3.8.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 225/13
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 30 mei 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Nejvyšší správní soud — Tsjechische Republiek) — Mehmet Arslan/Policie ČR, Krajské ředitelství policie Ústeckého kraje, odbor cizinecké policie
(Zaak C-534/11) (1)
(Ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid - Richtlijn 2008/115/EG - Gemeenschappelijke normen en procedures inzake terugkeer van illegaal verblijvende derdelanders - Toepasbaarheid op asielzoekers - Mogelijkheid om derdelander in bewaring te houden na indiening van asielverzoek)
2013/C 225/21
Procestaal: Tsjechisch
Verwijzende rechter
Nejvyšší správní soud
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Mehmet Arslan
Verwerende partij: Policie ČR, Krajské ředitelství policie Ústeckého kraje, odbor cizinecké policie
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Nejvyšší správní soud (Tsjechische Republiek) — Uitlegging van artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in samenhang met punt 9 van de considerans van deze richtlijn (PB L 348, blz. 98) — Werkingssfeer — Bewaring van een illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende derdelander, met het oog op zijn verwijdering, wanneer deze een asielverzoek heeft ingediend in de zin van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB L 326, blz. 13)
Dictum
1)
Artikel 2, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven, gelezen in samenhang met punt 9 van de considerans ervan, moet aldus worden uitgelegd dat die richtlijn niet van toepassing is op derdelanders die om internationale bescherming hebben verzocht in de zin van richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus, in het tijdvak tussen de indiening van dat verzoek en de vaststelling van de beslissing in eerste aanleg over dat verzoek of, in voorkomend geval, de beslechting van het eventuele beroep tegen die beslissing.
2)
Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten en richtlijn 2005/85 verzetten zich er niet tegen dat de derdelander die om internationale bescherming heeft verzocht in de zin van richtlijn 2005/85, na krachtens artikel 15 van richtlijn 2008/115 in bewaring te zijn gesteld, op grond van een bepaling van nationaal recht in bewaring blijft, wanneer na een beoordeling in het individuele geval van alle relevante omstandigheden blijkt dat dit verzoek is ingediend met als enig doel de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen en dat het objectief noodzakelijk en evenredig is om de bewaringsmaatregel te handhaven ter vermijding dat de betrokkene zich definitief aan zijn terugkeer onttrekt.
(1) PB C 65 van 3.3.2012.
Full & Egal Universal Law Academy