26.1.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 26/11
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 6 december 2012 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — O., S./Maahanmuuttovirasto (C-356/11), en Maahanmuuttovirasto/L. (C-357/11)
(Gevoegde zaken C-356/11 en C-357/11) (1)
(Burgerschap van Unie - Artikel 20 VWEU - Richtlijn 2003/86/EG - Recht op gezinshereniging - Jonge kinderen, burgers van Unie, die met hun moeders, onderdanen van derde landen, wonen op grondgebied van lidstaat waarvan deze kinderen nationaliteit hebben - Permanent verblijfsrecht in deze lidstaat van moeders aan wie uitsluitend gezag over burgers van Unie is toegekend - Samengestelde gezinnen na nieuw huwelijk van moeders met onderdanen van derde landen en geboorte van kinderen, eveneens onderdanen van derde landen, uit deze huwelijken - Verzoeken om gezinshereniging in lidstaat van herkomst van burgers van Unie - Weigering van verblijfsrecht aan nieuwe echtgenoten wegens onvoldoende middelen van bestaan - Recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven - Inaanmerkingneming belang kinderen)
2013/C 26/19
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: O., S. (C-356/11), Maahanmuuttovirasto (C-357/11)
Verwerende partijen: Maahanmuuttovirasto (C-356/11), L. (C-357/11)
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Korkein hallinto-oikeus — Uitlegging van artikel 20 VWEU — Recht om vrij te reizen en te verblijven op het grondgebied van de lidstaten — Recht op gezinshereniging — Verblijfsvergunning in een lidstaat voor een onderdaan van een derde staat die zonder permanente verblijfsvergunning in de lidstaat woont, in een situatie waarin de echtgenote van de betrokkene, die de nationaliteit van een derde staat heeft, legaal in deze lidstaat verblijft en een kind heeft dat de nationaliteit van die lidstaat heeft, en de betrokkene niet de vader van het kind is en daarvoor evenmin de ouderlijke verantwoordelijkheid heeft — Situatie waarin de echtgenoten ook een gemeenschappelijk kind hebben dat de nationaliteit van een derde staat heeft en dat met hen en met het kind van de echtgenote in de betrokken lidstaat woont
Dictum
Artikel 20 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het er niet aan in de weg staat dat een lidstaat een onderdaan van een derde land een uit hoofde van gezinshereniging aangevraagde verblijfstitel weigert, ofschoon deze onderdaan wenst te wonen bij zijn echtgenote, die eveneens onderdaan is van een derde land, rechtmatig in deze lidstaat verblijft en moeder is van een uit een eerste huwelijk geboren kind dat burger van de Unie is, en bij het kind dat uit hun eigen huwelijk is geboren en dat eveneens onderdaan van een derde land is, voor zover die weigering er niet toe leidt dat de betrokken burger van de Unie het effectieve genot van de voornaamste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten wordt ontzegd. Het is aan de verwijzende rechter, te onderzoeken of dit laatste het geval is.
Verzoeken om verblijfstitels uit hoofde van gezinshereniging zoals aan de orde in de hoofdgedingen vallen onder richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging. Artikel 7, lid 1, sub c, van deze laatste moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten weliswaar het bewijs kunnen verlangen dat de gezinshereniger over stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten beschikt om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, maar deze bevoegdheid moet worden uitgeoefend tegen de achtergrond van de artikelen 7 en 24, leden 2 en 3, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, op grond waarvan de lidstaten de betrokken verzoeken om gezinshereniging moeten onderzoeken in het belang van de betrokken kinderen en teneinde het gezinsleven te begunstigen en daarbij moeten vermijden dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van deze richtlijn en aan het nuttig effect ervan. Het is aan de verwijzende rechter om na te gaan of deze vereisten bij de in de in de hoofdgedingen aan de orde zijnde weigeringen van verblijfstitels in acht zijn genomen.
(1) PB C 269 van 10.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy