlijke functies voor het beheer van de spoorweginfrastructuur is belast.
Full & Egal Universal Law Academy