9.11.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 325/5
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 12 september 2013 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per la Toscana — Italië) — Daniele Biasci e.a./Ministero dell'Interno, Questura di Livorno
(Gevoegde zaken C-660/11 en C-8/12) (1)
(Vrijheid van vestiging - Vrij verrichten van diensten - Artikelen 43 EG en 49 EG - Kansspelen - Inzamelen van weddenschappen - Vergunningvoorwaarden - Vereiste van politievergunning en concessie - Nationale regeling - Verplichte minimumafstanden tussen inzamelpunten van weddenschappen - Grensoverschrijdende activiteiten vergelijkbaar met activiteiten waarvoor concessie wordt verleend - Verbod - Wederzijdse erkenning van vergunningen inzake kansspelen)
2013/C 325/07
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale Amministrativo Regionale per la Toscana
Partijen in het hoofdgeding
(Zaak C-660/11)
Verzoekende partijen: Daniele Biasci, Alessandro Pasquini, Andrea Milianti, Gabriele Maggini, Elena Secenti, Gabriele Livi
Verwerende partijen: Ministero dell'Interno, Questura di Livorno
In tegenwoordigheid van: SNAI — Sindacato Nazionale Agenzie Ippiche SpA
(Zaak C-8/12)
Verzoekende partijen: Cristian Rainone, Orentino Viviani, Miriam Befani
Verwerende partijen: Ministero dell'Interno, Questura di Prato, Questura di Firenze
In tegenwoordigheid van: SNAI — Sindacato Nazionale Agenzie Ippiche SpA, Stanley International Betting Ltd, Stanleybet Malta ltd.
Voorwerp
Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Tribunale Amministrativo Regionale per la Toscana — Vrij verkeer van personen — Vrijheid van dienstverrichting — Activiteit van inzamelen van weddenschappen — Nationale wettelijke regeling die de uitoefening van deze activiteit afhankelijk stelt van het verkrijgen van een door de nationale autoriteiten afgegeven vergunning van openbare veiligheid — Geen erkenning van door buitenlandse bestuursinstanties afgegeven vergunningen — Verenigbaarheid met de artikelen 43 EG en 49 EG (thans artikelen 49 VWEU en 56 VWEU)
Dictum
1.
De artikelen 43 EG en 49 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan ondernemingen die activiteiten inzake kansspelen wensen uit te oefenen, behalve over een door de staat verleende concessie voor de uitoefening van dergelijke activiteiten dienen te beschikken over een politievergunning, en op grond waarvan een dergelijke vergunning met name enkel wordt verleend aan aanvragers die reeds over een dergelijke concessie beschikken.
2.
De artikelen 43 EG en 49 EG, het beginsel van gelijke behandeling en het doeltreffendheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat die in strijd met het Unierecht een categorie van exploitanten heeft uitgesloten van de verlening van concessies om een economische activiteit uit te oefenen en die probeert die schending te verhelpen door een aanzienlijk aantal nieuwe concessies aan te besteden, de door de bestaande exploitanten verworven handelsposities beschermt, met name door minimumafstanden vast te stellen tussen de vestigingen van nieuwe concessiehouders en die van bestaande exploitanten.
Uit de artikelen 43 EG en 49 EG, het beginsel van gelijke behandeling, de transparantieverplichting en het rechtszekerheidsbeginsel volgt dat de voorwaarden en modaliteiten van een aanbesteding zoals in de hoofdgedingen, en in het bijzonder de bepalingen die voorzien in het verval van op grond van een dergelijke aanbesteding verleende concessies, zoals artikel 23, lid 3, van de modelovereenkomst tussen de Amministrazione autonoma dei monopoli di Stato en de begunstigde van de concessie voor kansspelen betreffende andere evenementen dan paardenrennen, duidelijk, nauwkeurig en ondubbelzinnig moeten zijn geformuleerd; het staat aan de verwijzende rechter dit na te gaan.
De artikelen 43 EG en 49 EG moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling die feitelijk elke grensoverschrijdende activiteit in de kansspelsector verhindert, ongeacht de vorm waarin deze activiteit wordt uitgeoefend, en in het bijzonder in de gevallen waarin een direct contact tussen de consument en de exploitant plaatsvindt en fysiek politietoezicht op de vertegenwoordigers van de onderneming die op het nationale grondgebied aanwezig zijn, mogelijk is. Het staat aan de verwijzende rechter om na te gaan of dat het geval is voor artikel 23, lid 3, van die modelovereenkomst.
3.
De artikelen 43 EG en 49 EG moeten aldus worden uitgelegd dat in de huidige stand van het Unierecht de omstandigheid dat een exploitant in zijn lidstaat van vestiging beschikt over een vergunning om kansspelen aan te bieden niet belet dat een andere lidstaat met inachtneming van de vereisten van het Unierecht de mogelijkheid voor deze exploitant om consumenten op zijn grondgebied dergelijke diensten aan te bieden afhankelijk stelt van het bezit van een door zijn eigen autoriteiten verleende vergunning.
(1) PB C 73 van 10.3.2012.
Full & Egal Universal Law Academy