CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 8 maart 2012 ( 1 )
Zaak C-28/11
Eurogate Distribution GmbH
tegen
Hauptzollamt Hamburg-Stadt
[verzoek van het Finanzgericht Hamburg (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Communautair douanewetboek — Douane-entrepot — Verordening (EEG) nr. 2913/92 — Artikel 204 — Ontstaan van douaneschuld door niet-nakoming van verplichting — Te late inschrijving in voorraadadministratie”
I – Inleiding
1.
Onder het door het douanewetboek ( 2 ) opgezette stelsel van douane-entrepots kunnen niet-communautaire goederen in een douane-entrepot worden opgeslagen, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer worden onderworpen.
2.
Het beheer van een particulier douane-entrepot, dat een economische douaneregeling en een schorsingsregeling is, vereist een vergunning en is onderworpen aan bepaalde voorwaarden. ( 3 ) De door de douaneautoriteiten aangewezen persoon dient met name een voorraadadministratie te voeren van alle onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen. Uit de voorraadadministratie moet te allen tijde zijn af te lezen welke goederen onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst.
3.
In het hoofdgeding was aan de vennootschap Eurogate Distribution GmbH (hierna: „Eurogate Distribution”) een vergunning verleend om een particulier douane-entrepot te beheren. Vaststaat dat de in het betrokken douane-entrepot opgeslagen goederen, vanwege hun wederuitvoer, een nieuwe toegestane douanebestemming hebben gekregen, zodat de douaneregeling volgens de regels is aangezuiverd. ( 4 )
4.
Gebleken is evenwel dat Eurogate Distribution niet heeft voldaan aan haar verplichting om de uitslag van de goederen op het tijdstip waarop zij het douane-entrepot verlieten in te schrijven in de voorraadadministratie, maar deze boeking pas veel later heeft verricht.
5.
Op grond van die vaststelling heeft het Hauptzollamt Hamburg-Stadt (hierna: „Hauptzollamt”) op basis van artikel 204 van het douanewetboek douanerechten opgelegd ten aanzien van de te laat in de voorraadadministratie ingeschreven goederen.
6.
Het Finanzgericht Hamburg, waarbij door Eurogate Distribution een beroep tegen de aanslag aanhangig is gemaakt, heeft aan het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd teneinde te vernemen of de schending van de verplichting om de uitslag van de goederen uit het douane-entrepot in het daartoe bestemde computerprogramma in te schrijven, ondanks dat die goederen bij de aanzuivering van de douaneregeling een nieuwe toegestane douanebestemming hebben gekregen, tot het ontstaan van een douaneschuld op grond van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek leidt.
7.
Net als de, bij het Hof aanhangige, zaak Döhler Neuenkirchen (C-262/10), waarin ik vandaag eveneens conclusie neem en die betrekking heeft op de te late overlegging van de zuiveringsafrekening in het kader van een regeling van actieve veredeling, stelt de onderhavige zaak het Hof in de gelegenheid de in artikel 204 van het douanewetboek neergelegde voorwaarden voor het ontstaan van de douaneschuld te preciseren. Hoewel de feiten en de niet-nakoming die krachtens dat artikel tot het ontstaan van een schuld kunnen leiden, in deze twee zaken van elkaar verschillen, moet worden vastgesteld dat deze zaken de uitlegging van dezelfde wettelijke bepaling betreffen, en allebei betrekking hebben op schorsingsregelingen, te weten, in zaak C-262/10, de regeling van actieve veredeling, en, in zaak C-28/11, die van het douane-entrepot.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Douanewetboek
8.
Uit artikel 4 van het douanewetboek volgt dat in de zin van dat wetboek onder „douaneschuld bij invoer” wordt verstaan, de op een persoon rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer die op bepaalde goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen. De douanebestemming van goederen kan onder meer de plaatsing van goederen onder een douaneregeling en de wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Europese Gemeenschap inhouden. Een douaneregeling kan onder meer het douane-entrepot inhouden.
9.
Het stelsel van douane-entrepots is een schorsingsregeling die een economische douaneregeling vormt in de zin van artikel 84, lid 1, sub a en b, van het douanewetboek.
10.
Uit artikel 98, leden 1 en 2, van het douanewetboek volgt dat onder het stelsel van douane-entrepots niet-communautaire goederen in een douane-entrepot kunnen worden opgeslagen, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer worden onderworpen. Onder de term „douane-entrepot” wordt verstaan elke door de douaneautoriteiten erkende, aan hun toezicht onderworpen plaats waar goederen onder de in dat wetboek geformuleerde voorwaarden kunnen worden opgeslagen.
11.
Volgens artikel 99 van dat wetboek is het particulier douane-entrepot een douane-entrepot dat is gereserveerd voor de opslag van goederen door de entreposeur. De entreposeur is de persoon aan wie vergunning is verleend het douane-entrepot te beheren. De entrepositaris is de persoon die gehouden is tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de aangifte tot plaatsing van de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of aan wie de rechten en verplichtingen van eerstgenoemde zijn overgedragen.
12.
Artikel 105, eerste alinea, van het douanewetboek bepaalt:
„De door de douaneautoriteiten aangewezen persoon dient in de door deze autoriteiten goedgekeurde vorm een voorraadadministratie te voeren van alle onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen. [...]”
13.
In artikel 107 van het douanewetboek wordt bepaald:
„De onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen dienen bij de inslag in het douane-entrepot in de bij artikel 105 voorgeschreven voorraadadministratie te worden opgenomen.”
14.
Titel VII van het douanewetboek, met het opschrift „Douaneschuld”, bevat, in hoofdstuk 2 ervan, bepalingen inzake het ontstaan van de douaneschuld.
15.
Artikel 201 van het douanewetboek bevat de volgende hoofdregel:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a)
wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, of
b)
wanneer dergelijke goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer worden geplaatst.
2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.
[...]”
16.
Artikel 204 van het douanewetboek voorziet in een restcategorie, die luidt als volgt:
„1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:
a)
indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of
[...]
in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleken voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.
2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.
[...]”
B – Uitvoeringsverordening
17.
Het douanewetboek is aangevuld met uitvoeringsverordening (EEG) nr. 2454/93 ( 5 ).
18.
De artikelen 529 en 530 van de uitvoeringsverordening bevatten bepalingen inzake het voeren van een voorraadadministratie in het douane-entrepot.
19.
Artikel 529, lid 1, van deze verordening bepaalt:
„Uit de voorraadadministratie moet te allen tijde zijn af te lezen welke goederen zich onder de regeling douane-entrepots bevinden. De entreposeur legt het controlekantoor, op door de douaneautoriteiten vast te stellen tijdstippen, een lijst van deze goederen voor.”
20.
In artikel 530, lid 3, van de uitvoeringsverordening wordt bepaald:
„Uiterlijk bij de uitslag van de goederen uit het douane-entrepot of de opslagplaatsen van de vergunninghouder wordt in de voorraadadministratie vermeld dat de regeling is aangezuiverd.”
21.
In artikel 859 van de uitvoeringsverordening worden de gevallen genoemd waarin het niet voldoen aan een in artikel 204, lid 1, van het douanewetboek bedoelde verplichting niet leidt tot het ontstaan van een douaneschuld aangezien dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling. ( 6 )
III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
22.
Aan Eurogate Distribution is sinds 2006 een vergunning verleend voor het beheren van een particulier douane-entrepot. De voorraadadministratie van dat douane-entrepot is overeenkomstig de vergunning gevoerd met behulp van een computerprogramma.
23.
Eurogate Distribution heeft als entreposeur in haar particulier douane-entrepot niet-communautaire goederen, afkomstig van haar klanten, opgeslagen, met het oog op hun verdere verzending buiten de Europese Unie. Bij de uitslag van de goederen uit het douane-entrepot zijn douaneaangiften opgesteld voor hun doorzending, aangezien die goederen daadwerkelijk zijn uitgevoerd uit het douanegebied.
