31.3.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 98/9
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 16 februari 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Varna — Bulgarije) — Eon Aset Menidjmunt OOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
(Zaak C-118/11) (1)
(Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 168 en 176 - Recht op aftrek - Voorwaarde inzake gebruik van goederen en diensten voor belaste handelingen - Ontstaan van recht op aftrek - Huurovereenkomst voor motorvoertuig - Leaseovereenkomst - Voertuig gebruikt door werkgever voor vervoer om niet van werknemer tussen diens woning en diens plaats van tewerkstelling)
2012/C 98/12
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Varna
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Eon Aset Menidjmunt OOD
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Varna — Uitlegging van de artikelen 168, 173 en 176 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Beperkingen op het recht op aftrek van de btw — Nationale wettelijke regeling die bepaalt dat het gebruik van goederen en diensten ten behoeve van een zelfstandige economische activiteit een dwingende voorwaarde is voor de erkenning van het recht op aftrek van de btw, en die niet voorziet in een correctiemechanisme in de gevallen waarin de goederen en diensten aanvankelijk geen deel uitmaken van de omzet maar in een tijdvak na de aanschaf ervan voor het verrichten van belastbare handelingen worden gebruikt
Dictum
1)
Artikel 168, sub a, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet in die zin worden uitgelegd
—
dat een gehuurd motorvoertuig wordt geacht te zijn gebruikt voor de belaste handelingen van de belastingplichtige indien er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen het gebruik van het voertuig en de economische activiteit van de belastingplichtige, dat het recht op aftrek ontstaat bij het verstrijken van de periode waarop elk van deze betalingen betrekking heeft, en dat het bestaan van een dergelijk verband bij het verstrijken van die periode in aanmerking moet worden genomen;
—
dat een op grond van een leaseovereenkomst gehuurd motorvoertuig dat wordt gekwalificeerd als een investeringsgoed, wordt geacht te zijn gebruikt voor belaste handelingen indien het is verkregen door een als zodanig handelende belastingplichtige die het in zijn geheel bestemd voor zijn bedrijfsvermogen, waarbij de voorbelasting volledig en onmiddellijk aftrekbaar is en elk gebruik van dat goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wordt gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel.
2)
De artikelen 168 en 176 van richtlijn 2006/112 moeten in die zin worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling die voorziet in uitsluiting van het recht op aftrek voor goederen en diensten die zijn bestemd voor leveringen om niet of voor andere activiteiten dan de economische activiteit van de belastingplichtige, mits de als investeringsgoederen gekwalificeerde goederen niet zijn bestemd voor het bedrijfsvermogen.
(1) PB C 145 van 14.5.2011.
Full & Egal Universal Law Academy