9.2.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 38/9
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 13 december 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État — Frankrijk) — Etablissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer)/Société Vinifrance SA
(Zaak C-670/11) (1)
(Bescherming van financiële belangen van Unie - Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 - Artikelen 4 en 5 - Administratieve sanctie - Administratieve maatregel - Verordening (EEG) nr. 822/87 - Steun voor particuliere opslag van geconcentreerde druivenmost - Communautaire oorsprong - Verordening (EEG) nr. 1059/83 - Langlopende opslagovereenkomst - Artikel 2, lid 2 - Artikel 17, lid 1, sub b - Vermindering van steun naargelang van ernst van inbreuk)
2013/C 38/10
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Etablissement national des produits de l’agriculture et de la mer (FranceAgriMer)
Verwerende partij: Société Vinifrance SA
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Conseil d’État — Uitlegging van de artikelen 2, lid 2, en 17 van verordening (EEG) nr. 1059/83 van de Commissie van 29 april 1983 betreffende de opslagcontracten voor tafelwijn, druivenmost, geconcentreerde druivenmost en gerectificeerde geconcentreerde druivenmost (PB L 116, blz. 77), verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB L 84, blz. 1) en verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312, blz. 1) — Communautaire steun voor de opslag van geconcentreerde druivenmost in ruil voor het sluiten van een opslagcontract met het nationaal interventiebureau — Aankoop door de producent van druivenmost bij een fictieve of niet-bestaande vennootschap — Begrip „eigenaar” in de zin van de verordening — Verordening waarbij een steunregeling van de Unie wordt ingesteld zonder dat evenwel wordt voorzien in een systeem van maatregelen en sancties voor het geval dat deze verordening wordt geschonden — Vaststelling van dit systeem in geval van schending van de financiële belangen van de Unie
Dictum
1)
In een geval als dat van het hoofdgeding, waarin als gevolg van het feit dat de vennootschap die wordt geacht druivenmost te hebben verkocht, niet bestaat, de communautaire oorsprong van die druivenmost niet kan worden aangetoond, kan de producent die deze druivenmost heeft gekocht bij die vennootschap, hoe dan ook geen opslagsteun genieten krachtens verordening (EEG) nr. 822/87 van de Raad van 16 maart 1987 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2253/88 van de Raad van 19 juli 1988.
2)
In omstandigheden als in het hoofdgeding:
—
kan artikel 17, lid 1, sub b, van verordening (EEG) nr. 1059/83 van de Commissie van 29 april 1983 betreffende de opslagcontracten voor tafelwijn, druivenmost, geconcentreerde druivenmost en gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 2646/1999 van de Commissie van 15 december 1999, geen rechtsgrondslag bieden voor een sanctie voor het feit dat de producent niet heeft voldaan aan de in verordening nr. 822/87, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2253/88, gestelde voorwaarde dat de druivenmost waarvoor opslagsteun kan worden toegekend, van communautaire oorsprong is;
—
kan op de betrokken onregelmatigheden geen „sanctie” in de zin van artikel 5 van verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden toegepast, aangezien de sectorale noch de nationale regelgeving in de toepassing van een sanctie voorziet, en
—
dienen de nationale autoriteiten een administratieve maatregel in de zin van artikel 4, lid 1, eerste streepje, van verordening nr. 2988/95 toe te passen, waarbij alle ten onrechte ontvangen steun wordt teruggevorderd, mits is aangetoond — hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan — dat de twee in het hoofdgeding aan de orde zijnde opslagcontracten elk geheel of gedeeltelijk betrekking hadden op druivenmost die niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn en die bij de concentratie en de opslag is vermengd met druivenmost van communautaire oorsprong.
(1) PB C 89 van 24.3.2012.
Full & Egal Universal Law Academy