24.
Bij een douanecontrole werd evenwel geconstateerd dat de uitslag van de litigieuze goederen pas 11 tot 126 dagen na hun daadwerkelijke uitslag, en derhalve volgens artikel 105, eerste alinea, van het douanewetboek juncto de artikelen 529, lid 1, en 530, lid 3, van de uitvoeringsverordening te laat, was ingeschreven in de voorraadadministratie.
25.
Bij aanslag van 1 juli 2008, heeft het Hauptzollamt ter zake van de te laat ingeschreven goederen invoerrechten opgelegd en de daarover verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde geheven. Eurogate Distribution heeft bezwaar ingediend.
26.
Nadat bij aanslag van 11 augustus 2009 een deel van de rechten was kwijtgescholden heeft het Hauptzollamt het bezwaar van Eurogate Distribution voor het overige bij beschikking van 8 december 2009 ongegrond verklaard, op grond dat de te late inschrijving in de voorraadadministratie moest worden aangemerkt als een schending van de verplichtingen in het kader van het stelsel van douane-entrepots en dat die schending derhalve een douaneschuld deed ontstaan op basis van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek. Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat de klaarblijkelijke nalatigheid van de zijde van Eurogate Distribution niet betekent dat die schending zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de douaneregeling, zodat in casu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 859 van de uitvoeringsverordening.
27.
Daarop heeft Eurogate Distribution bij het Finanzgericht Hamburg beroep ingesteld tot nietigverklaring van de aanslag van 1 juli 2008, zoals gewijzigd bij de aanslag van 11 augustus 2009 en bevestigd bij de beschikking van 8 december 2009, waarbij zij met name heeft aangevoerd dat de te late inschrijving in de voorraadadministratie van de uitslag uit het douane-entrepot geen schending van haar verplichtingen vormt in de zin van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek, aangezien die verplichting tot inschrijving, die voortvloeit uit artikel 105 van het douanewetboek juncto artikel 530, lid 3, van de uitvoeringsverordening, pas na de aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots moet worden uitgevoerd.
28.
Het Hauptzollamt betwist die analyse, op grond dat het voeren van de voorraadadministratie geen verplichting is waaraan moet worden voldaan na de aanzuivering van de betrokken regeling. Integendeel, de inschrijving in de voorraadadministratie dient te geschieden tijdens de toepassing van het stelsel van douane-entrepots, dan wel op het tijdstip zelf waarop dat stelsel wordt aangezuiverd. Volgens het Hauptzollamt is de douane-entrepotprocedure in casu pas beëindigd bij de uitslag van de niet-communautaire goederen en hun vrijgave voor de transitregeling met het oog op de nieuwe douanebestemming.
29.
De verwijzende rechter is van oordeel dat de stelling dat de schending van de verplichting tot onmiddellijke inschrijving van de uitslag van de goederen in de voorraadadministratie een douaneschuld doet ontstaan, twijfelachtig is.
30.
In dit verband benadrukt hij dat volgens de door een partij voorgestane analyse van de Duitse rechtsleer op basis van de bewoordingen van artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek, kan worden betoogd dat in casu de schending van de verplichting heeft plaatsgevonden „tijdens” het gebruik van de douaneregeling, en niet „voortvloeit uit” het gebruik van die regeling, zodat er geen douaneschuld is ontstaan. Voor zover de goederen echter reeds een nieuwe douanebestemming hebben gekregen en de schending van de verplichting de status van de goederen onverlet laat, rijst de vraag in hoeverre een douaneschuld eigenlijk nog kan ontstaan en of bij eventuele schendingen van de regeling in voorkomend geval andere sancties moeten worden toegepast.
31.
Aangezien het Finanzgericht Hamburg van oordeel is dat de beslechting van het bij hem aanhangige geding afhangt van de uitlegging van het Unierecht, heeft het Finanzgericht Hamburg de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 204, lid 1, sub a, van [het douanewetboek], aldus worden uitgelegd dat bij niet-communautaire goederen die onder het stelsel van douane-entrepots zijn geplaatst en bij de aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots een nieuwe douanebestemming hebben gekregen, de schending van de verplichting om de uitslag van de goederen uit het douane-entrepot reeds bij de aanzuivering van het stelsel van douane-entrepots – en niet pas veel later – in het daartoe bestemde computerprogramma in te schrijven, tot het ontstaan van een douaneschuld voor de goederen leidt?”
32.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Eurogate Distribution, de Tsjechische regering en de Europese Commissie.
33.
Eurogate Distribution, de Italiaanse regering en de Commissie waren vertegenwoordigd ter terechtzitting van 1 december 2011, waarop tegelijkertijd zaak C-262/10, is behandeld.
IV – Analyse
34.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 204, lid 1, sub a, van het douanewetboek in die zin moet worden uitgelegd dat de niet-nakoming van de verplichting om de uitslag uit het douane-entrepot van niet-communautaire goederen uiterlijk op het tijdstip van die uitslag in te schrijven in de daartoe bestemde voorraadadministratie, tot het ontstaan van een douaneschuld voor het betrokken goed leidt.
35.
Het Hof wordt dus gevraagd toe te lichten welke de te eerbiedigen voorwaarden zijn, in het kader van het stelsel van douane-entrepots, waarvan de schending een douaneschuld doet ontstaan.
36.
Het gaat in casu niet om een volledige niet-eerbiediging van de toepasselijke voorwaarden en evenmin om een weigering om met de douaneautoriteiten mee te werken. Het stelsel van douane-entrepots is namelijk in het hoofdgeding correct afgewikkeld, behalve wat de verplichting betreft om zo spoedig mogelijk over te gaan tot inschrijving in de voorraadadministratie.
37.
Gelet op de samenhang tussen deze zaak en zaak C-262/10 acht ik het opportuun, teneinde herhalingen te vermijden, om te verwijzen naar mijn conclusie in laatstgenoemde zaak.
38.
Om de in voornoemde zaak Döhler Neuenkirchen (punten 35-37) uiteengezette redenen, stel ik vast dat het ontstaan van een douaneschuld het objectieve gevolg is van het zich voordoen van de in het douanewetboek geformuleerde ontstaansfeiten, bestaande in hetzij een op regelmatige wijze in het vrije verkeer brengen, hetzij in een niet-nakoming van verplichtingen.
39.
Wat meer in het bijzonder de voorraadadministratie betreft, dient de verplichting om een voorraadadministratie te voeren van de onder het in artikel 105 van het douanewetboek voorziene stelsel van particuliere douane-entrepots geplaatste goederen, te worden aangemerkt als een wezenlijke verplichting. Artikel 529, lid 1, van de uitvoeringsverordening preciseert namelijk dat „[u]it de voorraadadministratie [...] te allen tijde [moet] zijn af te lezen welke goederen zich onder de regeling douane-entrepots bevinden”.
40.
Hieruit volgt dat wanneer de voor de juiste toepassing van de douanecontroleregeling in de zin van artikel 529, van de uitvoeringsverordening, benodigde gegevens ontbreken, de verplichting om een voorraadadministratie te voeren niet kan worden geacht te zijn vervuld. Daardoor is sprake van een niet-nakoming van een essentiële verplichting van de douanecontroleregeling. ( 7 )
41.
