Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 22 november 2011 – Köppl/Freistaat Bayern
(Zaak C‑590/10)
„Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering – Richtlijn 91/439/EEG – Artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4 – Artikel 7, lid 1 – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van nationale rijbevoegdheid – Afgifte van rijbewijs van categorie B door andere lidstaat – Niet-naleving van verblijfsvoorwaarde – Latere afgifte, door dezelfde lidstaat, van rijbewijs van categorie C – Inachtneming van verblijfsvoorwaarde – Verplichting om houder te zijn van geldig rijbewijs voor voertuigen van categorie B op moment van afgifte van rijbewijs voor voertuigen van categorie C”
Vervoer – Wegvervoer – Rijbewijs – Richtlijn 91/439 – Onderlinge erkenning van rijbewijzen – Intrekking van rijbewijs van categorie B in eerste lidstaat – Latere afgifte van rijbewijs van categorie B in tweede lidstaat in strijd met verblijfsvoorwaarde en vervolgens van rijbewijs van categorie C – Rijbewijs van categorie C waaruit niet blijkt dat verblijfsvoorwaarde niet in acht is genomen – Weigering van eerste lidstaat om geldigheid van deze nieuwe rijbewijzen te erkennen – Toelaatbaarheid (Richtlijn 91/439 van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2000/56, art. 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4) (cf. punten 32‑33, 47‑51, 54 en dictum)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing – Bayerischer Verwaltungsgerichtshof – Uitlegging, tegen de achtergrond van de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, van de artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs (PB L 237, blz. 1) – Door een lidstaat in strijd met de verblijfsvoorwaarde aan een staatsburger van een andere lidstaat, na intrekking van diens nationaal rijbewijs en na het verstrijken van de periode van het verbod om een nieuw rijbewijs aan te vragen, afgegeven rijbewijs van categorie B – Latere afgifte door dezelfde lidstaat van een rijbewijs van categorie C met inachtneming van de verblijfsvoorwaarde – Mogelijkheid van de lidstaat van verblijfplaats te weigeren de geldigheid van deze rijbewijzen te erkennen
Dictum
De artikelen 1, lid 2, en 8, leden 2 en 4, van richtlijn 91/439/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende het rijbewijs, zoals gewijzigd door richtlijn 2000/56/EG van de Commissie van 14 september 2000, verzetten zich niet tegen de weigering door een lidstaat om de geldigheid te erkennen van de rijbevoegdheden voor voertuigen van categorie B en C die door een andere lidstaat zijn verleend aan een persoon tegen wie de eerste lidstaat voordien maatregelen in de zin van artikel 8, lid 2, van deze richtlijn heeft getroffen, wanneer de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie B in de tweede lidstaat blijkens de vermeldingen van het op basis van deze rijbevoegdheid afgegeven rijbewijs werd verleend in strijd met de voorwaarde van de gewone verblijfplaats bepaald in artikel 7, lid 1, sub b, van de genoemde richtlijn en de rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie C werd verleend op basis van de eerste rijbevoegdheid zonder dat de niet-inachtneming van genoemde voorwaarde van de gewone verblijfplaats blijkt uit het uit hoofde van deze rijbevoegdheid voor voertuigen van categorie C afgegeven nieuwe rijbewijs.
Full & Egal Universal Law Academy