16.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 46/10
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 19 december 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — grad Burgas pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite/Orfey Balgaria EOOD
(Zaak C-549/11) (1)
(Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 63, 65, 73 en 80 - Vestiging van opstalrecht door natuurlijke personen ten gunste van onderneming in ruil voor door deze onderneming aan die natuurlijke personen verstrekte bouwdiensten - Ruilovereenkomst - Btw over bouwdiensten - Belastbaar feit - Verschuldigd worden - Vervroegde betaling van volledige tegenprestatie - Vooruitbetaling - Maatstaf van heffing van handeling indien tegenprestatie uit goederen of diensten bestaat - Rechtstreekse werking)
2013/C 46/18
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — grad Burgas pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
Verwerende partij: Orfey Balgaria EOOD
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Varhoven administrativen sad — Uitlegging van de artikelen 63, 65, 73 en 80 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Tijdstip waarop het belastbare feit zich vanuit het oogpunt van de btw voor bouwdiensten voordoet — Vestiging van een opstalrecht door natuurlijke personen ten gunste van een onderneming in ruil voor door deze onderneming aan die natuurlijke personen verstrekte bouwdiensten — Vooruitbetaling — Nationale wettelijke regeling die erin voorziet dat wanneer de tegenprestatie van een handeling in een levering van goederen of diensten bestaat, de normale waarde van het geleverde goed of van de verrichte dienst als maatstaf van heffing voor die handeling wordt gehanteerd
Dictum
1)
De artikelen 63 en 65 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich in omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin met het oog op de oprichting van een gebouw een opstalrecht wordt toegekend aan een onderneming die in ruil voor dat recht bepaalde eenheden optrekt in dat gebouw en zich ertoe verbindt om die eenheden sleutelklaar op te leveren aan degenen die het opstalrecht hebben verleend, niet ertegen verzetten dat de belasting over de toegevoegde waarde over die bouwdiensten verschuldigd wordt vanaf het tijdstip waarop het opstalrecht wordt gevestigd, met andere woorden vóór die diensten worden verricht, indien op dat tijdstip alle relevante bestanddelen van deze toekomstige dienstverrichting reeds bekend zijn en dus in het bijzonder de diensten in kwestie nauwkeurig zijn omschreven, en de waarde van dat recht kan worden uitgedrukt in geld, hetgeen de verwijzende rechter moet nagaan.
2)
In omstandigheden als die van het hoofdgeding, waarin de handeling niet plaatsvindt tussen personen met onderlinge banden in de zin van artikel 80 van richtlijn 2006/112, wat evenwel door de verwijzende rechter moet worden nagegaan, moeten de artikelen 73 en 80 van die richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, op grond waarvan de maatstaf van heffing van een handeling de normale waarde van de geleverde goederen of de verrichte diensten is wanneer de tegenprestatie voor die handeling volledig uit goederen of diensten bestaat.
3)
De artikelen 63, 65 en 73 van richtlijn 2006/112 hebben rechtstreekse werking.
(1) PB C 13 van 14.1.2012.
Full & Egal Universal Law Academy