20.4.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 114/11
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 21 februari 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie — België) — ProRail NV/Xpedys NV, DB Schenker Rail Nederland NV, Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen NV, FAG Kugelfischer GmbH
(Zaak C-332/11) (1)
(Verordening (EG) nr. 1206/2001 - Samenwerking op gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken - Rechtstreekse uitvoering van handeling tot verkrijgen van bewijs - Aanwijzing van deskundige - Opdracht die gedeeltelijk op grondgebied van lidstaat van verwijzende rechter en gedeeltelijk op grondgebied van andere lidstaat wordt uitgevoerd)
2013/C 114/15
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ProRail NV
Verwerende partijen: Xpedys NV, DB Schenker Rail Nederland NV, Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen NV, FAG Kugelfischer GmbH
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Cassatie van België — Uitlegging van de artikelen 1 en 17 van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (PB L 174, blz. 1) en van artikel 33, lid 1, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken („Brussel I”) (PB 2001, L 12, blz. 1) — Rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht — Aanwijzing van een deskundige die door de rechter van een lidstaat een opdracht krijgt toegekend die deels in de lidstaat waartoe de rechter behoort en deels in een andere lidstaat dient te worden uitgevoerd — Al dan niet verplichte toepassing van de in artikel 17 van verordening nr. 1206/2001 neergelegde methode
Dictum
De artikelen 1, lid 1, sub b, en 17 van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, moeten aldus worden uitgelegd dat het gerecht van een lidstaat dat verlangt dat de handeling tot het verkrijgen van bewijs waarmee een deskundige is belast, wordt verricht op het grondgebied van een andere lidstaat, niet noodzakelijkerwijs gehouden is de in die bepalingen neergelegde methode voor bewijsverkrijging toe te passen om die handeling te mogen gelasten.
(1) PB C 269 van 10.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy