Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 24 maart 2011 – Abt e.a./Hypo Real Estate Holding
(Zaak C‑194/10)
„Prejudiciële verwijzing – Relevantie van vraag – Onbevoegdheid”
Prejudiciële vragen – Bevoegdheid van Hof – Grenzen – Kennelijk irrelevante vraag (Art. 267 VWEU) (cf. punten 36‑39)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Landgericht München I – Uitlegging van artikel 297 EG en artikel 5, lid 1, van richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen (PB L 184, blz. 17) – Convocatietermijn voor de algemene vergadering van een beursgenoteerde vennootschap – Nationale regeling die buiten werking treedt na afloop van de termijn voor omzetting van de richtlijn in nationaal recht, en die een kortere convocatietermijn bevat dan de in de richtlijn voorziene minimumtermijn – Bepaling die het door de richtlijn beoogde resultaat ernstig in gevaar kan brengen, gelet op de nationale regeling volgens welke bepaalde besluiten van de algemene vergadering blijven gelden na de inschrijving in het handelsregister, zelfs na nietigverklaring in een gerechtelijke procedure
Dictum
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is niet bevoegd om op de eerste prejudiciële vraag van het Landgericht München I te antwoorden.
Full & Egal Universal Law Academy