5.3.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 72/11
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Najvyšší súd Slovenskej republiky (Slowakije) op 17 december 2010 — SAG ELV Slovensko, a.s., FELA Management AG, ASCOM (Schweiz) AG, Asseco Central Europe, a.s., TESLA STROPKOV, a.s., Autostrade per ľItalia S.p.A., EFKON AG, STALEXPORT Autostrady S.A./Úrad pre verejné obstarávanie
(Zaak C-599/10)
2011/C 72/19
Procestaal: Slovaaks
Verwijzende rechter
Najvyšší súd Slovenskej republiky
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: SAG ELV Slovensko, a.s., FELA Management AG, ASCOM (Schweiz) AG, Asseco Central Europe, a.s., TESLA STROPKOV, a.s., Autostrade per ľItalia S.p.A., EFKON AG, STALEXPORT Autostrady S.A.
Verwerende partij: Úrad pre verejné obstarávanie
Interveniërende partij: Národná dialnicná spolocnost, a.s
Prejudiciële vragen
1)
Moet artikel 51 juncto artikel 2 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (1), in de versie die ten tijde van de feiten van toepassing was, het non-discriminatie- en het transparantiebeginsel in aanmerking genomen, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst bij de plaatsing van overheidsopdrachten de verplichting heeft om nadere toelichtingen met betrekking tot een offerte te verzoeken, zulks ter eerbiediging van het subjectieve procedurele recht van eenieder om in de gelegenheid te worden gesteld om de krachtens de artikelen 45 tot en met 50 van genoemde richtlijn overgelegde verklaringen en bescheiden aan te vullen of nader toe te lichten, in omstandigheden waarin een geschil over of een verkeerde opvatting van de offerte van de deelnemer kan leiden tot zijn uitsluiting van de aanbesteding?
2)
Moet artikel 51 juncto artikel 2 van richtlijn [2004/18/EG], in de versie die ten tijde van de feiten van toepassing was, het non-discriminatie- en het transparantiebeginsel in aanmerking genomen, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst bij de plaatsing van overheidsopdrachten geen verplichting heeft om nadere toelichtingen met betrekking tot een offerte te vragen wanneer deze dienst over het bewijs beschikt dat niet aan de vereisten ten aanzien van het voorwerp van de aanbesteding is voldaan?
3)
Is een nationale wettelijke bepaling krachtens welke het comité voor de evaluatie van de offerte bevoegd, maar niet verplicht is, de inschrijvers schriftelijk te verzoeken om nadere toelichtingen bij de offerte, verenigbaar met de artikelen 51 en 2 van richtlijn [2004/18/EG], in de versie die ten tijde van de feiten van toepassing was?
Is het met artikel 55 van richtlijn [2004/18/EG] verenigbaar dat een aanbestedende dienst in de door hem te volgen procedure niet verplicht is om de inschrijver om nadere toelichtingen met betrekking een abnormaal lage prijs te verzoeken, en hebben verzoekers, gelet op de bewoordingen van het verzoek dat de aanbestedende dienst met betrekking tot de abnormaal lage prijs aan hen heeft gericht, afdoende gelegenheid gehad om de hoofdbestanddelen van de ingediende offerte toe te lichten?
(1) PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
Full & Egal Universal Law Academy