Het Hof heeft onlangs, in het reeds aangehaalde arrest Groupe Limagrain Holding, de gelegenheid gehad zich uit te spreken over de functie van de voorraadadministratie in het kader van de toekenning van een vooruitbetaling van een uitvoerrestitutie. In dat arrest wordt die vooruitbetaling met name afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat wordt bewezen dat de producten waarvoor een betalingsaangifte is ingediend onder douanecontrole zijn geplaatst en zijn gebleven totdat zij zijn uitgevoerd. Het Hof heeft opgemerkt dat met de plaatsing onder douanecontrole van die producten wordt beoogd te waarborgen dat de in de betalingsaangifte bedoelde producten en de daadwerkelijk uitgevoerde producten dezelfde zijn. Bij onregelmatige uitvoering van de plaatsing onder het stelsel van douane-entrepots kan het bewijs dat de in de vooruitbetalingsaangifte bedoelde goederen ook werkelijk zijn uitgevoerd, niet genoegzaam worden geleverd. Volgens het Hof valt de onttrekking aan douanecontrole gelijk te stellen met de niet-nakoming van de verplichting om overeenkomstig de douaneregeling van de Unie een voorraadadministratie te voeren van de onder deze controle geplaatste producten. In beide gevallen hebben de douaneautoriteiten niet meer de mogelijkheid om het door de betrokken producten gevolgde circuit te controleren en dus om zich ervan te vergewissen of is voldaan aan de voorwaarden met betrekking tot het stelsel van vooruitbetaling van uitvoerrestituties. ( 8 )
42.
Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het reeds aangehaalde arrest Groupe Limagrain Holding, waarin geen sprake was van het voeren van een voorraadadministratie, is in de onderhavige zaak wél een dergelijke administratie gevoerd, zij het met een vertraging van meer dan tien tot meer dan honderd dagen. Bovendien lijken de douaneautoriteiten in de onderhavige zaak wél aangiften te hebben ontvangen ter zake van de nieuwe douanebestemming van de goederen, met het oog op het aanzuiveren van het stelsel van douane-entrepots. Uit de toepasselijke wettelijke regeling blijkt evenwel niet dat, in een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, een douaneaangifte de correcte uitvoering van de verplichting tot het voeren van een voorraadadministratie in het kader van het stelsel van douane-entrepots, kan vervangen.
43.
Voorts merk ik op dat de verwijzende rechter de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten niet heeft gekwalificeerd als een onder artikel 203 van het douanewetboek vallende „onttrekking aan het douanetoezicht”, maar als een niet-nakoming van een verplichting in de zin van artikel 204 van dat wetboek. Nu er geen enkele vraag is gesteld over de respectieve werkingssfeer van die artikelen, moet worden uitgegaan van de hypothese dat in casu artikel 204 van het douanewetboek moet worden toegepast. ( 9 )
44.
Bovendien zij opgemerkt dat de te late inschrijving in de voorraadadministratie niet tot de gebeurtenissen behoort die kunnen worden aangemerkt als gebeurtenissen die „zonder werkelijke gevolgen [zijn] gebleken” voor de juiste werking van de betrokken douaneregeling, aangezien een dergelijke gebeurtenis niet wordt genoemd in de uitputtende lijst van artikel 859 van de uitvoeringsverordening. ( 10 )
45.
Eurogate Distribution wijst voorts op het duidelijk buitensporige karakter van de consequentie van een simpele, door onachtzaamheid begane onregelmatigheid, voor zover de Duitse wettelijke regeling het ontstaan van de douaneschuld en de heffing van de belasting over de toegevoegde waarde koppelt aan de invoer. Ik merk op dat de vraag naar de door de Duitse wettelijke regeling gemaakte koppeling tussen de heffing van douanerechten en de oplegging van belasting over de toegevoegde waarde enerzijds, en de invoer anderzijds, geen voorwerp van de prejudiciële vraag vormt. Derhalve behoef ik op deze vraag niet verder in te gaan, hoewel de door de Commissie opgeworpen vragen over de verenigbaarheid van dat verband met het Unierecht inzake de belasting over de toegevoegde waarde mij niet irrelevant lijken.
46.
Ik wil in ieder geval wijzen op twee opmerkingen in de conclusie in de reeds aangehaalde zaak C-262/10.
47.
In de eerste plaats is de verplichting om in een dergelijk geval douanerechten te betalen geen administratieve, fiscale of strafrechtelijke sanctie, maar enkel het gevolg van de vaststelling dat niet is voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het uit de toepassing van de douaneregeling voortvloeiende voordeel, waardoor schorsing niet kan worden toegepast en heffing van douanerechten bijgevolg gerechtvaardigd is. ( 11 ) Dienaangaande verwijs ik naar de punten 55 tot en met 59 van mijn conclusie in zaak C-262/10.
