24.11.2012
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 366/19
Beschikking van het Hof (Vijfde kamer) van 12 juli 2012 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel — België) — Tate & Lyle Investments Ltd/Belgische Staat
(Zaak C-384/11) (1)
(Artikel 104, lid 3, eerste alinea, van Reglement voor procesvoering - Artikel 63 VWEU - Belastingwetgeving - Dividenduitkering - Bronheffing - Voorkoming of vermindering van opeenvolgende belastingheffingen - Verschil in behandeling van ingezeten en niet-ingezeten ontvangende vennootschappen)
2012/C 366/32
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank van eerste aanleg te Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Tate & Lyle Investments Ltd
Verwerende partij: Belgische Staat
in tegenwoordigheid van: Syral Belgium NV
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Rechtbank van eerste aanleg te Brussel — Uitlegging van artikel 63 VWEU — Beperkingen van het vrije kapitaalverkeer — Belastingwetgeving — Vennootschapsbelasting — Belasting van dividenden — Nationale regeling die voorziet in een bronbelasting van 10 % op door ingezeten vennootschappen uitgekeerde dividenden en daarmee gelijkgestelde inkomsten — Verrekening van het bedrag van deze bronbelasting met de vennootschapsbelasting enkel mogelijk voor ingezeten vennootschappen
Dictum
Artikel 63 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een wettelijke regeling van een lidstaat zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke aan een bronheffing zijn onderworpen dividenden die door een ingezeten vennootschap worden uitgekeerd aan ingezeten en niet-ingezeten ontvangende vennootschappen die een participatie van minder dan 10 % maar met een aanschaffingswaarde van minimaal 1,2 miljoen EUR aanhouden in het kapitaal van deze uitkerende vennootschap, terwijl alleen voor ingezeten ontvangende vennootschappen wordt voorzien in een mechanisme ter vermindering van opeenvolgende belastingheffingen. Beroept een lidstaat zich op een verdrag ter voorkoming van dubbele belasting dat hij heeft gesloten met een andere lidstaat, dan staat het aan de nationale rechter om vast te stellen of in het bij hem aanhangige geding rekening moet worden gehouden met dit verdrag en, in voorkomend geval, na te gaan of met dit verdrag de gevolgen van de beperking van het vrije kapitaalverkeer kunnen worden geneutraliseerd.
(1) PB C 282 van 24.9.2011.
Full & Egal Universal Law Academy