3.8.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 225/12
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 30 mei 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad — Bulgarije) — Zuheyr Frayeh Halaf/Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerskia savet
(Zaak C-528/11) (1)
(Asiel - Verordening (EG) nr. 343/2003 - Bepaling welke lidstaat verantwoordelijk is voor behandeling van door derdelander bij een van de lidstaten ingediend asielverzoek - Artikel 3, lid 2 - Beoordelingsruimte van lidstaten - Rol van Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor Vluchtelingen - Verplichting voor lidstaten om deze instantie om zienswijze te verzoeken - Geen)
2013/C 225/19
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Sofia-grad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Zuheyr Frayeh Halaf
Verwerende partij: Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerskia savet
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Sofia-grad — Uitlegging van artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 50, blz. 1) — Asielverzoek dat reeds in een andere lidstaat is ingediend — Verplichting voor de aangezochte lidstaat om de verantwoordelijkheid voor de behandeling van een asielverzoek op zich te nemen op grond van de soevereiniteitsclausule in artikel 3, lid 2, van genoemde verordening, ingeval de regelgeving en de praktijken op het gebied van asiel in de verantwoordelijke lidstaat niet in overeenstemming zijn met de internationale mensenrechtennormen en met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie — Wetgeving van de aangezochte lidstaat die noch criteria, noch procedureregels voor de toepassing van de soevereiniteitsclausule bevat — Toelaatbaar bewijs dat inzake asiel niet in overeenstemming met het recht van de Unie is gehandeld wanneer de niet-nakoming, bestaande uit deze schendingen door de voor het asiel verantwoordelijke lidstaat, niet door het Hof van Justitie in een arrest is vastgesteld
Dictum
1)
Artikel 3, lid 2, van verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, moet aldus worden uitgelegd dat een lidstaat die volgens de criteria van hoofdstuk III van deze verordening niet verantwoordelijk is, op grond van deze bepaling een asielverzoek kan behandelen, ook al zijn er geen omstandigheden die de toepassing van de humanitaire clausule van artikel 15 van deze verordening rechtvaardigen. Hiervoor is niet vereist dat de krachtens deze criteria verantwoordelijke lidstaat niet heeft geantwoord op een verzoek tot terugname van de betrokken asielzoeker.
2)
De lidstaat waarin de asielzoeker zich bevindt, hoeft in de procedure om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen niet te verzoeken zijn zienswijze te geven wanneer uit documenten van deze instantie blijkt dat de volgens de criteria van hoofdstuk III van verordening nr. 343/2003 verantwoordelijke lidstaat de Unierechtelijke asielvoorschriften schendt.
(1) PB C 370 van 17.12.2011.
Full & Egal Universal Law Academy