30.6.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 194/7
Beschikking van het Hof (Zesde kamer) van 8 maart 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hof van Cassatie van België) — Koninklijke Federatie van Belgische Transporteurs en Logistiek Dienstverleners (Febetra)/Belgische Staat
(Zaak C-333/11) (1)
(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering - TIR-overeenkomst - Communautair douanewetboek - Accijns - Transport onder geleide van carnet TIR - Onregelmatig lossen - Bepaling van plaats van overtreding - Inning van rechten bij invoer en accijns - Bevoegdheid)
2012/C 194/12
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hof van Cassatie van België
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Koninklijke Federatie van Belgische Transporteurs en Logistiek Dienstverleners (Febetra)
Verwerende partij: Belgische Staat
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Hof van Cassatie van België — Uitlegging van artikel 454, lid 3, tweede alinea, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253, blz. 1), van de artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (PB L 76, blz. 1) en van artikel 37 van de douaneovereenkomst inzake het internationale vervoer van goederen onder dekking van carnets TIR (TIR-overeenkomst) — Overtredingen of onregelmatigheden — Plaats van overtreding of onregelmatigheid — Plaats die wordt geacht de plaats te zijn van vaststelling van de overtreding of onregelmatigheid indien de plaats waar deze overtreding of onregelmatigheid is begaan, niet kan worden vastgesteld
Dictum
1)
Artikel 454, lid 3, van verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1662/1999 van de Commissie van 28 juli 1999, moet aldus worden uitgelegd dat een organisatie die zich garant heeft gesteld, de plaats waar een overtreding of onregelmatigheid is begaan, kan bewijzen aan de hand van de plaats van inschrijving van het carnet TIR en de verzegeling. Zo deze organisatie erin slaagt het vermoeden van bevoegdheid van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar een overtreding of onregelmatigheid tijdens een vervoer onder geleide van een carnet TIR is vastgesteld, te weerleggen in het voordeel van de douaneautoriteiten van de lidstaat waar deze overtreding of onregelmatigheid daadwerkelijk is begaan, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan, dan worden de douaneautoriteiten van laatstgenoemde staat bevoegd tot inning van de douaneschuld.
2)
De artikelen 6, lid 1, en 7, lid 1, van richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 96/99/EG van de Raad van 30 december 1996, moeten aldus worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de goederen zijn ontdekt, in beslag genomen en verbeurd, bevoegd zijn tot inning van de accijnzen, ook al zijn deze goederen in een andere lidstaat in het douanegebied van de Unie binnengebracht, voor zover deze goederen voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, hetgeen de verwijzende rechter dient uit te maken.
(1) PB C 269 van 10.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy