ARREST VAN HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN VAN DE EUROPESE UNIE (Eerste kamer)
23 november 2010 (*)
„Ambtenarenrecht — Arbeidscontractant voor hulptaken — Niet-verlenging van overeenkomst — Motiveringsplicht”
In zaak F-8/10,
betreffende een beroep, ingesteld krachtens artikel 270 VWEU, dat ingevolge artikel 106 A EGA-Verdrag van toepassing is op dit laatste verdrag,
Johan Gheysens, voormalig arbeidscontractant voor hulptaken van de Raad van de Europese Unie, wonende te Mechelen (België), vertegenwoordigd door S. Orlandi, A. Coolen, J.-N. Louis en É. Marchal, advocaten,
verzoeker,
tegen
Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door M. Balta en K. Zieleśkiewicz als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: S. Gervasoni (rapporteur), kamerpresident, S. Van Raepenbusch en M. I. Rofes i Pujol, rechters,
griffier: R. Schiano, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 8 juli 2010,
het navolgende
Arrest
1 Bij verzoekschrift ingekomen ter griffie van het Gerecht per telefax op 25 januari 2010 (het origineel is neergelegd op 27 januari daaraanvolgend), heeft J. Gheysens het onderhavige beroep ingesteld, strekkende onder meer tot nietigverklaring van de beslissing om zijn overeenkomst voor bepaalde tijd niet te verlengen na 30 september 2009.
Toepasselijke bepalingen
2 Artikel 29, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”) bepaalt:
„Teneinde te voorzien in vacatures bij een instelling, onderzoekt het tot aanstelling bevoegde gezag eerst:
a) de mogelijkheden om in het ambt te voorzien door middel van
i) overplaatsing of
ii) aanstelling overeenkomstig artikel 45 bis of
iii) bevordering
binnen de instelling;
b) de verzoeken tot overgang van ambtenaren in dezelfde rang van andere instellingen en/of de mogelijkheden om een vergelijkend onderzoek binnen de instelling te organiseren, dat alleen openstaat voor de ambtenaren en de tijdelijke functionarissen in de zin van artikel 2 van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen;
en gaat vervolgens over tot een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken, van een examen of op de grondslag van beide. [...]”
3 Artikel 3 ter van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen (hierna: „RAP”) bepaalt het volgende:
„Als ‚arbeidscontractant voor hulptaken’ in de zin van deze regeling wordt aangemerkt het personeelslid dat binnen de in artikel 88 vastgestelde termijnen bij een instelling is aangesteld in een van de in artikel 89 genoemde functiegroepen om
a) hetzij voltijds, hetzij deeltijds een ander dan het in artikel 3 bis, lid 1, onder a, bedoelde ambt te vervullen zonder te zijn tewerkgesteld in een ambt dat voorkomt in de lijst van het aantal ambten gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de instelling betrekking heeft,
b) nadat de mogelijkheden om ambtenaren op tijdelijke posten te benoemen binnen de instelling zijn onderzocht, bepaalde personen te vervangen die op dat ogenblik niet in staat zijn hun ambt te vervullen, namelijk:
i) ambtenaren of tijdelijke functionarissen in de functiegroep assistenten AST;
ii) bij wijze van uitzondering, ambtenaren of tijdelijke functionarissen die in de functiegroep administrateurs AD een sterk gespecialiseerd ambt bekleden, met uitzondering evenwel van eenheidshoofden, directeuren, directeuren-generaal en daarmee gelijkgestelde functies.
Het gebruik van arbeidscontractanten voor hulptaken is niet toegestaan waar artikel 3 bis van toepassing is.”
4 Met betrekking tot de duur van de overeenkomsten van arbeidscontractanten voor hulptaken in de zin van artikel 3 ter van de RAP bepaalt artikel 88 van de RAP:
„In het geval van arbeidscontractanten als bedoeld in artikel 3 ter:
a) worden overeenkomsten gesloten voor bepaalde tijd, die kunnen worden verlengd;
b) kan de werkelijke diensttijd binnen een instelling, met inbegrip van alle eventuele verlengingen, niet meer bedragen dan drie jaar.
Voor het sluiten of verlengen van de onder dit artikel vallende overeenkomsten wordt de looptijd van de overeenkomst als arbeidscontractant als bedoeld in artikel 3 bis niet in aanmerking genomen.”
Feiten
5 De Raad van de Europese Unie heeft met de vereniging GP-DHV-FBO een overeenkomst voor bijstand op onroerendgoedgebied gesloten voor het tijdvak 1993 tot en met 1997. In het kader van die overeenkomst is verzoeker, die in dienst was van die vereniging en een architectendiploma bezit, ter beschikking van de Raad gesteld, voornamelijk voor verrichtingen op het gebied van computerondersteund tekenen en „facility management”.
6 In 1998 heeft de Raad rechtstreeks met verzoekers architectenbureau een overeenkomst voor dienstverrichting in deeltijd gesloten, die een aantal keren, tot en met 30 september 2004, is verlengd.
7 Wegens de toeneming en de duurzame aard van de taken op het gebied van „facility management” heeft de Raad besloten, de eenheid „Onroerend goed” in het kader van de begroting voor 2004 een post van categorie B toe te wijzen om de aanwerving van een ambtenaar voor het verrichten van die taken mogelijk te maken. Wegens de technische aard van die post heeft de Raad deze echter niet kunnen bezetten met een ambtenaar of een geslaagde kandidaat voor een vergelijkend onderzoek.
8 Bij overeenkomst van 1 oktober 2004 heeft de Raad verzoeker voor een tijdvak van één jaar als hulpfunctionaris van categorie B, groep IV, klasse 2, aangeworven om de werkzaamheden van „facility management operator” te verrichten bij de eenheid van directoraat-generaal (DG) A „Personeelszaken en algemeen beheer” die onder meer belast is met het onroerendgoedbeleid en de projecten. Bij op 3 oktober 2005 ondertekend aanhangsel is die overeenkomst met een jaar, tot en met 30 september 2006, verlengd.
9 Bij nota van 11 mei 2006 heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” verzoeker meegedeeld dat zijn overeenkomst als hulpfunctionaris met een jaar, tot en met 30 september 2007, kon worden verlengd, maar dat hij op grond van het Statuut niet in aanmerking kwam voor een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
10 Bij een tweede aanhangsel is verzoekers overeenkomst als hulpfunctionaris verlengd tot en met 30 september 2007.
11 Bij nota van 6 juni 2007 heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” geantwoord op een e-mail van 25 mei 2007 van de plaatsvervangend voorzitter van de vakbond „Union Syndicale” betreffende verzoekers rechtspositie binnen de Raad. In die nota, waarvan een kopie aan verzoeker was gericht, stond vermeld dat de Raad bereid was verzoeker bij wijze van uitzondering een overeenkomst als arbeidscontractant aan te bieden teneinde rekening te houden met zijn persoonlijke situatie. Er werd in de nota op gewezen dat verzoeker gedurende de geldigheidsduur van die overeenkomst kon deelnemen aan door het Europees bureau voor personeelsselectie (EPSO) georganiseerde vergelijkende onderzoeken, maar dat hij, indien hij niet zou slagen voor een vergelijkend onderzoek, geen ambtenaar van de Raad zou kunnen worden. In een e-mail van 22 juni 2007 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de vakbond „Union Syndicale” ingestemd met het voorstel, verzoeker een overeenkomst als arbeidscontractant aan te bieden. In een nota van 5 juli 2007 heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” akte genomen van die instemming.
12 Op 1 oktober 2007 heeft de Raad met verzoeker een overeenkomst voor bepaalde duur als arbeidscontractant voor hulptaken van groep III, rang 11, salaristrap 1, gesloten voor de duur van twee jaar. In artikel 4 van die overeenkomst was bepaald dat deze kon worden verlengd en dat de daadwerkelijke duur van de aanwerving, de duur van de eventuele verlenging van de overeenkomst daaronder begrepen, niet langer kon zijn dan drie jaar.
13 Op 23 oktober 2007 heeft het EPSO de aankondiging bekendgemaakt van algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/99/07 voor de vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs in de sector gebouwen (PB C 248 A, blz. 1). Verzoeker heeft aan dat vergelijkend onderzoek deelgenomen, maar is niet op de reservelijst geplaatst. In titel I van die aankondiging stond vermeld dat het vergelijkend onderzoek werd georganiseerd voor de aanwerving van ingenieurs (AD 5) in de sector gebouwen.
14 Bij nota van 21 december 2007 heeft verzoeker een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend tegen de beslissing waarbij de Raad hem voor een tijdvak van twee jaar in dienst heeft genomen als arbeidscontractant voor hulptaken en hem heeft ingedeeld in groep III, rang 11, salaristrap 1. In die klacht gaf verzoeker te kennen dat hij in groep IV had moeten worden ingedeeld en voor onbepaalde tijd had moeten worden aangeworven.
15 Bij beslissing van de Raad van 24 juni 2008 is die klacht afgewezen.
16 Op 10 oktober 2008 heeft verzoeker tegen die beslissing beroep ingesteld, dat is ingeschreven onder nummer F-83/08. Bij beschikking van de president van de Tweede kamer van het Gerecht van 20 februari 2009 is de behandeling van dat beroep geschorst totdat het geschil in zaak F-134/07, Adjemian e.a./Commissie, definitief zou zijn beslecht. De hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 4 juni 2009 (Adjemian e.a./Commissie, F-134/07 en F-8/08, JurAmbt. blz. I-A-1-149 en II-A-1-841) is nog aanhangig bij het Gerecht van de Europese Unie (zaak T-325/09 P).
17 Bij nota van 29 april 2009 heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” verzoeker eraan herinnerd dat zijn overeenkomst op 30 september 2009 zou eindigen en dat hij gezien de duur van zijn overeenkomst aan een vergelijkend onderzoek moest kunnen deelnemen. Het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag gaf te kennen dat de reservelijsten van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/99/07 inmiddels bekend waren gemaakt en dat verzoekers naam daar niet op vermeld stond. De nota bevatte de volgende slotzin:
„Ik herinner eraan dat, zoals aangegeven in bovenvermelde nota’s, uw overeenkomst als arbeidscontractant bij het eindigen daarvan in september niet zal kunnen worden verlengd indien u niet voor een ander vergelijkend onderzoek van het EPSO slaagt.”
18 Bij nota van 12 mei 2009 heeft verzoeker de directeur-generaal van het DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” verzocht, zijn overeenkomst voor een jaar te verlengen. Hij gaf daarbij aan dat zijn diensthoofd dit wenste in het belang van de continuïteit van de dienst en dat zijn overeenkomst vermeldde dat de totale duur van zijn dienstverband drie jaar kon bedragen.
19 Op 17 juni 2009 heeft het EPSO een aankondiging van een algemeen vergelijkend onderzoek voor de vorming van een reserve voor de aanwerving van assistenten (AST 3) in de sector gebouwen (EPSO/AST/94/09) (PB C 137 A, blz. 1) bekendgemaakt. Verzoeker is toegelaten tot het examen van dat vergelijkend onderzoek. Op de dag van de terechtzitting was de reservelijst nog niet bekendgemaakt.
20 Bij nota van 24 juni 2009, betreffende het „[e]indigen van [de] overeenkomst van [verzoeker] op 30 september 2009”, heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” verzoeker ervan in kennis gesteld dat hij weigerde verzoekers overeenkomst na 30 september 2009 te verlengen, daar hij op grond van artikel 29 van het Statuut in de door verzoeker bezette post moest voorzien door bevordering, overplaatsing van een ambtenaar of aanstelling van een geslaagde kandidaat voor een vergelijkend onderzoek. Nu verzoeker niet was geslaagd voor een vergelijkend onderzoek, kon hij de post bij de Raad na 30 september 2009 niet langer bezetten. De opsteller van de nota herinnerde verzoeker eraan dat de overeenkomst als arbeidscontractant voor hulptaken van twee jaar die op die datum eindigde, hem slechts bij wijze van uitzondering was aangeboden teneinde rekening te houden met zijn persoonlijke situatie en hem in de gelegenheid te stellen, aan een vergelijkend onderzoek deel te nemen.
21 Bij nota van 3 juli 2009 heeft verzoeker de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” verzocht, op zijn beslissing van 24 juni 2009 terug te komen. Hij voerde daartoe aan dat zijn diensthoofd wenste dat zijn overeenkomst met een jaar zou worden verlengd en dat de werkzaamheden die hij bijna zestien jaar bij de Raad had verricht van blijvende aard waren. In dezelfde nota gaf verzoeker te kennen dat hij, gezien zijn profiel als architect en niet als ingenieur, geen hoop kon koesteren, op de reservelijst van vergelijkend onderzoek EPSO/AD/99/07 te worden geplaatst.
22 Bij brief van 14 juli 2009 heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” de beslissing van 24 juni 2009 bevestigd met de precisering dat hij op de door verzoeker bezette post een ambtenaar wenste aan te stellen en dat de in de brief van 3 juli 2009 aangevoerde argumenten geen wijziging konden brengen in die beslissing.
23 Bij schrijven van 24 juli 2009 heeft verzoeker op die datum een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend met het verzoek om intrekking van de beslissingen van 29 april en 24 juni 2009. In hetzelfde schrijven verzocht hij tevens dat alle maatregelen zouden worden getroffen die noodzakelijk waren om zijn administratieve positie te regulariseren (hierna: „verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie”).
24 Bij nota van 2 oktober 2009, ter kennis gebracht op 13 oktober 2009, heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag de klacht verworpen (hierna: „beslissing tot verwerping van de klacht”) en het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie afgewezen (hierna: „beslissing tot afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie”).
Conclusies van partijen
25 Verzoeker concludeert dat het het Gerecht behage:
– de beslissing om zijn overeenkomst na 30 september 2009 niet te verlengen en de beslissing tot afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie nietig te verklaren;
– de Raad in de kosten te verwijzen.
26 De Raad verzoekt het Gerecht:
– het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en hoe dan ook ongegrond te verklaren;
– verzoeker in de kosten te verwijzen.
In rechte
Voorwerp van het beroep
27 Verzoeker verzoekt het Gerecht onder meer, de beslissing om zijn overeenkomst na 30 september 2009 niet te verlengen nietig te verklaren, zonder echter uitdrukkelijk aan te geven om welke beslissing het gaat. Gelet op het grote aantal handelingen van de Raad met betrekking tot de niet-verlenging van verzoekers overeenkomst moet worden bepaald, welke van die handelingen de litigieuze beslissing vormt.
28 Uit de bewoordingen van de nota van 29 april 2009 blijkt dat de overeenkomst van verzoeker „op 30 september 2009 eindigt”. Die nota vormt echter niet de definitieve standpuntbepaling van de administratie over het eindigen van verzoekers dienstverband. De nota eindigt immers met een alinea waarin eraan wordt herinnerd dat de overeenkomst van de betrokkene niet zal kunnen worden verlengd indien hij niet slaagt voor een ander vergelijkend onderzoek dan vergelijkend onderzoek EPSO/AD/99/07. De directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” heeft verzoeker daarmee ervan in kennis gesteld dat er nog een kans bestond dat zijn overeenkomst zou worden verlengd. Dat vooruitzicht was niet louter hypothetisch, daar het EPSO op 17 juni 2009 een aankondiging voor een algemeen vergelijkend onderzoek in de sector gebouwen bekend heeft gemaakt en verzoeker aan dat vergelijkend onderzoek heeft deelgenomen.
29 Daarentegen gaf de nota van 24 juni 2009 verzoeker geen hoop dat zijn overeenkomst zou worden verlengd. In de eerste plaats betreft die nota het „[e]indigen van [de] overeenkomst van [verzoeker] op 30 september 2009”, terwijl de nota van 29 april 2009 meer in het algemeen betrekking heeft op de „overeenkomst [van verzoeker]”. Vervolgens vermeldt de nota van 24 juni 2009 duidelijk de redenen rechtens — de verplichting voor het tot aanstelling bevoegd gezag, in een vacature te voorzien door de aanwerving van een ambtenaar — en feitelijk — het niet slagen van verzoeker voor een vergelijkend onderzoek — waarom de overeenkomst niet is verlengd. Tot slot wordt in die nota niet meer vermeld dat bij het eventuele slagen van verzoeker voor een vergelijkend onderzoek de tewerkstelling na 30 september 2009 zou worden verlengd.
30 Twee elementen bevestigen dat de administratie definitief haar standpunt over de contractuele positie van verzoeker in de nota van 24 juni 2009 heeft ingenomen. In de eerste plaats vormde die nota een antwoord op het door verzoeker op 12 mei 2009 gedane verzoek, waarin verzoeker onder meer te kennen gaf dat zijn hiërarchieke meerdere wenste dat zijn overeenkomst zou worden verlengd. In de tweede plaats heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” verzoeker geantwoord dat hij „de bewoordingen van [z]ijn nota van 24 juni 2009 alleen maar kon bevestigen”.
31 Voor het overige heeft de Raad ter terechtzitting in antwoord op een vraag van het Gerecht zelf aangegeven dat de nota van 24 juni 2009 in het onderhavige geschil de nadelige handeling was.
32 Zo de beslissing om verzoekers overeenkomst niet te verlengen moest worden geacht te zijn genomen bij de nota van 29 april 2009 en niet bij de nota van 24 juni 2009, zou zulks hoe dan ook geen gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het beroep — verzoekers klacht is ingediend binnen drie maanden na de kennisgeving van de nota van 29 april 2009 —, noch voor de beoordeling van verzoekers middelen, nu de twee nota’s in essentie berusten op dezelfde overweging, te weten dat verzoeker niet voor een vergelijkend onderzoek was geslaagd en dus niet langer in dienst kon blijven.
33 Wat betreft het verzoek van verzoeker strekkende tot nietigverklaring van de beslissing om zijn overeenkomst na 30 september 2009 niet te verlengen, moet het beroep worden geacht te zijn gericht tegen de beslissing van 24 juni 2009 (hierna: „litigieuze beslissing”).
34 Voor het overige is het beroep tevens gericht tegen de beslissing houdende afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie.
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
35 Volgens de Raad is het beroep op alle onderdelen niet-ontvankelijk. In de eerste plaats ontbreekt iedere duidelijkheid en nauwkeurigheid, en in de tweede plaats is ook de klacht niet-ontvankelijk wegens gebrek aan duidelijkheid en nauwkeurigheid.
36 Aangaande meer in het bijzonder de conclusies strekkende tot afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie, geeft de Raad te kennen dat indien die conclusies moesten worden uitgelegd als conclusies ertoe strekkende dat hem wordt gelast, een bepaalde maatregel te treffen, niet-ontvankelijk zouden zijn. Het Gerecht is immers niet bevoegd om in het kader van een op artikel 91 van het Statuut gebaseerde rechtmatigheidstoetsing maatregelen te gelasten.
Beoordeling door het Gerecht
37 Aangaande in de eerste plaats de conclusies die zijn gericht tegen de beslissing houdende afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie, zij opgemerkt dat ingevolge de artikelen 90 en 91 van het Statuut het beroep in rechte dat door een voormalig personeelslid wordt ingesteld tegen de instelling waartoe hij behoorde, in beginsel slechts ontvankelijk is indien de in die artikelen geregelde voorafgaande administratieve procedure regelmatig is verlopen. Die regels zijn van openbare orde en partijen kunnen er zich niet aan onttrekken (zie beschikkingen Gerecht van eerste aanleg van 11 mei 1992, Whitehead/Commissie, T-34/91, Jurispr. blz. II-1723, punten 18 en 19, en 6 november 1997, Liao/Raad, T-15/96, JurAmbt. blz. I-A-329 en II-897, punt 54). Volgens artikel 77 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht in iedere stand van het geding ambtshalve, na partijen te hebben gehoord, uitspraak doen over de middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn.
38 Een beroep tegen een nadelige handeling van het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag moet hoe dan ook worden voorafgegaan door een precontentieuze klacht, die uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend is afgewezen. Een beroep dat is ingesteld voordat die precontentieuze procedure is afgewikkeld, is prematuur en ingevolge artikel 91, lid 2, van het Statuut niet-ontvankelijk (zie in die zin arresten Gerecht van eerste aanleg van 20 juni 1990, Marcato/Commissie, T-47/89 en T-82/89, Jurispr. blz. II-231, punt 32, en 23 maart 2000, Rudolph/Commissie, T-197/98, JurAmbt. blz. I-A-55 en II-241, punt 53).
39 Uit de klacht van 24 juli 2009 blijkt dat deze uit twee onderdelen bestaat, een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut, gericht tegen de litigieuze beslissing, en een verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie, dat verder gaat dan het enkel aanvechten dat de overeenkomst niet is verlengd.
40 Met de nota van 2 oktober 2009 in antwoord op de klacht heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag dus twee afzonderlijke beslissingen genomen, de beslissing tot afwijzing van de klacht en de beslissing tot afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie (zie naar analogie arrest Rudolph/Commissie, reeds aangehaald, punten 53-55).
41 In casu staat vast dat verzoeker geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut heeft ingediend tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om regularisering van zijn administratieve positie.
42 Bijgevolg zijn de conclusies die zijn gericht tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om regularisering van verzoekers administratieve positie niet-ontvankelijk.
43 Aangaande in de tweede plaats de tegen de litigieuze beslissing aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid brengt het Gerecht in herinnering dat volgens vaste rechtspraak de rechter van de Unie gerechtigd is, aan de hand van de omstandigheden van het betrokken geval te beoordelen of het belang van een goede rechtsbedeling rechtvaardigt dat conclusies ten gronde worden verworpen, zonder dat eerst uitspraak wordt gedaan over de door de verwerende partij tegen die conclusies opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid (zie in die zin onder meer arrest Hof van 26 februari 2002, Raad/Boehringer, C-23/00 P, Jurispr. blz. I-1873, punten 51 en 52; arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 juni 2005, Regione autonoma della Sardegna/Commissie, T-171/02, Jurispr. blz. II-2123, punt 155; arrest Gerecht van 8 april 2008, Bordini/Commissie, F-134/06, JurAmbt. blz. I-A-1-87 en II-A-1-435, punt 56).
44 In casu rechtvaardigt naar het oordeel van het Gerecht een goede rechtsbedeling dat de tegen de litigieuze beslissing gerichte conclusies ten gronde worden onderzocht en, in voorkomend geval, ten gronde worden afgewezen, zonder dat de tegen die beslissing aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid hoeven te worden onderzocht.
De tegen de litigieuze beslissing gerichte conclusies
Argumenten van partijen
45 Verzoeker beoogt in de eerste plaats, algemeen, dat de litigieuze beslissing indruist tegen artikel 25 van het Statuut en de motiveringsplicht, de uit richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (PB L 175, blz. 43) voortvloeiende beginselen, de regels inzake de minimumvoorwaarden ter voorkoming van onredelijke ontslagen van werknemers, de zorgplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur, en dat de litigieuze beslissing geen rechtsgrondslag heeft.
46 In de tweede plaats geeft verzoeker te kennen dat de litigieuze beslissing gebrekkig is gemotiveerd en dat hij de redenen waarom zijn overeenkomst niet is verlengd, dus niet kan begrijpen. Dat motiveringsgebrek is bovendien niet hersteld door de beslissing houdende afwijzing van de klacht. Om te beginnen kan de omstandigheid dat verzoeker niet is geslaagd voor een vergelijkend onderzoek, op zich niet rechtvaardigen dat een overeenkomst niet wordt verlengd binnen de limiet van drie jaar zoals bepaald in artikel 3 ter van de RAP. Voorts bestrijdt verzoeker dat de post die hij bezette voorkwam op de lijst van begrote posten, gevoegd bij de afdeling van de begroting betreffende de Raad, en moest worden bezet volgens de in artikel 29 van het Statuut vastgelegde voorwaarden, nu voor die post geen enkele vacature is bekendgemaakt. Tot slot heeft de Raad, in strijd met de zorgplicht, geen rekening gehouden met het belang van verzoeker — die jarenlang voor de instelling had gewerkt — bij verlenging van zijn overeenkomst. De Raad heeft evenmin rekening gehouden met de wens van verzoekers diensthoofd, dat had gevraagd dat verzoekers overeenkomst in het belang van de continuïteit van de dienst zou worden verlengd.
47 In de derde plaats druist de litigieuze beslissing in tegen artikel 3 ter van de RAP, uitgelegd tegen de achtergrond van de uit richtlijn 1999/70 voortvloeiende beginselen en het reeds aangehaalde arrest Adjemian e.a./Commissie. Volgens verzoeker kon de Raad verzoeker niet rechtmatig in dienst hebben als arbeidscontractant voor hulptaken, aangezien de door hem bezette post niet bedoeld was om incidentele en tijdelijke behoeften te dekken. De Raad had zijn overeenkomst met inachtneming van de uit de RAP voortvloeiende verplichtingen anders moeten kwalificeren.
48 In de vierde plaats zet verzoeker uiteen dat de Raad, door te besluiten zijn overeenkomst als arbeidscontractant voor hulptaken niet te verlengen op grond dat hij niet op een reservelijst stond om ambtenaar te worden, terwijl het EPSO tijdens de duur van de overeenkomst slechts één vergelijkend onderzoek op het gebied van gebouwen heeft georganiseerd, het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd heeft geschonden.
49 De Raad merkt op dat enkele van de door verzoeker aangevoerde middelen niet-ontvankelijk zijn.
50 In de eerste plaats zijn de middelen inzake schending van de uit richtlijn 1999/70 voortvloeiende beginselen, niet-inachtneming van de regels inzake de minimumvoorwaarden om onredelijke ontslagen van werknemers te vermijden, het ontbreken van een rechtsgrondslag en schending van de zorgplicht en van het beginsel van behoorlijk bestuur, aangevoerd in strijd met het bepaalde in artikel 35, lid 1, sub d en e, van het Reglement voor de procesvoering. Die middelen zijn immers naar voren gebracht zonder de minste relevante toelichting aan de hand waarvan verweerder de draagwijdte en de gegrondheid ervan kan begrijpen en, bijgevolg, verweer kan voeren.
51 In de tweede plaats betoogt de Raad dat het middel inhoudend dat verzoeker niet op basis van het bepaalde in artikel 3 ter van de RAP kon worden aangeworven niet-ontvankelijk is, nu verzoeker de rechtsgrondslag van zijn overeenkomst niet binnen drie maanden te rekenen vanaf de ondertekening ervan heeft aangevochten. De litigieuze beslissing vormt geen nieuw feit waardoor de termijn met betrekking tot de rechtsgrondslag van de overeenkomst opnieuw zou kunnen ingaan.
52 In de derde plaats zet de Raad uiteen dat het middel inzake schending van het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd niet in de klacht was geformuleerd en dus niet-ontvankelijk is.
53 In de vierde plaats is het middel dat de regels inzake de minimumvoorwaarden om onredelijke ontslagen van werknemers te vermijden niet zijn geëerbiedigd, ongegrond, nu het onderhavige geschil betrekking heeft op het eindigen van verzoekers overeenkomst aan het einde van het tijdvak waarvoor zij was gesloten, en niet op een ontslagbesluit.
54 Subsidiair merkt de Raad op dat het beroep ongegrond is.
55 Aangaande in de eerste plaats het middel inzake ontoereikende motivering zet de Raad uiteen dat de beslissing om de overeenkomst niet te verlengen niet ontoereikend is gemotiveerd. Verzoeker was ervan in kennis gesteld dat zijn overeenkomst hem was aangeboden bij wijze van uitzondering, voor een tijdvak van 24 maanden, om hem de gelegenheid te geven deel te nemen aan een eventueel later door het EPSO georganiseerd vergelijkend onderzoek. Vervolgens is verzoeker in de nota van 29 april 2009 aan die situatie en aan de beëindiging van zijn dienstverband op 30 september 2009 herinnerd. Tot slot is in de litigieuze overeenkomst gepreciseerd dat het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag op de tot op dat moment door verzoeker bezette post een ambtenaar moest aanstellen, daar die post voorkwam op de lijst van begrotingsposten van de instelling en vacant was. Daar verzoeker niet voor een vergelijkend onderzoek was geslaagd, kon de Raad de contractuele relatie met hem niet voortzetten, temeer daar de oorspronkelijke overeenkomst als hulpfunctionaris bij wijze van uitzondering was gesloten, om verzoeker de tijd te gunnen, voor een vergelijkend onderzoek te slagen.
56 In de tweede plaats is de Raad van oordeel dat de litigieuze beslissing niet indruist tegen de uit richtlijn 1999/70 voortvloeiende beginselen. Die richtlijn is immers niet gericht tot de instellingen, maar tot de lidstaten, en legt de instellingen geen verplichtingen op in hun betrekkingen met hun personeelsleden. Hoe dan ook verbiedt die richtlijn niet dat overeenkomsten voor bepaalde duur worden gesloten. In casu had de eerste overeenkomst voor bepaalde tijd met verzoeker betrekking op de verrichting van specifieke werkzaamheden, in afwachting van de aanstelling van een ambtenaar op de post. De tweede overeenkomst was gesloten bij wijze van uitzondering, om rekening te houden met de persoonlijke situatie van verzoeker.
57 In de derde plaats ziet de Raad niet in, waarom een beslissing om een overeenkomst voor bepaalde tijd niet met een jaar te verlengen in strijd zou zijn met artikel 3 ter van de RAP. De beweringen van verzoeker dat hij gedurende zestien jaar met verschillende overeenkomsten dezelfde werkzaamheden en verantwoordelijkheden heeft uitgeoefend, zijn onjuist, nu die werkzaamheden verschilden qua inhoud, frequentie en verantwoordelijkheden voor verzoeker.
58 In de vierde plaats geeft de Raad te kennen dat het middel inzake schending van het beginsel van uitvoering van overeenkomsten te goeder trouw feitelijke grondslag mist. De Raad heeft aan verlenging van verzoekers overeenkomst niet onrechtmatig de voorwaarde verbonden dat verzoeker voor een vergelijkend onderzoek zou slagen. De overeenkomst is verzoeker juist bij wijze van uitzondering aangeboden om zijn eventuele aanwerving als ambtenaar mogelijk te maken. Anders dan verzoeker betoogt, zijn in de twee jaar waarin verzoekers overeenkomst heeft geduurd twee vergelijkende onderzoeken georganiseerd die aan zijn profiel beantwoordden en heeft de jury van die vergelijkende onderzoeken verzoeker toegelaten tot de examens.
Beoordeling door het Gerecht
– Algemeen en abstract geformuleerde middelen
59 Verzoeker stelt in algemene en abstracte bewoordingen dat de litigieuze beslissing in strijd is met de beginselen die voortvloeien uit richtlijn 1999/70, die de minimumvoorwaarden ter voorkoming van onredelijke ontslagen van de werknemers regelt, de zorgplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur, en voorts dat de litigieuze beslissing een rechtgrondslag ontbeert.
60 Krachtens artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering moet het verzoekschrift onder meer de aangevoerde middelen en argumenten, zowel feitelijk als rechtens, bevatten. Deze onderdelen moeten zo duidelijk en nauwkeurig zijn dat de verwerende partij haar verweer kan voorbereiden en het Gerecht op het beroep kan beslissen, in voorkomend geval zonder verdere informatie. Teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen, is het voor de ontvankelijkheid van een beroep noodzakelijk dat de feitelijke en juridische gronden van het beroep coherent en begrijpelijk uit het verzoekschrift zelf blijken (beschikking Gerecht van eerste aanleg van 28 april 1993, De Hoe/Commissie, T-85/92, Jurispr. blz. II-523, punt 20; beschikking Gerecht van 26 juni 2008, Nijs/Rekenkamer, F-1/08, JurAmbt. blz. I-A-1-229 en II-A-1-1231, punt 24). Dit geldt temeer daar volgens artikel 7, lid 3, van bijlage I bij het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, het schriftelijke gedeelte van de procedure voor het Gerecht in beginsel slechts één enkele memoriewisseling omvat, behoudens andersluidende beslissing van het Gerecht. Deze laatste bijzonderheid van de procedure voor het Gerecht verklaart dat, anders dan voor het Hof of het Gerecht van de Europese Unie is voorzien in artikel 21, eerste alinea, van het Statuut van het Hof, de uiteenzetting van de middelen en argumenten niet summier kan zijn (arrest Adjemian e.a./Commissie, reeds aangehaald).
61 De hierboven genoemde middelen zijn in de vorm waarin zij zijn aangevoerd niet in overeenstemming met de bepalingen van artikel 35, lid 1, sub e, van het Reglement voor de procesvoering, en bijgevolg niet-ontvankelijk.
– Middel ontleend aan schending van artikel 25 van het Statuut en van de motiveringsplicht
62 Volgens vaste rechtspraak heeft de motiveringsplicht die is voorgeschreven in artikel 25, tweede alinea, van het Statuut — dat krachtens de artikelen 11 en 81 van de RAP naar analogie van toepassing is op arbeidscontractanten voor hulptaken —, die slechts een weergave is van de algemene verplichting die in artikel 253 EG is neergelegd, tot doel de betrokkene voldoende gegevens te verschaffen om te beoordelen of de voor hem nadelige handeling gegrond is en of het zin heeft beroep bij het Gerecht in te stellen, en dit laatste in staat te stellen toezicht op de rechtmatigheid van de handeling uit te oefenen. Bijgevolg vormt de aldus geformuleerde motiveringsplicht een fundamenteel beginsel van het recht van de Unie, waarvan slechts om dwingende redenen kan worden afgeweken (arresten Hof 26 november 1981, Michel/Parlement, 195/80, Jurispr. blz. 2861, punt 22, en 23 september 2004, Hectors/Parlement, C-150/03 P, Jurispr. blz. I-8691, punt 39; arresten Gerecht van eerste aanleg van 20 maart 1991, Pérez-Ménguez Casariego/Commissie, T-1/90, Jurispr. blz. II-143, punt 73, en 6 juli 2004, Huygens/Commissie, T-281/01, JurAmbt. blz. I-A-203 en II-903, punt 105).
63 Volgens vaste rechtspraak is het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag verplicht, op zijn minst uiterlijk in het stadium van de afwijzing van de klacht, zijn beslissingen te motiveren (arresten Gerecht van eerste aanleg van 3 maart 1993, Vela Palacios/SEC, T-25/92, Jurispr. blz. II-201, punt 22, en 14 juli 1998, Brems/Raad, T-219/97, JurAmbt. blz. I-A-381 en II-1085, punt 83) en dient de omvang van de motiveringsplicht van geval tot geval te worden beoordeeld aan de hand van de concrete omstandigheden (arresten Hof 14 juli 1977, Geist/Commissie, 61/76, Jurispr. blz. 1419, punt 28, en 13 december 1989, Prelle/Commissie, C-169/88, Jurispr. blz. 4335, punt 9; arrest Gerecht van eerste aanleg van 6 juli 1995, Ojha/Commissie, T-36/93, JurAmbt. blz. I-A-161 en II-497, punt 60). Meer bepaald is een beslissing toereikend gemotiveerd wanneer zij is genomen in een context die de betrokken ambtenaar kent, zodat deze de strekking van de ten aanzien van hem genomen maatregel kan begrijpen (arresten Hof 29 oktober 1981, Arning/Commissie, 125/80, Jurispr. blz. 2539, punt 13, en 12 november 1996, Ojha/Commissie, C-294/95 P, Jurispr. blz. I-5863, punt 35; arrest Gerecht van eerste aanleg Ojha/Commissie, reeds aangehaald, punt 60, en arrest Gerecht van eerste aanleg van 1 april 2004, N/Commissie, T-198/02, JurAmbt. blz. I-A-115 en II-507, punt 70).
64 Er dient tevens aan te worden herinnerd dat een beslissing waarbij wordt geweigerd een overeenkomst voor bepaalde tijd te verlengen, een nadelige handeling in de zin van artikel 25 van het Statuut is indien zij van de overeenkomst in kwestie te onderscheiden is. Dit is meer bepaald het geval is wanneer zij op nieuwe feiten of omstandigheden gebaseerd is of wanneer zij een standpuntbepaling van de administratie naar aanleiding van een verzoek van de betrokken functionaris inhoudt en betrekking heeft op de in de overeenkomst opgenomen mogelijkheid van verlenging daarvan (zie in die zin beschikking Hof van 23 oktober 2009, Commissie/Potamianos, C-561/08 P en C-4/09 P, JurAmbt. blz. I-B-2-7 en II-B-2-67, punten 45, 46 en 48; arrest Gerecht van eerste aanleg van 15 oktober 2008, Potamianos/Commissie, T-160/04, JurAmbt. blz. I-A-2-75 en II-A-2-469, punten 21 en 23). Een dergelijke weigering moet worden gemotiveerd (zie naar analogie, aangaande een beslissing houdende weigering om een tijdelijk functionaris bij een politieke groep in het Parlement aan te werven, Hectors/Parlement, reeds aangehaald, punt 40; aangaande de beslissingen houdende ontslag van een tijdelijk functionaris die voor onbepaalde tijd was aangesteld, arrest Gerecht van eerste aanleg van 8 september 2009, ETF/Landgren, T-404/06 P, Jurispr. blz. II-2841, punten 143-170).
65 In casu is de litigieuze beslissing te onderscheiden van de overeenkomst die op 1 oktober 2007 tussen de Raad en verzoeker is gesloten.
66 In de eerste plaats bevat deze beslissing immers een nieuw element in vergelijking met de overeenkomst die op 1 oktober 2007 is gesloten, aangezien daarin is gepreciseerd dat die overeenkomst niet verlengbaar is aan het einde van de aanvankelijke looptijd van twee jaar. Artikel 4 van deze overeenkomst voorzag uitdrukkelijk in een eventuele verlenging met één jaar. Bovendien heeft de directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” in zijn nota’s van 6 juni en 5 juli 2007 niet uitdrukkelijk aan verzoeker te kennen gegeven dat de overeenkomst die hem werd aangeboden niet kon worden verlengd binnen de limiet van drie jaar als voorzien in artikel 88 van de RAP.
67 In de tweede plaats heeft verzoeker, daarin ondersteund door zijn hiërarchieke meerdere, bij nota van 12 mei 2009 een verzoek om verlenging van zijn overeenkomst ingediend. De litigieuze beslissing vormt de standpuntbepaling van de Raad naar aanleiding van dit verzoek.
68 Bijgevolg moest de litigieuze beslissing, die een nadelige handeling in de zin van artikel 25 van het Statuut is, worden gemotiveerd.
69 In de litigieuze beslissing heeft de Raad gepreciseerd dat hij krachtens de bepalingen van artikel 29 van het Statuut gehouden was om in de door verzoeker bezette post te voorzien door middel van bevordering, overplaatsing van een ambtenaar of aanstelling van een geslaagde kandidaat van een vergelijkend onderzoek en dat verzoeker, aangezien hij niet op een reservelijst van een vergelijkend onderzoek stond, niet langer dan tot 30 september 2009 een post bij de Raad kon bezetten. Door die factoren tot uitdrukking te brengen, heeft de Raad de litigieuze beslissing toereikend gemotiveerd.
70 Hoe dan ook moet worden opgemerkt dat de Raad deze motivering bij brief van 14 juli 2009 heeft aangevuld, door te preciseren dat hij de door verzoeker bezette post wilde toekennen aan een ambtenaar en dat de door verzoeker aangevoerde argumenten in zijn brief van 3 juli 2009 die beslissing niet in twijfel konden trekken.
71 Ten slotte is de litigieuze beslissing genomen in een context die verzoeker kende. De directeur-generaal van DG A „Personeelszaken en algemeen beheer” had immers, onder meer bij de nota van 29 april 2009, aan betrokkene reeds te kennen gegeven dat hij zijn overeenkomst niet kon verlengen indien hij niet voor een vergelijkend onderzoek slaagde.
72 Hieruit volgt dat het middel ontleend aan verzaking aan de motiveringsplicht en schending van artikel 25 van het Statuut, moet worden afgewezen.
– Middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout
73 Verzoeker werpt in zijn schriftelijke opmerkingen niet uitdrukkelijk het middel ontleend aan de kennelijke beoordelingsfout op. In zijn uiteenzettingen gewijd aan de verzaking aan de motiveringsplicht, geeft hij evenwel te kennen dat de omstandigheid dat verzoeker niet voor een vergelijkend onderzoek geslaagd is, op zichzelf genomen geen rechtvaardiging kon vormen voor de weigering om een overeenkomst binnen de limiet van drie jaar als voorzien in de bepalingen van artikel 3 ter van de RAP te verlengen. Hij bestrijdt vervolgens dat hij een post bezette die voorkwam in de lijst van begrote posten, gevoegd bij de afdeling van de begroting die op de Raad betrekking had, waarin moest worden voorzien onder de voorwaarden van artikel 29 van het Statuut, terwijl er geen enkele kennisgeving van vacature voor deze post was gepubliceerd. Ten slotte heeft de Raad, met voorbijgaan aan zijn zorgplicht, geen acht geslagen op het gewettigde belang van verzoeker, die reeds een groot aantal jaren voor de instelling werkte, bij verlenging van zijn overeenkomst. De Raad heeft evenmin het belang van de dienst in aanmerking genomen, in die zin dat de verlenging van verzoekers overeenkomst voor de continuïteit van de dienst van belang was.
74 Gelet op deze factoren moet verzoeker worden geacht niet alleen de formele motivering van de litigieuze beslissing te hebben bestreden, maar ook de door de Raad gehanteerde motivering.
75 Er is reeds geoordeeld dat de niet-verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd binnen de ruime beoordelingsvrijheid van het bevoegd gezag valt, waarbij de toetsing door de rechter van de Unie zich moet beperken tot de vraag of er geen sprake is van een kennelijke onjuistheid of van misbruik van bevoegdheid. De verlenging van een overeenkomst voor bepaalde tijd is slechts een mogelijkheid, die het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag naar eigen inzicht kan benutten, vooropgesteld dat deze verlenging in het belang van de dienst is (zie arrest Gerecht van eerste aanleg van 6 februari 2003, Pyres/Commissie, T-7/01, JurAmbt. blz. I-A-37 en II-239, punten 50 en 64; arrest Gerecht van 27 november 2008, Klug/EMEA, F-35/07, JurAmbt. blz. I-A-1-387 en II-A-1-2127, punten 65 en 66).
76 Het is eveneens vaste rechtspraak dat het bevoegd gezag bij zijn beslissing over de situatie van een personeelslid alle elementen in aanmerking moet nemen die zijn beslissing kunnen beïnvloeden, en in het bijzonder het belang van het betrokken personeelslid. Dit volgt immers uit de zorgplicht van de administratie, die een weergave vormt van het door het Statuut en, mutatis mutandis, de RAP geschapen evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen in de betrekkingen tussen het administratief gezag en zijn personeelsleden (arrest Pyres/Commissie, reeds aangehaald, punt 51, en arrest Gerecht van eerste aanleg van 1 maart 2005, Mausolf/Europol, T-258/03, JurAmbt. blz. I-A-45 en II-189, punt 49; arrest Klug/EMAE, reeds aangehaald, punt 67).
77 In de onderhavige zaak kan op basis van de door verzoeker aangedragen factoren niet worden aangetoond dat de Raad met de vaststelling van de litigieuze beslissing een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan.
78 Uit de uiteenzettingen hierboven volgt dat de litigieuze beslissing, zoals gepreciseerd bij nota van 14 juli 2009 en de beslissing tot afwijzing van de klacht, is vastgesteld op grond dat de door verzoeker bezette post voorkwam op de lijst van begrote posten bij de Raad, die daarin wilde voorzien door per 1 oktober 2009, bij afloop van de aan verzoeker aangeboden overeenkomst van twee jaar, een ambtenaar of een geslaagde kandidaat van een vergelijkend onderzoek aan te stellen.
79 In de eerste plaats blijkt uit de stukken in het dossier dat de door verzoeker bezette post inderdaad sinds 2004 voorkwam op de lijst van begrote posten bij de Raad.
80 In de tweede plaats beschikt de administratie over een ruime beoordelingsvrijheid bij de keuze van de meest geschikte middelen om in zijn personeelsbehoeften te voorzien (arrest Hof van 28 februari 1989, Van der Stijl en Cullington/Commissie, 341/85, 251/86, 258/86, 259/86, 262/86, 266/86, 222/87 en 232/87, Jurispr. blz. 511, punt 11). Bovendien houdt het beginsel dat elke ambtenaar recht heeft op ontwikkeling van zijn loopbaan binnen zijn instelling in dat, wanneer de administratie in een vacature wil voorzien, zij volgens artikel 29 van het Statuut de mogelijkheden van bevordering of overplaatsing binnen de instelling moet onderzoeken, en vervolgens, na dit onderzoek, de overige mogelijkheden waarover zij beschikt (arrest Gerecht van eerste aanleg van 19 februari 1998, Campogrande/Commissie, T-3/97, JurAmbt. blz. I-A-89 en II-215, punt 65).
81 In die omstandigheden heeft de Raad, in het bijzonder gelet op de keuzevrijheid waarover de administratie op het gebied van de aanwervingmethode beschikt, op goede gronden kunnen weigeren om verzoekers overeenkomst te verlengen, met als reden dat in de post van betrokkene moest worden voorzien door de aanwerving van een ambtenaar. Gelet bovendien op de regel dat in een vaste functie op de lijst van begrote posten bij een instelling in beginsel moet worden voorzien door aanwerving van een ambtenaar, en op het belang dat de dienst bij de tewerkstelling van een ambtenaar om blijvende functies te vervullen heeft, is de continuïteit van de dienst waarop verzoeker zich beroept, niet voldoende om op basis daarvan te concluderen dat sprake is van een kennelijke beoordelingsfout.
82 In de derde plaats kan de inaanmerkingneming van het persoonlijke belang van verzoeker, als uitvloeisel van de zorgplicht, de administratie niet ertoe verplichten om zijn overeenkomst als arbeidscontractant voor hulptaken te verlengen wanneer dit niet in het belang van de dienst is. In casu volgt uit het ter terechtzitting gevoerde debat dat de Raad kort na het vertrek van verzoeker een ambtenaar heeft aangeworven, en dat niet is aangetoond dat de nieuwe organisatie van het werk zoals vastgesteld door de Raad na deze aanwerving, heeft verhinderd dat de voorheen aan verzoeker toevertrouwde taken naar behoren werden uitgevoerd.
83 Uit het voorgaande volgt dat het middel ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout ongegrond is.
– Middel ontleend aan schending van artikel 3 ter van de RAP, uitgelegd in het licht van de beginselen die uit richtlijn 1999/70 voortvloeien
84 Verzoeker betoogt dat de Raad artikel 3 ter van de RAP, uitgelegd in het licht van de beginselen die uit richtlijn 1999/70 voortvloeien, heeft geschonden door verzoeker als arbeidscontractant voor hulptaken aan te werven. Aangezien de te vervullen taken van blijvende aard zijn, had verzoeker immers als tijdelijk functionaris moeten worden aangeworven en niet als arbeidscontractant voor hulptaken.
85 Dit middel heeft evenwel geen weerslag op de rechtmatigheid van de litigieuze beslissing. Zelfs gesteld dat de Raad verzoeker als tijdelijk functionaris had moeten aanwerven, was de Raad immers hoe dan ook verplicht om het verzoek om verlenging van de overeenkomst als arbeidscontractant voor hulptaken af te wijzen teneinde de vermeende onrechtmatigheid niet te laten voortduren.
– Middel ontleend aan schending van het beginsel dat een overeenkomst te goeder trouw moet worden uitgevoerd
86 Verzoeker geeft te kennen dat de Raad te kwader trouw was bij de uitvoering van de overeenkomst als arbeidscontractant voor hulptaken waaraan zij beide gebonden waren. De instelling heeft immers van betrokkene verlangd dat hij voor een vergelijkend onderzoek zou slagen vóór het einde van de looptijd van genoemde overeenkomst, en tegelijkertijd geen vergelijkend onderzoek dat aan zijn profiel beantwoordde georganiseerd.
87 In de eerste plaats moet eraan worden herinnerd dat schending van het beginsel dat een overeenkomst te goeder trouw moet worden uitgevoerd, kan worden ingeroepen in het kader van een beroep tot schadevergoeding, en er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat schade die als gevolg van dit onrechtmatig gedrag is ontstaan, moet worden vergoed (zie in die zin arrest Hof van 15 juli 1960, Von Lachmüller e.a./Commissie, 43/59, 45/59 en 48/59, Jurispr. blz. 967, 990; arrest Gerecht van 2 juli 2009 Bennett e.a./BHIM, F-19/08, JurAmbt. blz. I-A-1-207 en II-A-1-1137, punt 163). Dit middel betreft daarentegen niet de rechtmatigheid en is dus voor de vraag inzake de rechtmatigheid van de litigieuze beslissing irrelevant.
88 Zelfs gesteld dat dit middel slaagt, kan verzoeker hoe dan ook niet op goede gronden betogen dat de Raad krachtens het beginsel dat overeenkomsten te goeder trouw moeten worden uitgevoerd, verplicht was om vóór afloop van zijn overeenkomst door het EPSO een vergelijkend onderzoek dat precies aan zijn profiel voldeed te laten organiseren.
89 Om te beginnen wordt een vergelijkend onderzoek uitsluitend georganiseerd om in de behoeften van de dienst te voorzien en niet om uitvoering te geven aan een contractuele verplichting van de administratie. Niet is aangetoond dat het belang van de dienst ertoe verplichtte om een vergelijkend onderzoek voor uitsluitend architecten te organiseren vóór het einde van verzoekers overeenkomst. Vervolgens blijkt hoe dan ook niet uit de stukken in het dossier, met name de brieven van 6 juni en 5 juli 2007, dat de Raad een dergelijke verplichting daadwerkelijk is aangegaan. In die brieven heeft de administratie louter aan verzoeker te kennen gegeven dat hem een overeenkomst zou worden aangeboden om hem in staat te stellen in voorkomend geval aan een vergelijkend onderzoek van het EPSO deel te nemen. De brief van 6 juni 2007, die verwijst naar het „vergelijkend onderzoek ‚architecten’ dat in de tweede helft van dit jaar zal worden bekendgemaakt”, kan, onder meer gelet op het gebruik van de aanhalingstekens, niet aldus worden uitgelegd dat dit betekent dat een vergelijkend onderzoek voor uitsluitend architecten zou worden georganiseerd vóór het einde van zijn overeenkomst. Ten slotte moet ten overvloede worden opgemerkt dat vergelijkend onderzoek EPSO/AD/99/07, ofschoon dit niet uitsluitend voor architecten openstond, aan verzoekers profiel beantwoordde, aangezien gebied 2 van dit vergelijkend onderzoek het opschrift „Civiele techniek, bijzondere techniek en architectuur” droeg en de functies die konden worden opgedragen aan een ambtenaar die tot dit vergelijkend onderzoek op het gebied 2 zou zijn toegelaten, beantwoordden aan die welke gewoonlijk aan een architect worden toevertrouwd.
90 Indien verzoeker in de tweede plaats met dit middel te verstaan heeft willen geven dat de Raad misbruik van zijn bevoegdheid heeft gemaakt, een uitlegging die overigens uitdrukkelijk is weersproken ter terechtzitting, kan een dergelijk middel hoe dan ook niet slagen.
91 Verzoeker voert immers geen spoor van bewijs aan op grond waarvan misbruik van bevoegdheid kan worden vastgesteld. Bovendien heeft het EPSO gedurende de looptijd van verzoekers overeenkomst als arbeidscontractant voor hulptaken twee vergelijkende onderzoeken in de bouwsector georganiseerd waartoe verzoeker als kandidaat is toegelaten.
92 Bijgevolg dient het onderhavige middel te worden afgewezen.
93 Bijgevolg en zonder dat op de opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid hoeft te worden beslist, moeten de conclusies strekkende tot nietigverklaring van de litigieuze beslissing worden afgewezen.
94 Uit het voorgaande volgt dat het beroep in zijn geheel moet worden verworpen.
Kosten
95 Volgens artikel 87, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij, onverminderd de overige bepalingen van het achtste hoofdstuk van de tweede titel van dat Reglement, in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Op grond van artikel 87, lid 2, kan het Gerecht, wanneer de billijkheid dit vergt, beslissen dat een in het ongelijk gestelde partij slechts ten dele in de kosten wordt verwezen of zelfs niet in de kosten dient te worden verwezen.
96 Uit de hierboven uiteengezette rechtsoverwegingen volgt dat verzoeker in het ongelijk is gesteld. Voorts heeft de Commissie in haar conclusies uitdrukkelijk gevorderd om verzoeker te verwijzen in de kosten. Daar de omstandigheden van de zaak geen rechtvaardiging opleveren voor toepassing van artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, moet verzoeker dus worden verwezen in de kosten.
HET GERECHT VOOR AMBTENARENZAKEN (Eerste kamer),
rechtdoende, verklaart:
1) Het beroep van Gheysens wordt verworpen.
2) Gheysens zal alle kosten dragen.
Gervasoni
Van Raepenbusch
Rofes i Pujol
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 23 november 2010.
De griffier
De president van de Eerste kamer
W. Hakenberg
S. Gervasoni
* Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy