27.10.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 331/9
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 6 september 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door Legfelsőbb Bíróság — Hongarije) — Gábor Tóth/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-magyarországi Regionális Adó Főigazgatósága
(Zaak C-324/11) (1)
(Fiscale bepalingen - Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 9 - Begrip „belastingplichtige” - Recht op aftrek - Weigering - Beginsel van fiscale neutraliteit - Opsteller van factuur die in register van eenmansondernemers is geschrapt - Opsteller van factuur die verplichting tot aanmelding van zijn werknemers bij belastingdienst niet nakomt - Verplichting voor belastingplichtige om zich te vergewissen van rechtmatig gedrag van opsteller van factuur jegens belastingdienst)
2012/C 331/14
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Legfelsőbb Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Gábor Tóth
Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Észak-magyarországi Regionális Adó Főigazgatósága
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Magyar Köztársaság Legfelsöbb Bírósága — Uitlegging van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Voorwaarden voor de uitoefening van het recht op aftrek van voorbelasting in de praktijk van de nationale belastingdienst — Verplichting van de belastingplichtige om zich te vergewissen van de hoedanigheid van belastingplichtige van de opsteller van de factuur alsmede van de regelmatigheid van de rechtsbetrekking en de fiscale situatie van de door laatstgenoemde in dienst genomen personen om de gefactureerde werkzaamheden te verrichten
Dictum
1)
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en het beginsel van fiscale neutraliteit moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat de belastingdienst een belastingplichtige het recht weigert op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die voldaan of verschuldigd is over voor hem verrichte diensten, enkel op grond dat de vergunning van eenmansondernemer van de opsteller van de factuur is ingetrokken alvorens hij de betrokken diensten heeft verricht of de daarmee overeenstemmende factuur heeft uitgereikt, wanneer deze factuur alle door artikel 226 van deze richtlijn vereiste gegevens bevat, inzonderheid die welke noodzakelijk zijn voor de identificatie van de opsteller van deze factuur en van de aard van de verrichte diensten.
2)
Richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzet dat de belastingdienst een belastingplichtige het recht weigert op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde die voldaan of verschuldigd is over voor hem verrichte diensten op grond dat de opsteller van de factuur voor deze diensten de door hem tewerkgestelde werknemers niet heeft aangemeld, zonder dat deze belastingdienst op basis van objectieve gegevens aantoont dat deze belastingplichtige wist of behoorde te weten dat de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling deel uitmaakte van fraude door deze opsteller of een andere marktdeelnemer die in een eerder stadium van de toeleveringsketen actief was.
3)
Richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat de omstandigheid dat de belastingplichtige niet heeft nagegaan of tussen de op de bouwplaats tewerkgestelde werknemers en de opsteller van de factuur een rechtsverhouding bestond en of deze opsteller deze werknemers had aangemeld, geen objectieve omstandigheid vormt die de conclusie wettigt dat de geadresseerde van de factuur wist of behoorde te weten dat hij betrokken was bij fraude ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde, wanneer deze geadresseerde niet beschikte over aanwijzingen die het vermoeden staven dat deze opsteller onregelmatigheden begaat of fraude pleegt. Bijgevolg kan het recht op aftrek niet om die reden worden geweigerd, terwijl is voldaan aan de in deze richtlijn gestelde materiële en formele voorwaarden voor uitoefening van dat recht.
4)
Wanneer de belastingdienst concrete aanwijzingen betreffende het bestaan van fraude verstrekt, verzetten richtlijn 2006/112 en het beginsel van fiscale neutraliteit zich niet ertegen dat de nationale rechter op basis van een algemeen onderzoek van alle omstandigheden van het concrete geval nagaat of de opsteller van de factuur wel degelijk zelf de betrokken handeling heeft verricht. In een situatie als die in het hoofdgeding kan het recht op aftrek evenwel slechts worden geweigerd wanneer de belastingdienst aan de hand van objectieve gegevens heeft aangetoond dat de geadresseerde van de factuur wist of behoorde te weten dat de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling deel uitmaakte van fraude door deze opsteller of een andere marktdeelnemer die in een eerder stadium van de toeleveringsketen actief was.
(1) PB C 282 van 24.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy