CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 29 maart 2012 ( 1 )
Zaak C-131/11
Pfeifer & Langen Kommanditgesellschaft
tegen
Hauptzollamt Aachen
[verzoek van het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Gemeenschappelijke ordening der markten in sector suiker — Vaststelling van definitieve suikerproductie voor verkoopseizoen — Excedentaire hoeveelheid witte suiker geconstateerd door bevoegde overheidsinstantie van lidstaat na afloop van onderzocht verkoopseizoen — Verplichting om rekening te houden met excedentaire hoeveelheden suiker voor onderzocht verkoopseizoen of verkoopseizoen waarin zij werden vastgesteld”
1.
Het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) vraagt het Hof in zijn prejudiciële verwijzing of tijdens een onderzoek door de nationale overheidsinstantie geconstateerde suikeroverschotten moeten worden toegewezen aan het verkoopseizoen waarin zij worden vastgesteld, of met terugwerkende kracht aan het onderzochte seizoen.
Wetgeving
Gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker
2.
Op 1 juli 1968 voerde verordening nr. 1009/67/EEG ( 2 ) een steunregeling voor suiker in. Binnen het maximumquotum gedurende een verkoopseizoen geproduceerde en verkochte suiker genoot financiële steun (hierna: „interventiemaatregelen”). De lidstaten kenden voor elk verkoopseizoen quota (ingevoerd bij artikel 23 van verordening nr. 1009/67) toe aan suikerproducenten op hun respectieve grondgebieden. Daarnaast werd ook voorzien in een communautaire ( 3 ) regeling om de kosten van de interventiemaatregelen te financieren. Die kosten werden binnen bepaalde grenzen door alle producenten binnen de Gemeenschap gedragen via betaling van een productieheffing, terwijl de overige kosten ten laste van de gemeenschapsbegroting kwamen. ( 4 ) Boven het maximumquotum geproduceerde suiker mocht niet op de interne markt worden verkocht en werd van de interventiemaatregelen uitgesloten.
Basisverordening
3.
Vanaf 1 juli 1981 was verordening (EEG) nr. 1785/81 ( 5 ) (hierna: „basisverordening”) van toepassing.
4.
De elfde overweging van de considerans zet uiteen dat: „[...] de redenen waarom de Gemeenschap tot nu toe een productiequotaregeling voor suiker [...] heeft aangehouden nog altijd gelden; dat hierin evenwel wijzigingen moeten worden aangebracht, enerzijds om rekening te houden met de recente ontwikkeling van de productie en anderzijds om de Gemeenschap de nodige instrumenten te verschaffen om op billijke maar doelmatige wijze te verzekeren, dat de kosten voor de afzet van de overschotten die voortvloeien uit de verhouding tussen de productie van de Gemeenschap en haar verbruik, volledig door de producenten zelf worden gefinancierd; [...]”
5.
De vijftiende overweging van de considerans luidde dat: „[...] de aan de ondernemingen toegewezen productiequota een middel vormen om de producenten de communautaire prijzen en de afzet van hun producten te waarborgen, [...]”
6.
De basisverordening voerde een nieuwe quotaregeling in. Dienaangaande bepaalde zij dat jaarlijks minimumprijzen voor A-suikerbieten en voor B-suikerbieten moesten worden vastgesteld. ( 6 ) In de betrokken periode werden drie productiecategorieën in de suikersector onderscheiden. Voor de productie van A- en B-suiker golden quota die in beginsel overeenkwamen met de vraag op de interne markt, respectievelijk de uitvoer van suikeroverschotten met restitutie. C-suiker werd buiten die quota geproduceerd en mocht binnen de EU niet vrij worden verhandeld, maar moest zonder restitutie, ten laste van de suikerindustrie worden uitgevoerd. ( 7 ) Voorts kwamen de suikerbieten die werden gebruikt om C-suiker te produceren niet in aanmerking voor de prijsondersteuningsmaatregelen. Zo bepaalde artikel 24, lid 1, tweede alinea:
„[wordt verstaan onder]
a)
A-suiker [...] elke hoeveelheid suiker [...] die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen binnen de limiet van het A-quotum van de betrokken onderneming wordt geproduceerd;
b)
B-suiker [...] elke hoeveelheid suiker [...] die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen wordt geproduceerd en het A-quotum overschrijdt doch binnen de som van de A- en B-quota van de betrokken onderneming blijft;
c)
C-suiker [...] elke hoeveelheid suiker [...] die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen wordt geproduceerd en de som van de A- en B-quota van de betrokken onderneming overschrijdt, hetzij wordt geproduceerd door een onderneming waarvoor geen quota zijn bepaald.” ( 8 )
7.
Artikel 26 verbood C-suiker die niet krachtens artikel 27 naar het volgende verkoopseizoen was overgebracht, op de interne markt van de Gemeenschap af te zetten. Dergelijke suiker moest vóór 1 januari volgend op het betrokken verkoopseizoen worden uitgevoerd. Artikel 26, lid 3, bepaalde dat een bedrag moest worden geheven indien niet werd bewezen dat C-suiker binnen de gestelde termijn was uitgevoerd.
8.
Artikel 27, lid 1, bepaalde: „Iedere onderneming kan besluiten de productie van suiker boven het A-quotum geheel of gedeeltelijk over te brengen naar het volgende verkoopseizoen voor suiker voor rekening van de productie van dat verkoopseizoen. Deze beslissing is onherroepelijk.” ( 9 )
9.
Artikel 28 stelde het beginsel dat de producenten zelf alle kosten voor de afzet van overschotten die voortvloeiden uit het verschil tussen de productie en het verbruik van suiker van de Gemeenschap op de interne markt moesten financieren. De volledige productie van A- en B-suiker was daarom onderworpen aan een productieheffing. De berekening van die heffing bestond uit twee fases. Eerst werd een voorlopige heffing vastgesteld op basis van de verwachte productie voor het lopende verkoopseizoen. ( 10 ) Daarna werden vóór het einde van het volgende verkoopseizoen de definitieve cijfers voor de suikerproductie van het voorgaande verkoopseizoen vastgesteld. ( 11 )
10.
Artikel 28, lid 3, bepaalde: „Wanneer de in lid 1 bedoelde vaststellingen na aanpassing overeenkomstig lid 2, en onverminderd artikel 29, lid 1, wijzen op een te verwachten totaal verlies, wordt dit verlies gedeeld door de verwachte hoeveelheid A- en B-suiker [...], die voor rekening van het lopende verkoopseizoen is geproduceerd. Het hieruit voortvloeiende bedrag moet bij de fabrikanten worden geïnd als basisproductieheffing op hun productie van A- en B-suiker [...].”
11.
In het kader van het in artikel 28 vastgestelde systeem wordt de basisproductieheffing beperkt. Wanneer ten gevolge van die beperking de basisproductieheffing het totale verlies (de totale kosten voor de afzet van de overschotten) niet geheel dekte, voorzag de basisverordening in een aanvullende heffing op het B-quotum (hierna: „B-heffing”). ( 12 )
12.
Uitvoeringsbepalingen voor de toepassing van de suikerregeling werden vastgesteld krachtens artikel 41 van de basisverordening. ( 13 )
Uitvoeringsverordening
13.
De artikelen 27, lid 3, 28, lid 7, 29, lid 5, en 39 van de basisverordening vormden de rechtsgrondslag van de uitvoeringsverordening. ( 14 ) In de considerans ervan wordt uiteengezet dat, om de quotaregeling correct toe te passen, het noodzakelijk was om met name regels in te voeren betreffende de gegevens die nodig zijn om de in artikel 28 van de basisverordening bepaalde productieheffingen (namelijk de basisproductieheffing en – in voorkomend geval – de B-heffing) te berekenen. Erkend werd dat deze heffingen slechts na een verkoopseizoen konden worden berekend. De financiële aansprakelijkheid voor elk verkoopseizoen moest evenwel zo snel mogelijk aan de producenten worden toegewezen. Daarom werd het noodzakelijk geacht te waarborgen dat werd voorzien in de betaling van voorschotten op de productieheffingen (berekend aan de hand van geraamde cijfers) en dat verschuldigde bedragen reeds vóór het einde van het betrokken verkoopseizoen werden betaald. Voorts werd erkend dat de heffingen niet konden worden vastgesteld vóór zo exact mogelijke gegevens inzake de consumptie beschikbaar werden. Met het oog op een goed beheer van de quotaregeling moesten termijnen voor de constatering van de productie en voor de mededeling van de desbetreffende gegevens worden vastgesteld en diende bepaald te worden dat lidstaten passende controlemaatregelen konden nemen. ( 15 )
14.
Artikel 3 van de uitvoeringsverordening bepaalde:
„1. De lidstaten stellen jaarlijks vóór 15 februari de voorlopige suikerproductie van het lopende verkoopseizoen vast voor iedere op hun grondgebied gevestigde onderneming.
[...]
3. De lidstaten stellen vóór 1 oktober van ieder jaar, voor het voorafgaande verkoopseizoen, de definitieve productie van suiker [...] vast die door elke onderneming is bereikt.
4. Indien na de vaststelling van de definitieve productie voor de suiker als bedoeld in lid 3 later verschillen ten opzichte van deze cijfers worden geconstateerd, wordt met deze verschillen rekening gehouden bij de vaststelling van de definitieve productie van het verkoopseizoen waarin het verschil wordt geconstateerd.” ( 16 )
15.
Artikel 5 bepaalde dat voor het lopende verkoopseizoen vóór 1 april de heffing op de basisproductie en (in voorkomend geval) de B-heffing overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening moesten worden geraamd.
16.
Artikel 7 stelde de termijnen vast waarbinnen de productieheffingen moesten worden vastgesteld. Daarnaast was bepaald dat de afrekening van de verschuldigde heffingen moest worden vastgesteld, rekening houdend met de overeenkomstig artikel 5 geïnde voorschotten.
Verordening (EEG) nr. 2670/81: modaliteiten voor C-suiker
17.
Artikel 1 van verordening (EEG) nr. 2670/81 ( 17 ) bepaalde dat fabrikanten van C-suiker het bewijs moesten leveren dat de suiker zonder restitutie en zonder heffing was uitgevoerd uit de lidstaat op wiens grondgebied hij was geproduceerd. Indien niet werd bewezen dat deze C-suiker was uitgevoerd vóór 1 januari van het verkoopseizoen volgende op dat waarin hij was geproduceerd, zou de betrokken hoeveelheid suiker geacht worden op de interne markt te zijn afgezet. ( 18 )
18.
Artikel 3, lid 1, bepaalde dat in dergelijke omstandigheden een bedrag werd geheven ten laste van de suikerproducent.
Nationale wetgeving
19.
Tijdens het verkoopseizoen 1997/1998 was de Verordnung über die im Rahmen der Produktionsregelung für Zucker zu erhebenden Abgaben (besluit over de heffingen in het kader van de productieregeling voor suiker) van 7 maart 1983 (hierna: „nationale maatregel”) van toepassing.
20.
Volgens § 1, „Werkingssfeer”, was de nationale maatregel van toepassing op in het kader van de gemeenschapsregeling buiten het productiequotum geproduceerde hoeveelheden suiker en naar het volgende verkoopseizoen overgedragen hoeveelheden suiker.
21.
Overeenkomstig § 4 van de nationale maatregel moest een suikerproducent de bevoegde nationale overheidsinstantie uiterlijk op 31 januari van elk jaar zijn voorlopige suikerproductie van het lopende verkoopsseizoen meedelen en uiterlijk op 15 september van elk jaar de definitieve suikerproductie van het voorgaande verkoopseizoen.
22.
Overeenkomstig § 8 van de nationale maatregel deelde de bevoegde overheidsinstantie (op de tijdstippen overeenkomstig de toepasselijke communautaire rechtshandelingen) iedere suikerproducent een „vaststellingsbesluit” betreffende zijn voorlopige en definitieve suikerproductie in het betrokken verkoopseizoen mee. Vervolgens stelde de bevoegde overheidsinstantie bij wege van een schriftelijk besluit het (overeenkomstig § 9 berekende) te betalen voorschot op de heffingen vast voor de binnen de productiequota geproduceerde hoeveelheden suiker. Daarop werden definitieve heffingen op de binnen de A- en B-quota geproduceerde hoeveelheden suiker vastgesteld door het verschil te berekenen tussen de cijfers inzake voorlopige en definitieve suikerproductie en het voorschot op de heffingen.
23.
Overeenkomstig § 9, lid 1, punt 3, van de nationale maatregel moest de bevoegde overheidsinstantie de heffingen op de op de interne markt afgezette hoeveelheden C-suiker vaststellen.
Feiten en procesverloop
24.
Tijdens het verkoopseizoen 1997/1998 produceerde Pfeifer & Langen KG (hierna: „Pfeifer”) suiker in haar fabrieken te Elsdorf, Euskirchen, Appeldorn en Lage. Op 8 september 1998 deelde Pfeifer haar definitieve suikerproductie mee. Op 25 september 1998 vaardigde de bevoegde overheidsinstantie een vaststellingsbesluit uit betreffende Pfeifers definitieve suikerproductie voor dat verkoopseizoen.
25.
Op 4 november 1999 startte de bevoegde overheidsinstantie een onderzoek ter plaatse bij Pfeifer. Dit onderzoek werd geschorst nadat Pfeifer bezwaar had gemaakt, maar werd op 16 januari 2003 hervat. Het onderzoek betrof onder meer de productieheffing voor suiker voor het verkoopseizoen 1997/1998.
26.
In 2006 werden bijkomende hoeveelheden witte suiker (9657,4 ton in totaal) vastgesteld. Deze suiker werd behandeld als C-suiker en toegerekend aan het verkoopseizoen 1997/1998; overeenkomstig § 9, lid 3, van de nationale maatregel werd daarom een heffing van 5810857,58 EUR opgelegd. Na Pfeifers beroep heeft de bevoegde overheidsinstantie op 27 april 2010 vaststellingsbesluiten uitgevaardigd met opgave van een herzien productiecijfer van 6922,1 ton witte C-suiker en waarbij de heffing tot 4165027,57 EUR werd verlaagd.
27.
Pfeifer stelde vervolgens beroep in tegen de besluiten van 27 april 2010. Volgens Pfeifer zijn deze vaststellingsbesluiten in strijd met artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening.
28.
Aangezien dit de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreft, heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 3, lid 4, van [de uitvoeringsverordening] aldus worden uitgelegd dat deze bepaling ook toepassing vindt op de excedentaire hoeveelheden die door een overheidsinstantie a posteriori worden vastgesteld in het kader van een controle bij de producent?”
29.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door Pfeifer, de bevoegde overheidsinstantie en de Commissie. Allen hebben hun standpunt mondeling ter terechtzitting van 9 februari 2012 toegelicht.
Beoordeling
Inleidende opmerkingen
30.
Witte suiker is een homogeen product. ( 19 ) Niets onderscheidt de suikercategorieën A, B en C fysiek van elkaar. Evenmin is het mogelijk om op basis van zijn fysieke vorm de vervaardigingdatum van suiker na te gaan. Wanneer een producent suiker opslaat in silo’s die al suiker bevatten die in eerdere verkoopseizoenen werd geproduceerd, is het bijgevolg onmogelijk in verschillende verkoopseizoenen geproduceerde suiker van elkaar te onderscheiden. ( 20 )
31.
Daarom is het van belang dat berekeningssystemen voor in een bepaald verkoopseizoen geproduceerde suiker betrouwbaar en nauwkeurig zijn. ( 21 )
32.
Dat de betrokken suikerproductie de som van Pfeifers A- en B-quota voor het verkoopseizoen 1997/1998 overschreed, wordt niet betwist. De overschotten die door de bevoegde overheidsinstantie werden geconstateerd, zijn bijgevolg C-suiker voor de toepassing van artikel 24, lid 1, sub c, van de basisverordening.
33.
Ten tijde van de feiten werden geen productieheffingen opgelegd voor C-suiker (dat blijft overigens het geval voor boven de quota geproduceerde suiker in de onder verordening nr. 1234/2007 vallende regeling ( 22 )).
Het stelsel van quota en productieheffingen voor suiker
34.
Een juiste uitlegging van artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening vereist dat wordt nagegaan hoe het stelsel van quota en productieheffingen voor suiker werd toegepast tijdens het verkoopseizoen 1997/1998.
35.
In het kader van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker werd destijds financiële steun verleend voor suiker geproduceerd voor verbruik op de interne markt en voor bepaalde soorten uitvoer.
36.
Voor een bepaald verkoopseizoen was de productie van A- en B-suiker gelijk aan quota die (in beginsel) overeenstemden met de vraag op de interne markt, respectievelijk de uitvoer van excedentaire suiker met uitvoerrestituties. In de zaak British Sugar ( 23 ) wenste de verwijzende rechter te vernemen of een producent suiker als C-suiker kon aanmerken vóór hij in de loop van een verkoopseizoen daadwerkelijk een hoeveelheid suiker gelijk aan zijn A- en B-quota had geproduceerd. Volgens het Hof vereiste de basisverordening dat een producent zijn A- en B-quota bereikte voordat hij suiker als C-suiker kon aanmerken. ( 24 )
37.
Aan suikerproducenten werden heffingen opgelegd tot financiering van de kosten van de financiële steun voor de productie voor A- en B-suiker, inzonderheid voor uitvoerrestituties voor A- en B-suiker die het gemeenschapsverbruik in een bepaald verkoopseizoen oversteeg. ( 25 ) Artikel 28 van de basisverordening stelde vast hoe deze heffingen moesten worden geraamd, eerst op basis van voorlopige cijfers en vervolgens op basis van definitieve cijfers. ( 26 ) Zo werden de volgende gegevens verzameld en vastgesteld: (i) de hoeveelheid A- en B-suiker die wordt geproduceerd; (ii) de hoeveelheid suiker die voor intern verbruik in de Gemeenschap wordt verkocht; (iii) het „uit te voeren overschot”, dat wordt berekend door de in (i) bedoelde hoeveelheid te verminderen met de in (ii) bedoelde hoeveelheid; (iv) het gemiddelde verlies (of in voorkomend geval de gemiddelde opbrengst) per ton suiker bestemd voor uitvoer; (v) het bedrag dat bijgevolg moest worden gedekt door heffingen, berekend door de in (iii) bedoelde hoeveelheid te vermenigvuldigen met het in (iv) bedoelde bedrag.
38.
De basisverordening regelt nader A- en B-suiker, maar geeft enkel de essentiële beginselen voor C-suiker. C-suiker was de productie die de som van de A- en B-quota overschreed, en kon binnen de Gemeenschap niet vrij worden verhandeld. De bieten die werden gebruikt om C-suiker te produceren, kwamen niet in aanmerking voor een gegarandeerde minimumprijs. ( 27 ) De prijs ervan werd vrijelijk onderhandeld tussen producenten en telers. Suikerproducenten konden C-suiker overbrengen naar het volgende verkoopseizoen, wanneer hij als A-suiker kon worden beschouwd. Dergelijke suiker moest gedurende ten minste 12 maanden worden opgeslagen. De mogelijkheid om over te brengen was beperkt tot 20 % van het A-quotum van de producent. ( 28 ) C-suiker die niet werd overgebracht moest zonder restitutie worden uitgevoerd; bewijs van de uitvoer was vereist. Als waarde van C-suiker gold de op de wereldmarkt ervoor verkregen prijs. De betrokken producent droeg alle kosten voor de uitvoer van de door hem geproduceerde C-suiker. ( 29 )
39.
Wanneer de producent geen bewijs van de uitvoer van C-suiker kon leveren, werd deze hoeveelheid geacht op de interne markt te zijn afgezet. ( 30 ) Artikel 3, lid 2, van verordening nr. 2670/81 bepaalde dat de betrokken lidstaat verplicht was een heffing op te leggen. Deze verordening bepaalde niet uitdrukkelijk dat de heffing kon worden gewijzigd, hoewel het evenredigheidsbeginsel dat in bepaalde omstandigheden kon eisen. ( 31 ) Bijgevolg verschilt de heffing voor C-suiker wezenlijk van de op A- en B-suiker toepasselijke productieheffingen. ( 32 )
40.
Aangezien C-suiker niet was onderworpen aan de in artikel 28 van de basisverordening vastgestelde regeling voor productieheffingen, was de bevoegde overheidsinstantie niet verplicht voor die categorie suiker gegevens te verzamelen en vast te stellen volgens de op A- en B-suiker toepasselijke regels.
41.
De basisverordening werd vervolgens ingetrokken en vervangen. De categorieën A-, B- en C-suiker worden in de nieuwe regeling niet meer gebruikt. ( 33 ) Het herziene stelsel voor suiker voorziet evenwel verder in financiële steun, gefinancierd door producenten die een heffing betalen over binnen het quotum geproduceerde suiker. Boven het quotum geproduceerde excedentaire suiker die niet naar het volgende verkoopseizoen wordt overgebracht, is nog steeds onderworpen aan een heffing, aangezien hij niet vrijelijk op de interne markt kan worden afgezet. ( 34 )
Uitlegging van artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening
42.
De verwijzende rechter wenst te vernemen of artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening vereist dat door de bevoegde overheidsinstantie vastgestelde hoeveelheden C-suiker met terugwerkende kracht worden toegewezen aan het in casu onderzochte verkoopseizoen (hier 1997/1998) of aan het verkoopseizoen waarin zij worden vastgesteld.
43.
Pfeifer voert aan dat de gestelde vraag aanzienlijke financiële gevolgen heeft voor suikerproducenten en dat zij zou moeten kunnen kiezen om suikeroverschotten over te brengen naar het verkoopseizoen volgend op dat waarin zij werden vastgesteld ( 35 ) of om de overschotten binnen de voorgeschreven termijn uit te voeren. Pfeifer erkent dat, indien de excedentaire hoeveelheden met terugwerkende kracht worden toegewezen aan het verkoopseizoen 1997/1998, overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 2670/81 daadwerkelijk een heffing zou worden opgelegd. ( 36 )
44.
Pfeifer betoogt voorts dat artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening moet worden uitgelegd in het licht van het arrest van het Hof in de zaak Hannoversche Zucker ( 37 ) en stelt dat door de bevoegde overheidsinstantie vastgestelde suikeroverschotten als gevolg van dat arrest moeten worden toegewezen aan het verkoopseizoen waarin zij zijn vastgesteld. Pfeifer stelt dat het arrest van het Hof, aangezien die zaak verkoopseizoenen van vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1009/67 betrof, a fortiori van toepassing is in de context van de daaropvolgende gemeenschappelijke marktordening voor suiker.
45.
Volgens de bevoegde overheidsinstantie, de Commissie en de verwijzende rechter is het arrest Hannoversche Zucker niet van toepassing op de onderhavige zaak. Het arrest Hannoversche Zucker betreft volgens de Commissie alleen A- en B-suiker zodat het irrelevant is in het hoofdgeding, dat C-suiker betreft. Bovendien stelt de Commissie dat het niet mogelijk is A- en B-suiker met terugwerkende kracht toe te wijzen aan verkoopseizoenen die zijn afgesloten. Dat zou leiden tot administratieve rompslomp, aangezien het onmogelijk zou zijn jaarlijkse quota en jaarlijkse voorraadopneming op elkaar af te stemmen op basis van de berekeningsperiode van een verkoopseizoen.
46.
Mijns inziens waren de omstandigheden in de zaak Hannoversche Zucker uniek. De aan die zaak ten grondslag liggende feiten betroffen verkoopseizoenen die voorafgingen aan en volgden op 1 juli 1968, de datum waarop verordening nr. 1009/67 in werking trad. ( 38 ) Hannoversche Zucker was op dat ogenblik een suikerproducent. Twee voorraadopnemingen vonden plaats: de eerste op 5 oktober 1966, de tweede op 30 september 1970. Bij de tweede voorraadopneming werd een suikeroverschot vastgesteld. Dit overschot betrof suiker waarvoor een productieheffing verschuldigd was. Het betrokken overschot werd beschouwd als (vrijwel zeker) gedeeltelijk toe te schrijven aan verkoopseizoenen vóór 30 juni 1968 en bijgevolg vóór de (bij verordening nr. 1009/67 ingevoerde) productieheffing van kracht werd. ( 39 ) De verwijzende rechter wenste te vernemen of een overschot dat aan het licht kwam na 1 juli 1968, maar was ontstaan vóór die datum, voor de berekening van de productieheffing moest worden aangerekend (i) aan de periode voorafgaand aan de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke marktordening voor suiker, (ii) aan het eerste onder deze ordening vallende verkoopseizoen (1968/69) of (iii) aan het verkoopseizoen waarin het was geconstateerd.
