2.4.2011
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 103/13
Hogere voorziening ingesteld op 28 december 2010 door Kalliope Agapiou Joséphidès tegen het arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 21 oktober 2010 in zaak T-439/08, Agapiou Joséphidès/Commissie en EACEA
(Zaak C-626/10 P)
2011/C 103/22
Procestaal: Frans
Partijen
Rekwirante: Kalliope Agapiou Joséphidès (vertegenwoordigers: C. Joséphidès en H. Joséphidès, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA)
Conclusies
—
vernietigen het arrest van het Gerecht van 21 oktober 2010 in zaak T-439/08;
—
nietig verklaren het besluit van het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) van 1 augustus 2008, waarbij rekwirante de toegang wordt geweigerd tot bepaalde documenten van dossier nr. 07/0122 inzake de toekenning van een Jean Monnet-expertisecentrum aan de Universiteit van Cyprus;
—
nietig verklaren beschikking C(2007) 3749 van de Commissie van 8 augustus 2007 inzake de individuele beschikking tot toekenning van subsidies in het kader van het programma inzake een leven lang leren, onderprogramma Jean Monnet;
—
verwerende partijen verwijzen in de kosten van beide instanties.
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante doet haar hogere voorziening op verschillende middelen steunen.
Zij stelt schending door het Gerecht van haar persoonlijke algemene recht op toegang tot haar betreffende documenten, van het in de artikelen 1, tweede alinea, en 6 VEU neergelegde beginsel van transparantie, van artikel 255 EG en van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (artikelen 8, 41, lid 2, sub b, 42 en 52, lid 6). Het Gerecht heeft aldus een procedurefout gemaakt door voorbij te gaan aan de door haar ter terechtzitting verstrekte verwijzingen naar het Handvest van de grondrechten en aan de conclusies van de Ombudsman van de Republiek Cyprus van 3 juni 2009 inzake de weigering van de Universiteit van Cyprus om toegang te verlenen tot dezelfde litigieuze documenten als die welke bij de verwerende partijen berusten.
Het Gerecht heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door enerzijds te beslissen dat het Uitvoerend Agentschap Onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) bevoegd was voor de behandeling van het confirmatief verzoek om toegang tot documenten, en door anderzijds de door haar opgeworpen exceptie van onwettigheid van het besluit van de directie van het EACEA te verwerpen.
Voorts stelt zij schending van enkele bepalingen van verordening (EG) nr. 1049/2001 (1), die het Gerecht uiterst restrictief heeft uitgelegd en in strijd met de door de rechtspraak geformuleerde beginselen.
Tevens zijn het loyaliteitsbeginsel, het coherentiebeginsel, het beginsel van behoorlijk bestuur en het motiveringsbeginsel geschonden.
Ten slotte heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door beschikking C(2007) 3749 van de Commissie van 8 augustus 2007 niet nietig te verklaren.
(1) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, blz. 43).
Full & Egal Universal Law Academy