24.11.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 366/18
Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 18 juni 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Supremo Tribunal Administrativo — Portugal) — Amorim Energia BV/Ministério das Finanças e da Administração Pública
(Zaak C-38/11) (1)
(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering - Artikelen 49 VWEU en 54 VWEU - Artikelen 63 VWEU en 65 VWEU - Richtlijn 90/435/EEG - Artikel 3, lid 2 - Belastingwetgeving - Vennootschapsbelasting - Belasting over dividenden - Bronheffing - Vrijstelling - Vereiste van minimumparticipatie in winstuitkerende vennootschap - Voorwaarden - Minimumduur van ononderbroken bezit van deze participatie - Voorwaarden - Ingezeten en niet-ingezeten winstontvangende vennootschappen - Verschil in behandeling)
2012/C 366/29
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Amorim Energia BV
Verwerende partij: Ministério das Finanças e da Administração Pública
In aanwezigheid van: Ministério Público
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Supremo Tribunal Administrativo — Uitlegging van de artikelen 63 VWEU en 65 VWEU — Nationale regeling volgens welke aan niet-ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden aan een minder gunstige belastingregeling zijn onderworpen dan aan ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden — Vereiste van langere minimumparticipatieduur en meer aanmerkelijke participatie voor niet-ingezeten vennootschappen
Dictum
1)
De artikelen 63 VWEU en 65 VWEU verzetten zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke een ingezeten vennootschap van een andere lidstaat die een participatie van meer dan 10 % doch minder dan 20 % aanhoudt in een ingezeten vennootschap van Portugal, geen vrijstelling kan krijgen van de bronbelasting over de winst die de ingezeten vennootschap van Portugal uitkeert, en deze dividenden dus aan een economische dubbele belasting zijn onderworpen, terwijl een dergelijke economische dubbele belasting wordt voorkomen wanneer de dividenden worden uitgekeerd aan vennootschappen-aandeelhouders die ingezetenen van Portugal zijn en dezelfde soort participatie aanhouden. Wanneer een lidstaat zich beroept op een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met een andere lidstaat, is het de taak van de nationale rechter om uit te maken of met deze overeenkomst rekening moet worden gehouden en, in voorkomend geval, te controleren of met deze overeenkomst de gevolgen van de beperking van het vrije kapitaalverkeer kunnen worden weggenomen.
2)
De artikelen 49 VWEU en 54 VWEU verzetten zich tegen een wettelijke regeling van een lidstaat als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke een ingezeten vennootschap van een andere lidstaat die een participatie van meer dan 20 % aanhoudt in een ingezeten vennootschap van Portugal, slechts terugbetaling kan krijgen van de bronbelasting over de winst die de ingezeten vennootschap van Portugal heeft uitgekeerd, wanneer zij deze participatie gedurende twee jaar ononderbroken aanhoudt, en aldus voorkoming van economische dubbele belasting in vergelijking met vennootschappen-aandeelhouders die ingezetenen van Portugal zijn en dezelfde soort participatie aanhouden, wordt vertraagd. Wanneer een lidstaat zich beroept op een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met een andere lidstaat, is het de taak van de nationale rechter om uit te maken of met deze overeenkomst rekening moet worden gehouden en, in voorkomend geval, te controleren of met deze overeenkomst de gevolgen van de beperking van de vrijheid van vestiging kunnen worden weggenomen
(1) PB C 130 van 30.4.2011.
Full & Egal Universal Law Academy