24.11.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 366/15
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 27 september 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Verenigd Koninkrijk) — Field Fisher Waterhouse LLP/Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
(Zaak C-392/11) (1)
(Btw - Vrijstelling van verhuur van onroerend goed - Verhuur van commerciële ruimten - Aan deze verhuur verbonden diensten - Kwalificatie van handeling voor btw-doeleinden - Uit één enkele prestatie dan wel uit meerdere zelfstandige prestaties bestaande handeling)
2012/C 366/24
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
First-tier Tribunal (Tax Chamber)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Field Fisher Waterhouse LLP
Verwerende partij: Commissioners for Her Majesty’s Revenue and Customs
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — First-tier Tribunal (Tax Chamber) — Uitlegging van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Vrijstellingen voor andere activiteiten — Omvang van de btw-vrijstelling voor de verhuur van onroerend goed — Opneming van de lasten voor bepaalde diensten van exploitatie en onderhoud van het gebouw en de gemeenschappelijke ruimten vallen — Kwalificatie van de handeling, voor btw-doeleinden, als één enkele handeling of als zelfstandige handelingen — Uitlegging van het arrest Hof van 11 juni 2009 in zaak C-572/07, RLRE Tellmer Property
Dictum
Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde dient aldus te worden uitgelegd dat een verhuur van onroerende goederen en de aan deze verhuur verbonden diensten als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, uit het oogpunt van de belasting over de toegevoegde waarde één dienst kunnen vormen. Dienaangaande vormt de mogelijkheid voor de verhuurder in de huurovereenkomst om deze te beëindigen ingeval de huurder de huurlasten niet betaalt, een aanwijzing die ervoor pleit dat sprake is van één dienst, hoewel deze mogelijkheid niet noodzakelijk van doorslaggevend belang is voor de beoordeling of sprake is van een dergelijke dienst. Daarentegen kan op basis van het feit dat een derde in beginsel diensten als die in het hoofdgeding kan verrichten, niet worden geconcludeerd dat deze diensten in de omstandigheden van het hoofdgeding niet één dienst kunnen vormen. Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen of de betrokken handelingen, tegen de achtergrond van de door het Hof in het onderhavige arrest verstrekte uitleggingsgegevens en gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak, dermate onderling verbonden zijn dat zij als één dienst van verhuur van onroerende goederen moeten worden beschouwd.
(1) PB C 282 van 24.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy