16.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 46/8
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 19 december 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Fővárosi Bíróság — Hongarije) — Mostafa Abed El Karem El Kott, Chadi Amin A Radi, Hazem Kamel Ismail/Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal
(Zaak C-364/11) (1)
(Richtlijn 2004/83/EG - Minimumnormen voor toekenning van vluchtelingenstatus of subsidiaire-beschermingsstatus - Staatlozen van Palestijnse afkomst die daadwerkelijk bijstand van United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) hebben ingeroepen - Recht van die staatlozen op toekenning van vluchtelingenstatus krachtens artikel 12, lid 1, sub a, tweede volzin, van richtlijn 2004/83 - Toepassingsvoorwaarden - Ophouden van die bijstand van UNRWA „om welke reden ook” - Bewijs - Gevolgen voor betrokkenen die om toekenning van vluchtelingenstatus verzoeken - Recht „op grond van dit feit op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn” - Automatische erkenning als „vluchteling” in zin van artikel 2, sub c, van die richtlijn en toekenning van vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 13 ervan)
2013/C 46/14
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Fővárosi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Mostafa Abed El Karem El Kott, Chadi Amin A Radi, Hazem Kamel Ismail
Verwerende partij: Bevándorlási és Állampolgársági Hivatal
In tegenwoordigheid van: ENSZ Menekültügyi Főbiztossága
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Fovárosi Bíróság — Uitlegging van artikel 12, lid 1, sub a, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB L 304, blz. 12) — Staatloze van Palestijnse afkomst die de bescherming van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (UNRWA) heeft ingeroepen — Recht van deze staatloze om zich bij het wegvallen van de door deze instelling verleende bescherming op grond van dit feit te beroepen op de voorzieningen uit hoofde van richtlijn 2004/83/EG — Omstandigheden waarin de bescherming kan worden geacht te zijn beëindigd — Begrip „recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn”
Dictum
1)
Artikel 12, lid 1, sub a, tweede volzin, van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat het ophouden van de bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (HCV) „om welke reden ook”, eveneens de situatie omvat van een persoon die, na daadwerkelijk die bescherming of bijstand te hebben ingeroepen, deze niet langer geniet om een reden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil. De bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die persoon, moeten op basis van een individuele beoordeling van het verzoek nagaan of die persoon gedwongen werd het gebied te verlaten waarin dat orgaan of die instelling werkzaam is. Dit is het geval wanneer hij zich persoonlijk in een situatie van ernstige onveiligheid bevond en het voor het betrokken orgaan of de betrokken instelling onmogelijk was hem in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee dat orgaan of die instelling is belast.
2)
Artikel 12, lid 1, sub a, tweede volzin, van richtlijn 2004/83, moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek, hebben vastgesteld dat is voldaan aan de voorwaarde inzake het ophouden van de bescherming of de bijstand van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees (UNRWA) wat de verzoeker betreft, de omstandigheid dat hij op grond van dit feit „recht [heeft] op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn” de erkenning door die lidstaat als vluchteling inhoudt in de zin van artikel 2, sub c, van die richtlijn en de toekenning van rechtswege van de vluchtelingenstatus aan die verzoeker, voor zover hij evenwel niet binnen de werkingssfeer van de leden 1, sub b, of 2 en 3 van bedoeld artikel 12 valt.
(1) PB C 347 van 26.11.2011.
Full & Egal Universal Law Academy