22.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/14
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 5 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden) — DTZ Zadelhoff vof/Staatssecretaris van Financiën
(Zaak C-259/11) (1)
(Zesde btw-richtlijn - Artikelen 5, lid 3, sub c, en 13, B, sub d, punt 5 - Bemiddeling bij overdracht van aandelen in vennootschapen - Handeling die tevens overgang van eigendom van onroerende zaken van deze vennootschappen inhoudt - Vrijstelling)
2012/C 287/23
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: DTZ Zadelhoff vof
Verwerende partij: Staatssecretaris van Financiën
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 5, lid 3, sub c, en artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Bij de Zesde richtlijn voorziene vrijstellingen — Verrichtingen die betrekking hebben op de in artikel 13, B, sub d, punt 5, bedoelde titels — Overdracht van aandelen in vennootschappen die met zich brengt dat ook de eigendom van onroerend goed dat aan die vennootschappen toebehoort wordt overgedragen
Dictum
Artikel 13, B, sub d, punt 5, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, moet aldus worden uitgelegd dat onder deze btw-vrijstelling handelingen zoals die aan de orde in het hoofdgeding vallen, die erop zijn gericht en tot het resultaat hebben geleid dat de aandelen in de desbetreffende vennootschappen zijn overgedragen, maar die in wezen de door deze vennootschappen gehouden onroerende zaken en de (indirecte) overgang daarvan betreffen. De uitzondering op die vrijstelling in datzelfde punt 5, tweede gedachtestreepje, is niet van toepassing indien de lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 5, lid 3, sub c, van die richtlijn geboden mogelijkheid om de deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geeft op de eigendom of het genot van een onroerend goed als lichamelijke zaken aan te merken.
(1) PB C 252 van 27.8.2011.
Full & Egal Universal Law Academy