5.3.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 72/9
Hogere voorziening ingesteld op 13 december 2010 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 30 september 2010 in zaak T-85/09, Yassin Abdullah Kadi/Europese Commissie
(Zaak C-584/10 P)
2011/C 72/15
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Hetsch, S. Boelaert, E. Paasivirta en M. Konstantinidis, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Yassin Abdullah Kadi, Raad van de Europese Unie, Franse Republiek, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
Conclusies
—
het bestreden arrest in zijn geheel vernietigen;
—
het beroep van Yassin Abdullah Kadi tot nietigverklaring van verordening nr. 1190/2008 (1) van de Commissie ongegrond verklaren, voor zover deze op hem betrekking heeft;
—
Yassin Abdullah Kadi verwijzen in de kosten van de Commissie van zowel de onderhavige hogere voorziening als de procedure voor het Gerecht.
Middelen en voornaamste argumenten
De Commissie betoogt dat de vaststellingen van het Gerecht blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien het is gebaseerd op een juridisch onjuiste maatstaf voor rechterlijke toetsing. De Commissie voert de volgende middelen aan:
1) Middelen betreffende de vaststellingen van het Gerecht inzake de toepasselijke maatstaf voor rechterlijke toetsing de Commissie betoogt dat de door het Gerecht vastgestelde maatstaf voor rechterlijke toetsing juridisch onjuist is, omdat het Hof van Justitie niet de in die zaak toepasselijke precieze maatstaf voor rechterlijke toetsing heeft vastgesteld en omdat de door het Gerecht gehanteerde bijzondere maatstaf voor rechterlijke toetsing niet kan worden verlangd van de Europese Unie
2) Middelen betreffende de vaststellingen van het Gerecht inzake de schending van de rechten van de verdediging en het recht op een effectieve rechterlijke bescherming, en inzake de schending van het evenredigheidsbeginsel de Commissie argumenteert dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de door de Commissie toegepaste procedures niet voldeden aan de grondrechtelijke vereisten voor dat type systeem van beperkende maatregelen; dat het Gerecht ten onrechte het argument van de Commissie heeft afgewezen betreffende de nationale procedure die Kadi in de Verenigde Staten had aangespannen, en dat het Gerecht ten onrechte de argumenten van de Commissie heeft afgewezen betreffende de administratieve toetsings- en herzieningsprocedures die zijn ingevoerd krachtens de resoluties 1822(2008) en 1904(2009) van de VN-Veiligheidsraad – met inbegrip van de Focal-Point-procedure en het Bureau van de Ombudsman.
(1) PB L 322, blz. 25.
Full & Egal Universal Law Academy