18.2.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 49/13
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 21 december 2011 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Strafzaak tegen Mohsen Afrasiabi, Behzad Sahabi, Heinz Ulrich Kessel
(Zaak C-72/11) (1)
(Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen ten aanzien van Islamitische Republiek Iran teneinde nucleaire proliferatie te verhinderen - Verordening (EG) nr. 423/2007 - Artikel 7, leden 3 en 4 - Levering en installatie van sinteroven in Iran - Begrip „indirecte terbeschikkingstelling” van „economisch middel” ten behoeve van in bijlage IV en V bij deze verordening genoemde persoon, entiteit of lichaam - Begrip „omzeiling” van verbod van terbeschikkingstelling)
2012/C 49/21
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in de strafzaak
Mohsen Afrasiabi, Behzad Sahabi, Heinz Ulrich Kessel
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Düsseldorf — Uitlegging van artikel 7, leden 3 en 4, van verordening nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 103, blz. 1) — Levering van in bijlage II bij verordening nr. 423/2007 genoemde uitrusting die nog niet voor gebruik gereed is aan een Iranese rechtspersoon die niet vermeld staat in de bijlagen IV en V bij deze verordening — Uitrusting die naar verluidt bestemd is voor latere productie ten gunste van een in deze bijlagen genoemde inrichting — Strekking van het verbod om economische middelen ter beschikking te stellen aan de in de bijlagen IV en V van genoemde verordening opgesomde personen — Begrip „indirect ter beschikking stellen” — Gelijktijdige toepassing van bepalingen die de terbeschikkingstelling van economische middelen verbieden enerzijds, en de omzeiling van dat verbod anderzijds
Dictum
1)
Artikel 7, lid 3, van verordening (EG) nr. 423/2007 van de Raad van 19 april 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran, moet aldus worden uitgelegd dat het verbod van indirecte terbeschikkingstelling van een economisch middel in de zin van artikel 1, sub i, van deze verordening, alle handelingen in verband met de levering en de installatie van een werkende, maar nog niet gebruiksklare sinteroven in Iran omvat die zijn verricht ten behoeve van een derde die, handelend namens, onder de zeggenschap van of in opdracht van een persoon, entiteit of lichaam genoemd in de bijlagen IV en V van genoemde verordening, voornemens is deze oven te gebruiken om ten behoeve van een dergelijke persoon, entiteit of lichaam goederen te produceren die kunnen bijdragen tot de nucleaire proliferatie in die staat.
2)
Artikel 7, lid 4, van verordening nr. 423/2007 moet aldus worden uitgelegd dat:
—
dit alle activiteiten omvat die, hoewel althans formeel de schijn is gewekt dat de constitutieve bestanddelen van een schending van artikel 7, lid 3, van genoemde verordening niet aanwezig zijn, niettemin direct of indirect tot doel of tot gevolg hebben dat het bij deze laatste bepaling uitgevaardigde verbod wordt ondermijnd;
—
de begrippen „bewust” en „opzettelijk” de cumulatieve elementen van wetenschap en wil veronderstellen, die aanwezig zijn wanneer de persoon die deelneemt aan een activiteit met een dergelijk doel of een dergelijk gevolg, dit opzettelijk tracht te bereiken of het op zijn minst mogelijk acht dat zijn deelname een dergelijk doel of gevolg kan hebben en deze mogelijkheid op de koop toe neemt.
(1) PB C 252 van 27.8.2011.
Full & Egal Universal Law Academy