9.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/5
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 13 december 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Okręgowy we Wrocławiu — Polen) — Iwona Szyrocka/SiGer Technologie GmbH
(Zaak C-215/11) (1)
(Verordening (EG) nr. 1896/2006 - Europese betalingsbevelprocedure - Verzoek om betalingsbevel dat niet aan formele voorwaarden van nationale wettelijke regeling voldoet - Uitputtende aard van voorwaarden waaraan verzoek moet voldoen - Mogelijkheid lopende rente te vorderen tot aan dag van betaling hoofdsom)
2013/C 38/04
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Sąd Okręgowy we Wrocławiu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Iwona Szyrocka
Verwerende partij: SiGer Technologie GmbH
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Sąd Okręgowy we Wrocławiu — Uitlegging van de artikelen 4, 7, 8, 9 en 26 van verordening nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure (PB L 399, blz. 1) — Verzoek om een Europees betalingsbevel dat niet voldoet aan de formele voorwaarden van enerzijds de verordening en anderzijds de nationale wettelijke regeling — Recht dat op de procedure tot aanvulling of tot correctie van het verzoek van toepassing is — Mogelijkheid om rente over de schuldvordering te vorderen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van betaling
Dictum
1)
Artikel 7 van verordening (EG) nr. 1896/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot invoering van een Europese betalingsbevelprocedure moet aldus worden uitgelegd dat het de voorwaarden waaraan het verzoek om een Europees betalingsbevel moet voldoen, uitputtend regelt.
Uit hoofde van artikel 25 van deze verordening en mits aan de daarin gestelde voorwaarden wordt voldaan, is de nationale rechter vrij de hoogte van de gerechtskosten te bepalen aan de hand van de in het nationale recht neergelegde voorschriften, mits deze niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke situaties krachtens intern recht gelden en zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken.
2)
De artikelen 4 en 7, lid 2, sub c, van verordening nr. 1896/2006 moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de eiser in het kader van een verzoek om een Europees betalingsbevel rente vordert voor de periode van de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van betaling van de hoofdsom.
3)
Als de verweerder wordt gelast de eiser lopende rente tot aan de dag van betaling van de hoofdsom te betalen, staat het de nationale rechter vrij te bepalen hoe het formulier voor het Europees betalingsbevel in bijlage V bij verordening nr. 1896/2006 concreet wordt ingevuld, mits de verweerder, enerzijds, de beslissing dat hij lopende rente tot aan de dag van betaling van de hoofdsom moet betalen, met zekerheid uit het aldus ingevulde formulier kan opmaken, en, anderzijds, de rentevoet en de dag vanaf wanneer rente wordt gevorderd duidelijk kan identificeren.
(1) PB C 219 van 23.7.2011.
Full & Egal Universal Law Academy