23.3.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 86/6
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 31 januari 2013 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Administrativen sad Varna — Bulgarije) — LVK — 56 EOOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
(Zaak C-643/11) (1)
(Fiscale bepalingen - Btw - Richtlijn 2006/112/EG - Beginsel van fiscale neutraliteit - Recht op aftrek - Weigering - Artikel 203 - Vermelding van btw op factuur - Verschuldigd worden - Bestaan van belastbare handeling - Zelfde beoordeling voor opsteller van factuur en ontvanger ervan - Noodzaak)
2013/C 86/09
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Varna
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: LVK — 56 EOOD
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — Varna pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad — Varna — Uitlegging van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Recht op aftrek van voorbelasting — Bewijzen voor het bestaan van het belastbaar feit — Praktijk van de belastingdienst om de ontvanger van een levering van goederen het recht op btw-aftrek te ontzeggen op grond dat stukken ontbreken waaruit blijkt dat de levering daadwerkelijk is verricht, niettegenstaande hij vaststelt dat de leverancier de belasting verschuldigd is
Dictum
1)
Artikel 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat:
—
een persoon de belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is die hij op een factuur heeft vermeld, ongeacht of werkelijk een belastbare handeling is verricht;
—
uit het enkele feit dat de belastingdienst de door de opsteller van deze factuur aangegeven belasting over de toegevoegde waarde niet heeft herzien in een aan hem gerichte wijzigingsaanslag, niet kan worden afgeleid dat de belastingdienst heeft erkend dat die factuur met een werkelijke belastbare handeling overeenstemt.
2)
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat de artikelen 167 en 168, sub a, van richtlijn 2006/112, het beginsel van fiscale neutraliteit, het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling niet eraan in de weg staan dat de ontvanger van een factuur het recht op aftrek van voorbelasting wordt ontzegd op grond dat niet daadwerkelijk een belastbare handeling is verricht, ook al is de door de opsteller van deze factuur aangegeven belasting over de toegevoegde waarde niet herzien in de aan hem gerichte wijzigingsaanslag. Indien de als grondslag voor het recht op aftrek aangevoerde handeling evenwel wordt geacht niet daadwerkelijk te zijn verricht omdat de opsteller van de factuur fraude heeft gepleegd of onregelmatigheden heeft begaan, of omdat in een stadium dat aan deze handeling voorafgaat fraude is gepleegd of onregelmatigheden zijn begaan, moet aan de hand van objectieve gegevens en zonder dat van de ontvanger van de factuur wordt geëist dat hij controles verricht waartoe hij niet verplicht is, worden vastgesteld dat deze ontvanger wist of had moeten weten dat deze handeling deel uitmaakte van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde. Het staat aan de verwijzende rechter om dit na te gaan.
(1) PB C 80 van 17.3.2012.
Full & Egal Universal Law Academy