29.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 295/11
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landesarbeitsgericht Berlin — Duitsland) — Ahmed Mahamdia/Democratische Volksrepubliek Algerije
(Zaak C-154/11) (1)
(Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken - Verordening (EG) nr. 44/2001 - Bevoegdheid voor individuele arbeidsovereenkomsten - Met ambassade van derde staat gesloten overeenkomst - Immuniteit van staat als werkgever - Begrip „agentschap, filiaal of andere vestiging” in zin van artikel 18, lid 2 - Verenigbaarheid met artikel 21 van beding waarbij gerechten van derde staat bevoegd worden verklaard)
2012/C 295/17
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landesarbeitsgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ahmed Mahamdia
Verwerende partij: Democratische Volksrepubliek Algerije
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Landesarbeitsgericht Berlin — Uitlegging van de artikelen 18, 19 en 21 van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1) — Vaststelling van de rechterlijke bevoegdheid om kennis te nemen van een geschil betreffende de geldigheid van het ontslag van verzoeker, staatsburger van een lidstaat en van een derde staat, die in de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit als chauffeur in dienst is geweest van de ambassade van de derde staat waarvan hij eveneens de nationaliteit bezit, op basis van een arbeidsovereenkomst die de gerechten van deze laatste staat bevoegd verklaart
Dictum
1)
Artikel 18, lid 2, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd dat een op het grondgebied van een lidstaat gevestigde ambassade van een derde staat in een geschil over een door die ambassade namens de zendstaat gesloten arbeidsovereenkomst een „vestiging” in de zin van die bepaling vormt wanneer de door de werknemer verrichte taken niet vallen onder de uitoefening van openbaar gezag. De aangezochte nationale rechter dient vast te stellen welke taken de werknemer precies heeft verricht.
2)
Artikel 21, punt 2, van verordening nr. 44/2001 moet aldus worden uitgelegd dat een vóór het ontstaan van een geschil overeengekomen jurisdictiebeding onder die bepaling valt voor zover het de werknemer de mogelijkheid biedt, naast de gerechten die normaal bevoegd zijn krachtens de bijzondere regels van de artikelen 18 en 19 van die verordening, andere gerechten aan te zoeken, daaronder begrepen, in voorkomend geval, buiten de Unie gelegen gerechten.
(1) PB C 173 van 11.6.2011.
Full & Egal Universal Law Academy