19.10.2013
NL
Publicatieblad van de Europese Unie
C 304/2
Beschikking van het Hof (Tweede kamer) van 4 juli 2013 (verzoek van de Administrativen sad Veliko Tarnovo (Bulgarije) om een prejudiciële beslissing) — Menidzherski biznes reshenia OOD/Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — Veliko Tarnovo pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
(Zaak C-572/11) (1)
(Richtlijn 2006/112/EG - Btw - Recht op aftrek - Weigering - Op factuur vermelde belasting - Daadwerkelijke verrichting van belastbare handeling - Ontbreken daarvan - Bewijs - Beginselen van fiscale neutraliteit en bescherming van gewettigd vertrouwen)
2013/C 304/02
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Administrativen sad Veliko Tarnovo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Menidzherski biznes reshenia OOD
Verwerende partij: Direktor na Direktsia „Obzhalvane i upravlenie na izpalnenieto” — Veliko Tarnovo pri Tsentralno upravlenie na Natsionalnata agentsia za prihodite
Voorwerp
Verzoek om een prejudiciële beslissing — Administrativen sad Veliko Tarnovo — Uitlegging van artikel 203, juncto artikel 186, sub a, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1) — Aftrek van voorbelasting — Ontzegging van het recht op aftrek van de btw aan de afnemer van dienstverrichtingen wegens het ontbreken van bewijs dat de in de facturen vermelde prestaties daadwerkelijk zijn verricht — Verificatie van die facturen in het kader van een fiscale controle van de dienstverstrekker, zonder dat deze tot een wijziging van de verschuldigde btw heeft geleid — Beginsel van fiscale neutraliteit
Dictum
De artikelen 186, sub a, en 203 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, alsook de beginselen van fiscale neutraliteit en de bescherming van het gewettigde vertrouwen, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet eraan in de weg staan dat het recht op aftrek van de op een factuur vermelde belasting over de toegevoegde waarde wordt geweigerd aan degene tot wie deze factuur is gericht, wanneer de transacties waarop deze factuur betrekking heeft, niet daadwerkelijk zijn verricht, zelfs indien er geen gevaar voor verlies van belastinginkomsten bestaat, aangezien de opsteller van die factuur de daarop vermelde belasting over de toegevoegde waarde heeft betaald. Het staat aan de verwijzende rechter om overeenkomstig de nationale regels inzake de bewijsvoering een globale beoordeling te verrichten van alle feitelijke elementen en omstandigheden van het bij hem aanhangige geding teneinde vast te stellen of dit het geval is voor de transacties waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde facturen betrekking hebben.
(1) PB C 25 van 28.1.2012.
Full & Egal Universal Law Academy