12.1.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 9/17
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 8 november 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Hoge Raad der Nederlanden) — Staatssecretaris van Financiën/Gemeente Vlaardingen
(Zaak C-299/11) (1)
(Fiscale bepalingen - Btw - Belastbare handelingen - Voor bedrijfsdoeleinden bestemmen van „in het kader van bedrijf” verkregen goederen - Gelijkstelling met levering onder bezwarende titel - Terreinen in eigendom van belastingplichtige en bewerkt door derde)
2013/C 9/26
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Staatssecretaris van Financiën
Verwerende partij: Gemeente Vlaardingen
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hoge Raad der Nederlanden — Uitlegging van artikel 5, leden 5 en 7, sub a, en artikel 11, A, lid 1, sub b, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1) — Belastbare handelingen — Bestemming van een goed voor bedrijfsdoeleinden — Voor vrijgestelde activiteiten van het bedrijf bestemmen van een aan dat bedrijf toebehorend terrein dat voor zijn rekening door een derde tegen vergoeding is bewerkt
Dictum
Artikel 5, lid 7, sub a, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 95/7/EG van de Raad van 10 april 1995, gelezen in samenhang met artikel 11, A, lid 1, sub b, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat het door een belastingplichtige voor een van belasting over de toegevoegde waarde vrijgestelde economische activiteit bestemmen van velden in zijn eigendom die hij door een derde heeft laten bewerken, onderworpen kan worden aan een heffing van belasting over de toegevoegde waarde met als maatstaf van heffing de som van de waarde van de grond waarop deze velden liggen en de kosten van de bewerking ervan, voor zover die belastingplichtige over die waarde en kosten nog geen belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald en mits de betrokken terreinen niet onder de in artikel 13, B, sub h, van deze richtlijn bedoelde vrijstelling vallen.
(1) PB C 269 van 10.09.2011.
Full & Egal Universal Law Academy