7.9.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 260/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 juli 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court of the United Kingdom — Verenigd Koninkrijk) — Mark Alemo-Herron e.a./Parkwood Leisure Ltd
(Zaak C-426/11) (1)
(Overgang van ondernemingen - Richtlijn 2001/23/EG - Behoud van rechten van werknemers - Collectieve overeenkomst die op tijdstip van overgang van toepassing is op vervreemder en werknemer)
2013/C 260/10
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court of the United Kingdom
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Mark Alemo-Herron, Sandra Tipping, Christopher Anderson, Stacey Aris, Audrey Beckford, Lee Bennett, Delroy Carby, Vishnu Chetty, Deborah Cimitan, Victoria Clifton, Claudette Cummings, David Curtis, Stephen Flin, Patience Ijelekhai, Rosemarie Lee, Roxanne Lee, Vivian Ling, Michelle Nicholas, Lansdail Nugent, Anne O'Connor, Shirley Page, Alan Peel, Mathew Pennington en Laura Steward
Verwerende partij: Parkwood Leisure Ltd
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Supreme Court of the United Kingdom — Uitlegging van artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82, blz. 16) in het licht van het arrest van het Hof van 12 maart 2001 in de zaak Werhof (C-499/04) — Omvang van de verplichtingen van de verkrijger op het gebied van het behoud van loonvoorwaarden die zijn vastgesteld bij een collectieve overeenkomst die ten tijde van de overgang van toepassing is op de vervreemder en de werknemer
Dictum
Artikel 3 van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen van een lidstaat op grond waarvan, bij overgang van een onderneming, de verkrijger gebonden is aan dynamische clausules die verwijzen naar collectieve overeenkomsten waarover wordt onderhandeld en die worden vastgesteld na de datum van overgang, wanneer die verkrijger niet de mogelijkheid heeft om deel te nemen aan de onderhandelingen over dergelijke na de overgang gesloten collectieve overeenkomsten.
(1) PB C 311 van 22 oktober 2011.
Full & Egal Universal Law Academy