Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 18 januari 2011 – Berkizi-Nikolakaki/Anotato Symvoulio epilogis prosopikou en Aristoteleio Panepistimio Thessalonikis
(Zaak C‑272/10)
„Artikel 104, lid 3, van Reglement voor procesvoering – Sociale politiek – Artikel 155, lid 2, VWEU – Richtlijn 1999/70/EG – Clausule 8 van raamovereenkomst inzake arbeidovereenkomsten voor bepaalde tijd – Arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd in overheidssector – Opeenvolgende overeenkomsten – Misbruik – Sancties – Omzetting in arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd – Procedureregels – Vervaltermijn – Gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel – Verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers”
1. Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (Art. 155, lid 2, VWEU; richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage) (cf. punten 32‑33, 37‑38, 44‑45, 48‑49, 51‑61, dictum 1)
2. Sociale politiek – Raamovereenkomst EVV, UNICE en CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd – Richtlijn 1999/70 – Verbod van verlaging van algemeen niveau van bescherming van werknemers op door die raamovereenkomst bestreken gebied (Richtlijn 1999/70 van de Raad, bijlage, clausule 8, punt 3) (cf. punten 69, 74, 76‑77, dictum 2)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Dioikitiko Efeteio Thessalonikis – Uitlegging van punt 3 van clausule 8 van de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) – Nationale regeling die vervaltermijn invoert om arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd om te zetten in arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd
Dictum
1)
Artikel 155, lid 2, VWEU en de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidovereenkomsten voor bepaalde tijd, die als bijlage is gehecht aan richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling als artikel 11, lid 2, van presidentieel besluit 164/2004 houdende bepalingen voor werknemers met overeenkomsten voor bepaalde tijd in de overheidssector, dat bepaalt dat de aanvraag van een werknemer tot omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van een opeenvolging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die als misbruik kan worden aangemerkt, bij de bevoegde instantie moet worden ingediend binnen een vervaltermijn van twee maanden vanaf de inwerkingtreding van dat besluit, op voorwaarde dat deze termijn niet ongunstiger is dan die welke geldt voor gelijkaardige beroepen inzake nationaal arbeidsrecht en de uitoefening van de door het recht van de Unie verleende rechten niet nagenoeg onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Het staat aan de verwijzende rechter de naleving van deze voorwaarde na te gaan.
2)
Clausule 8, punt 3, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd moet aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling als artikel 11, lid 2, van presidentieel besluit 164/2004, dat bepaalt dat de aanvraag van een werknemer tot omzetting in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van een opeenvolging van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die als misbruik kan worden aangemerkt, bij de bevoegde instantie moet worden ingediend binnen een vervaltermijn van twee maanden vanaf de inwerkingtreding van dat besluit, ofschoon de overeenkomstige termijnen in vergelijkbare eerdere nationale regelingen zijn verlengd, voor zover deze regeling het algemene niveau van bescherming van werknemers voor bepaalde tijd niet aantast.
Full & Egal Universal Law Academy