22.9.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 287/14
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 12 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — EMS-Bulgaria Transport OOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” Plovdiv
(Zaak C-284/11) (1)
(Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Recht op aftrek - Vervaltermijn voor uitoefening van recht op btw-aftrek - Doeltreffendheidsbeginsel - Weigering van recht op btw-aftrek - Beginsel van fiscale neutraliteit)
2012/C 287/24
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: EMS-Bulgaria Transport OOD
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” Plovdiv
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Varhoven administrativen sad — Uitlegging van de artikelen 179, 180 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) en van het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in het arrest van het Hof in de gevoegde zaken C-95/07 en C-96/07, Ecotrade e.a. — Recht op aftrek van voorbelasting — Nationale wettelijke regeling die de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting afhankelijk stelt van een vervaltermijn van drie belastingtijdvakken na het belastingtijdvak waarin het recht op aftrek is ontstaan — Weigering van het recht op btw-aftrek op grond dat niet is voldaan aan de verplichting tot vrijwillige registratie voor btw-doeleinden als intracommunautaire verwerver en het recht op aftrek niet binnen de termijnen is uitgeoefend
Dictum
1)
De artikelen 179, lid 1, 180 en 273 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen het bestaan van een vervaltermijn voor de uitoefening van het recht op aftrek als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, voor zover deze termijn de uitoefening van dit recht niet uiterst moeilijk of nagenoeg onmogelijk maakt. Het staat aan de nationale rechter om te beoordelen of dat het geval is, waarbij hij onder meer rekening kan houden met het feit dat de vervaltermijn nadien aanzienlijk is verlengd en met de duur van een procedure tot registratie voor de doeleinden van de belasting over de toegevoegde waarde, die binnen dezelfde termijn moet zijn afgerond opdat de belastingplichtige zijn recht op aftrek zou kunnen uitoefenen.
2)
Het beginsel van fiscale neutraliteit verzet zich tegen een sanctie die erin bestaat het recht op aftrek te weigeren in geval van te late betaling van de belasting over de toegevoegde waarde, maar staat niet in de weg aan betaling van vertragingsrente, op voorwaarde dat deze sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
(1) PB C 238 van 13.8.2011.
Full & Egal Universal Law Academy