27.10.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/6
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 september 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber) — Verenigd Koninkrijk) — Secretary of State for the Home Department/Muhammad Sazzadur Rahman, Fazly Rabby Islam, Mohibullah Rahman
(Zaak C-83/11) (1)
(Richtlijn 2004/38/EG - Recht van vrij verkeer en verblijf op grondgebied van lidstaten voor burgers van Unie en hun familieleden - Artikel 3, lid 2 - Verplichting om overeenkomstig nationaal recht binnenkomst en verblijf van „andere familieleden” ten laste van burger van Unie te vergemakkelijken)
2012/C 331/09
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Upper Tribunal (Immigration and Asylum Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Secretary of State for the Home Department
Verwerende partij: Muhammad Sazzadur Rahman, Fazly Rabby Islam, Mohibullah Rahman
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Upper Tribunal — Uitlegging van de artikelen 3, lid 2, en 10, lid 2, van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158, blz. 77) — Begrip „andere familieleden” van een burger van de Unie in de zin van artikel 3, lid 2, van de richtlijn — Familieleden ten laste van een gehuwd paar waarvan de echtgenoot een burger van een derde land is — Familieleden die geen rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn van het gehuwde paar zijn
Dictum
1)
Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG, moet aldus worden uitgelegd:
—
dat de lidstaten niet verplicht zijn om alle aanvragen tot binnenkomst of tot verblijf in te willigen die zijn ingediend door familieleden van een burger van de Unie die niet onder de definitie van artikel 2, punt 2, van deze richtlijn vallen, zelfs indien zij overeenkomstig artikel 10, lid 2, van deze richtlijn aantonen dat zijn ten laste van deze burger zijn;
—
dat de lidstaten er evenwel over moeten waken dat hun wetgeving voorwaarden omvat aan de hand waarvan deze personen een beslissing aangaande hun aanvraag tot binnenkomst en tot verblijf kunnen verkrijgen die op een nauwkeurig onderzoek van hun persoonlijke situatie is gebaseerd en, in geval van weigering, is gemotiveerd;
—
dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken om deze voorwaarden vast te stellen, mits deze voorwaarden verenigbaar zijn met de gebruikelijke betekenis van het woord „vergemakkelijkt” en van de in artikel 3, lid 2, gebruikte bewoordingen met betrekking tot afhankelijkheid en zij deze bepaling niet van haar nuttig effect beroven;
—
dat iedere aanvrager het recht heeft om door een rechterlijke instantie te laten onderzoeken of de nationale wetgeving en de toepassing ervan aan deze voorwaarden voldoen.
2)
Als voorwaarde om binnen de in artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/38 bedoelde categorie van familieleden „ten laste” van een burger van de Unie te vallen, geldt dat de situatie van afhankelijkheid van de aanvrager in het land van herkomst van het betrokken familielid bestaat, althans op het ogenblik waarop hij verzoekt zich te mogen voegen bij de burger van de Unie te wiens laste hij is.
3)
Artikel 3, lid 2, van richtlijn 2004/38 moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten in het kader van de uitoefening van hun beoordelingsmarge bijzondere voorwaarden mogen stellen inzake de aard en de duur van de afhankelijkheid, mits deze voorwaarden verenigbaar zijn met de gebruikelijke betekenis van de bewoordingen in artikel 3, lid 2, eerste alinea, sub a, van richtlijn 2004/38 met betrekking tot afhankelijkheid, en zij deze bepaling niet van haar nuttig effect beroven.
4)
De vraag of de afgifte van de in artikel 10 van richtlijn 2004/38 bedoelde verblijfskaart afhankelijk mag worden gesteld van de voorwaarde dat de situatie van afhankelijkheid van de aanvrager in de zin van artikel 3, lid 2, eerste alinea, sub a, van deze richtlijn in het gastland is blijven voortbestaan, valt niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.
(1) PB C 145 van 14.5.2011.
Full & Egal Universal Law Academy