27.10.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/9
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 6 september 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Frankfurt am Main — Duitsland) — Chemische Fabrik Kreussler & Co. GmbH/Sunstar Deutschland GmbH, voorheen John O. Butler GmbH
(Zaak C-308/11) (1)
(Richtlijn 2001/83/EG - Geneesmiddelen voor menselijk gebruik - Artikel 1, punt 2, sub b - Begrip „geneesmiddel naar werking” - Omschrijving van begrip „farmacologisch effect”)
2012/C 331/13
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Frankfurt am Main
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Chemische Fabrik Kreussler & Co. GmbH
Verwerende partij: Sunstar Deutschland GmbH, voorheen John O. Butler GmbH
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Oberlandesgericht Frankfurt am Main — Uitlegging van artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311, blz. 67), zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 (PB L 136, blz. 34) — Kwalificatie van een product als geneesmiddel — Mondspoelmiddel dat 0,12 % chloorhexidine bevat — Begrip „farmacologisch effect”
Dictum
1)
Artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, moet aldus worden uitgelegd dat voor de omschrijving van het begrip „farmacologisch effect” in de zin van deze bepaling, rekening kan worden gehouden met de omschrijving van dit begrip in de door de diensten van de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gezamenlijk uitgewerkte toelichting inzake de afbakening tussen richtlijn 76/768 inzake cosmetische producten en richtlijn 2001/83 inzake geneesmiddelen.
2)
Artikel 1, punt 2, sub b, van richtlijn 2001/83, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/27, moet aldus worden uitgelegd dat, om te kunnen stellen dat een stof een „farmacologisch effect” teweegbrengt in de zin van deze bepaling, een interactie tussen de moleculen waaruit zij bestaat en een cellulair bestanddeel van het lichaam van de gebruiker niet noodzakelijk is, aangezien een interactie tussen deze stof en enig in het lichaam van de gebruiker aanwezig cellulair bestanddeel kan volstaan.
(1) PB C 282 van 24.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy