26.2.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 63/19
Beroep ingesteld op 30 november 2010 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-562/10)
2011/C 63/37
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: F. W. Bulst en I. Rogalski, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
Verzoekster verzoekt het Gerecht
—
vast te stellen dat de Bondsrepubliek Duitsland de krachtens artikel 56 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen doordat zij:
1)
overeenkomstig § 34, lid 1, nr. 1, SGB XI, het recht op een verzorgingstoelage in geval van een tijdelijk verblijf van de hulpbehoevende in een andere lidstaat van de Europese Unie slechts voor maximaal zes weken toekent;
2)
voor zorgprestaties waarvan de hulpbehoevende tijdens een tijdelijk verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie gebruik heeft gemaakt en die door een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde dienstverlener zijn verstrekt, niet voorziet in een kostenvergoeding die even hoog is als die welke in Duitsland geldt voor toegekende zorgverstrekkingen, of een dergelijke kostenvergoeding krachtens § 34, lid 1, nr. 1, SGB XI uitsluit;
3)
de huurkosten van verzorgingshulpmiddelen in geval van een tijdelijk verblijf van de hulpbehoevende in een andere lidstaat van de Europese Unie niet vergoedt of krachtens § 34, lid 1, nr. 1, SGB XI een kostenvergoeding uitsluit, ook indien in Duitsland deze kosten worden vergoed of verzorgingshulpmiddelen beschikbaar worden gesteld, en de kostenvergoeding geen verdubbeling of andere verhoging van de in Duitsland toegekende prestaties tot gevolg zou hebben.
—
de Bondsrepubliek Duitsland te verwijzen in de kosten van de procedure.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige verzoek betreft de Duitse regeling inzake de verzorgingsverzekering volgens welke hulpbehoevenden die in Duitsland prestaties van de wettelijke (sociale) verzorgingsverzekering ontvangen, niet in dezelfde mate op deze prestaties aanspraak kunnen maken wanneer zij tijdelijk naar een andere lidstaat van de Europese Unie gaan en daar een beroep (willen) doen op verzorging of een verzorgingstoelage (willen) ontvangen. Bij een tijdelijk verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie voorzien de in het geding zijnde wettelijke bepalingen inzake zorgverstrekkingen, verzorgingstoelage en verzorgingshulpmiddelen in duidelijk geringere uitkeringen dan bij in Duitsland verstrekte verzorging.
Volgens de Commissie zijn de betrokken regels niet verenigbaar met artikel 56 VWEU, aangezien zij het aanzienlijk moeilijker maken om in een andere lidstaat van de Europese Unie een beroep te doen op zorgprestaties, hetgeen niet gerechtvaardigd of vereist is door dwingende redenen van algemeen belang. Zorgprestaties, alsook het verhuren van verzorgingshulpmiddelen, zijn prestaties die tegen vergoeding worden verricht en zijn in dit opzicht een dienst in de zin van artikel 56 VWEU, zodat de bepalingen inzake de vrijheid van dienstverrichting erop van toepassing zijn. Het Hof heeft in zijn rechtspraak met betrekking tot de vergoeding van in een andere lidstaat van de Europese Unie gemaakte kosten voor medische behandeling benadrukt dat de lidstaten hun bevoegdheid tot organisatie van hun socialezekerheidsstelsel met inachtneming van het gemeenschapsrecht dienen uit te oefenen. Het feit dat een regeling tot het gebied van de sociale zekerheid behoort, sluit bijgevolg de toepassing van artikel 56 VWEU niet uit.
Wat de regels inzake de verzorgingstoelage betreft, is sprake van een discriminerende beperking, aangezien het recht op een verzorgingstoelage, voor zover de verzekerde zich in een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, slechts voor maximaal zes weken geldt. Dit maakt het voor de hulpbehoevende moeilijker om na deze periode in een andere lidstaat van de Europese Unie nog van zorgprestaties gebruik te maken.
Wat de regels inzake de zorgverstrekking betreft, is sprake van een (discriminerende) beperking, aangezien niet voorzien is in een vergoeding van zorgverstrekkingen waarop de hulpbehoevende tijdens een tijdelijk verblijf in een andere lidstaat van de Europese Unie beroep heeft gedaan en die door een in een andere lidstaat van de Europese Unie gevestigde dienstverrichter zijn verstrekt, of een dergelijke vergoeding is uitgesloten. Het feit dat in Duitsland gemaakte kosten van zorgverstrekkingen door instellingen waarmee verzorgingsfondsen geen zorgovereenkomst hebben gesloten, evenmin worden vergoed, zoals de bondsregering tegenwerpt, doet niets af aan deze beoordeling. In Duitsland heeft immers een groot aantal aanbieders een zorgovereenkomst gesloten; daarentegen zijn er voor zover de Commissie weet geen dergelijke aanbieders in andere lidstaten van de Europese Unie.
Bijgevolg kunnen verzekerden (of hulpbehoevenden) krachtens de sociale zorgverzekering in beginsel geen aanspraak maken op zorgverstrekkingen in een andere lidstaat van de Europese Unie, terwijl zij dit in Duitsland, weliswaar niet bij elke aanbieder, wel kunnen.
Wat ten slotte de regels inzake verzorgingshulpmiddelen betreft, is sprake van een (discriminerende) beperking, daar de huur- (en gebruiks)kosten van dergelijke hulpmiddelen in een andere lidstaat van de Europese Unie niet worden vergoed, terwijl zij in geval van een verzorging in Duitsland wel worden vergoed.
Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie staat de krachtens artikel 56 VWEU gewaarborgde vrijheid van dienstverrichting niet alleen in de weg aan dergelijke discriminaties van de dienstverrichter op grond van zijn nationaliteit, maar ook aan alle beperkingen — zelfs wanneer deze zonder onderscheid voor zowel binnenlandse dienstverrichters als voor dienstverrichters uit andere lidstaten van de Europese Unie gelden — die de activiteit van een in een andere lidstaat van de Europese Unie wonende dienstverrichter die daar op rechtmatige wijze gelijkaardige diensten verricht, kunnen verhinderen of ontmoedigen.
De door de bondsregering aangevoerde argumenten — bescherming van de volksgezondheid en het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel — kunnen de beperking van de vrijheid van dienstverrichting niet rechtvaardigen.
Om te beginnen gaat de beperkende regeling duidelijk verder dan nodig is voor de bescherming van de kwaliteit van de in het geding zijnde diensten of van de volksgezondheid. Zo wordt vergoeding van in een andere lidstaat van de Europese Unie gemaakte kosten in het algemeen en zonder enig onderzoek van de kwaliteit uitgesloten. Bijgevolg wordt evenmin een kostenvergoeding toegestaan wanneer er zekerheid bestaat over de afdoende kwaliteit van de zorgprestaties en er geen gezondheidsrisico’s voor de hulpbehoevende zijn.
Voorts is de Duitse regeling, die vergoeding van in een andere lidstaat van de Europese Unie gemaakte kosten uitsluit en hoe dan ook duidelijk achterblijft op de in Duitsland geboden financiële bijstand, niet noodzakelijk om een ernstig risico op aantasting van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel uit te sluiten. Uiteindelijk hoeven de kosten die voortvloeien uit in een andere lidstaat van de Europese Unie ontvangen zorgprestaties enkel in dezelfde mate als in Duitsland te worden vergoed om een beperking van de vrijheid van dienstverrichting te vermijden.
Full & Egal Universal Law Academy