5.3.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 72/5
Beroep ingesteld op 9 december 2010 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-574/10)
2011/C 72/08
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partijen: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Wilms en C. Zadra, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland
Conclusies
—
vaststellen dat verweerster niet aan haar verplichtingen op grond van artikel 2, artikel 9 en artikel 20 juncto artikelen 23 tot 55 van richtlijn 2004/18/EG (1) heeft voldaan, doordat de gemeente Niedernhausen architectendiensten voor de sanering van de sporthal zonder een aanbestedingsprocedure op Europees niveau heeft besteld;
—
de Bondsrepubliek Duitsland verwijzen in de kosten.
Middelen en voornaamste argumenten
Het onderhavige beroep betreft de overeenkomsten onder bezwarende titel betreffende architectendiensten, die de gemeente Niedernhausen als aanbestedende dienst met een ingenieursbureau heeft gesloten. Hoewel alle kwestieuze architectendiensten slechts één bouwproject betreffen, te weten de sanering van een sporthal, werden ze per onderdeel van het gebouw afzonderlijk als ontwerpdiensten zonder een Europese aanbesteding aan hetzelfde ingenieursbureau toegewezen. De waarde van de opdrachten werd dienovereenkomstig eveneens per opdracht afzonderlijk bepaald.
De onderhavige architectendiensten zijn overeenkomsten onder bezwarende titel voor de verlening van diensten in de zin van artikel 1, lid 2, sub d, van richtlijn 2004/18/EG. Architectendiensten zijn prioritaire diensten overeenkomstig categorie 12 van bijlage II A van de richtlijn.
Volgens de Commissie betreffen de kwestieuze ontwerpdiensten een enkele overheidsopdracht, en zijn er duidelijk geen objectieve redenen voor de verdeling ervan in afzonderlijke opdrachten. Het gaat om deelprestaties van de als een totaal project geconcipieerde, goedgekeurde en uitgevoerde sanering van één gebouw. Zij dragen bij tot hetzelfde doel en zijn op ruimtelijk, economisch en functioneel gebied nauw met elkaar verbonden. Derhalve had de waarde van de overheidsopdracht aan de hand van de totale waarde van de inzake de sanering bestelde architectendiensten moeten worden bepaald. In casu had de waarde van de overheidsopdracht de in artikel 7, sub B, van richtlijn 2004/18/EG bedoelde vermelde drempel overschreden en had de overheidsopdracht voor het verlenen van architectendiensten Europees moeten worden aanbesteed.
De bouwkundige sanering van de sporthal betreft één overheidsopdracht voor werken in de zin van het Europees recht inzake overheidsopdrachten. Dit is op zijn minst een sterke aanwijzing dat ook het desbetreffende ontwerp als een enkele aankoop moeten worden beschouwd. Wanneer architectendiensten in verband staan met een overheidsopdracht voor werken en hun inhoud door het geplande project wordt bepaald, zoals in casu het geval is, bestaat er geen begrijpelijke reden waarom een andere berekeningswijze moet worden gekozen. Architectendiensten zijn dan immers in zekere zin onderdelen van het werk. Volgens de Commissie is het niet duidelijk waarom voor één werk verschillende architectendiensten nodig zijn.
Volgens Het Hof is de eenvormige economische en technische functie van de afzonderlijke bestanddelen van de overheidsopdracht een aanwijzing dat er sprake is van een enkele aanbesteding. Niettegenstaande het aangehaalde criterium van de functionele benaderingswijze voor overheidsopdrachten voor werken werd ontwikkeld, is de Commissie evenwel van mening dat dit criterium ook geldt voor overheidsopdrachten voor dienstverlening. Het criterium van de technische en economische ondeelbaarheid van de ontwerpdiensten voor de afzonderlijke onderdelen van het gebouw is vervuld daar het gaat om de sanering van een enkel gebouw.
Een nagenoeg willekeurige opdeling van de overheidsopdrachten zou indruisen tegen het beginsel van het „effet utile” van de richtlijn. Dit zou immers dikwijls tot gevolg hebben dat op kunstmatige wijze de drempel niet wordt overschreden waardoor de werkingssfeer van de richtlijn zou worden beperkt.
In de vaste rechtspraak van het Hof wordt de betekenis van de richtlijnen betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten voor het vrij verrichten van diensten en een eerlijke mededinging in de Unie beklemtoond. Een willekeurige en onredelijke „versnippering” van overheidsopdrachten voor dienstverlening die één geheel vormen, zou dit doel ondermijnen.
Budgettaire redenen voor het splitsen van bouwwerken kunnen evenmin een kunstmatige verdeling van de waarde van de overheidsopdracht rechtvaardigen. Een overheidsopdracht die uitsluitend wegens budgettaire redenen in verschillende fasen wordt uitgevoerd, uitsluitend op grond hiervan als verschillende, alleenstaande opdrachten beschouwen en zodoende aan de werkingssfeer van de richtlijn onttrekken, zou in strijd zijn met het doel van de Europese richtlijnen inzake overheidsopdrachten. Artikel 9, lid 3 van de richtlijn verbiedt trouwens een dergelijke kunstmatige splitsing van één aanbesteding.
De conclusie is dat de kwestieuze opdrachten één aanbesteding betreffen waarvan de waarde op het ogenblik van de plaatsing van de overheidsopdracht de in de richtlijn bepaalde drempel overschreed. Bijgevolg had de overheidsopdracht Europees moeten worden aanbesteed en volgens de in de richtlijn voorziene procedure moeten worden geplaatst. Aangezien dit niet is gebeurd, heeft verweerster richtlijn 2004/18/EG geschonden.
(1) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten; PB L 134, blz. 114.
Full & Egal Universal Law Academy