48.
In de tweede plaats merk ik op dat voor de toepassing van het douanewetboek een douaneschuld niet hetzelfde is als een „economische” douaneschuld, welk begrip inhoudt dat een douaneschuld enkel ontstaat ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht. Derhalve is de vraag of de betrokken goederen al dan niet uiteindelijk in het vrije verkeer zijn gebracht niet relevant. Hieruit volgt dat douanerechten ook kunnen worden geheven over goederen die daadwerkelijk het grondgebied van de Unie hebben verlaten. ( 12 )
V – Conclusie
49.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de door het Finanzgericht Hamburg gestelde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 204, lid 1, sub a, van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat bij niet-communautaire goederen de niet-nakoming van de verplichting om de uitslag ervan uit het douane-entrepot uiterlijk op het tijdstip van uitslag van die goederen uit het douane-entrepot in te schrijven in de daartoe bestemde voorraadadministratie, tot het ontstaan van een douaneschuld voor voornoemde goederen leidt, zelfs wanneer diezelfde goederen zijn wederuitgevoerd.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005 (PB L 117, blz. 13; hierna: „douanewetboek”). Het douanewetboek is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1; hierna: „gemoderniseerd douanewetboek”), waarvan sommige bepalingen met ingang van 24 juni 2008 van toepassing zijn geworden. Gelet op het tijdstip waarop de feiten in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, blijft het onderhavige geschil evenwel aan de regels van het douanewetboek onderworpen.
( 3 ) Zie artikelen 84, lid 1, 85 en 87 van het douanewetboek.
( 4 ) Zie artikel 89, lid 1, van het douanewetboek.
( 5 ) Verordening van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (PB L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 993/2001 van de Commissie van 4 mei 2001 (PB L 141, blz. 1; hierna: „uitvoeringsverordening”).
( 6 ) Ik preciseer dat volgens de verwijzende rechter in casu niet is voldaan aan de uitvoeringsvoorwaarden van die bepaling.
( 7 ) Zie in die zin arrest van 27 oktober 2011, Groupe Limagrain Holding (C-402/10, Jurispr. blz. I-10827, punten 33-37).
( 8 ) Reeds aangehaald arrest Groupe Limagrain Holding, punten 43-46.
( 9 ) Wat de respectieve werkingssfeer van de artikelen 203 en 204 van het douanewetboek betreft, zie arrest van 12 februari 2004, Hamann International (C-337/01, Jurispr. blz. I-1791, punt 28).
( 10 ) Het uitputtende karakter van de opsomming in die bepaling is door het Hof bevestigd in het arrest van 11 november 1999, Söhl & Söhlke (C-48/98, Jurispr. blz. I-7877, punt 43).
( 11 ) Zie in die zin arresten van 14 december 2000, Emsland-Stärke (C-110/99, Jurispr. blz. I-11569, punt 56), en 4 juni 2009, Pometon (C-158/08, Jurispr. blz. I-4695, punt 28).
( 12 ) Ook al hebben douanerechten met name tot doel de binnenlandse productie te beschermen tegen buitenlandse concurrentie (in het Duits: „der Wirtschaftszollgedanke”), dit neemt niet weg dat de toepassing van de regels op dit gebied mechanisch en formeel is, hetgeen kan leiden tot situaties waarin douanerechten worden geheven terwijl er geen enkele bescherming wordt vereist, aangezien de betrokken goederen niet in het vrije verkeer worden gebracht. Zie Willemoes Jørgensen, C., Toldskuldens opståen og ophør, Kopenhagen, Jurist- og Økonomforbundets Forlag, 2009, blz. 148, en arrest van 29 april 2004, British American Tobacco (C-222/01, Jurispr. blz. I-4683, punt 55).
Full & Egal Universal Law Academy