47.
Bij gebreke van een bepaling hierover heeft het Hof geoordeeld dat de oplossing behoorde te worden gevonden in het licht van de doelstellingen van de gemeenschappelijke marktordening in de sector suiker, rekening houdend met zowel administratieve als praktische overwegingen. ( 40 ) Het Hof merkte op dat (om technische redenen) de voorraden werden opgenomen met tussenpozen van verschillende jaren in plaats van jaarlijks. Het was bijgevolg moeilijk om met enige nauwkeurigheid het werkelijke productiejaar van het betrokken overschot te bepalen. Deze overschotten aanrekenen aan een verkoopseizoen dat voorafgaat aan het verkoopseizoen waarin zij werden vastgesteld, zou een wijziging vereisen in de definitieve productiecijfers voor die periode, niet enkel voor Hannoversche Zucker, maar ook voor de betrokken lidstaat en voor de gehele Gemeenschap. ( 41 ) Dit zou administratieve complicaties veroorzaken die in geen verhouding staan tot het beoogde effect. ( 42 )
48.
Het Hof oordeelde bijgevolg dat een na de vaststelling van het definitieve productiecijfer geconstateerde overschot voor rekening kwam van het verkoopseizoen waarin het is vastgesteld. Bijgevolg moest het overschot aan dat verkoopseizoen worden toegewezen. ( 43 )
49.
Ik ben van mening dat de onderhavige zaak verschilt van de zaak Hannoversche Zucker.
50.
In de eerste plaats zijn de bijzondere omstandigheden van 47 jaar geleden hier niet aan de orde. In de tweede plaats betrof het suikeroverschot in de zaak Hannoversche Zucker quotumsuiker (vervolgens „A- en B-suiker” volgens de basisverordening), die complexe berekeningen van de productieheffing met zich meebracht. ( 44 ) De onderhavige zaak betreft C-suiker, waarvoor geen dergelijke heffing wordt opgelegd.
51.
Er is dus in casu geen sprake van de door het Hof in het arrest Hannoversche Zucker vastgestelde bijzondere administratieve moeilijkheden.
52.
Pfeifer stelt dat artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening van toepassing is op door de bevoegde overheidsinstantie vastgestelde suikeroverschotten en dat de excedentaire suiker moet worden toegewezen aan het verkoopseizoen waarin hij wordt vastgesteld. Ter terechtzitting voerde Pfeifer een aantal bijkomende elementen aan ter ondersteuning van haar standpunt dat artikel 3, lid 4, van toepassing was op C-suiker. Pfeifer stelde dat het woord „suikerproductie” in de artikelen 1 en 4 van de uitvoeringsverordening verwees naar de artikelen 26 tot en met 29 van de basisverordening. Aangezien deze bepalingen van die verordening alle categorieën suiker betroffen, volgde daaruit dat A-, B- en C-suiker onder artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening vielen. Pfeifer stelde voorts dat verordening nr. 2670/81 van de Commissie in samenhang met de uitvoeringsverordening moest worden gelezen.
53.
De bevoegde overheidsinstantie voert aan dat artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening niet van toepassing is, omdat het woord „vaststelling” in de eerste zin van die bepaling („Indien na de vaststelling van de definitieve productie [...] later verschillen ten opzichte van deze cijfers worden geconstateerd [...]”) verwijst naar de door de suikerproducent vastgestelde definitieve productie, niet naar de door de bevoegde overheidsinstantie na een onderzoek bevestigde definitieve suikerproductie.
54.
De Commissie betoogt dat artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening niet van toepassing is op de vaststelling van de definitieve productie van C-suiker. Zij stelt dat, hoewel sommige bepalingen van de uitvoeringsverordening van toepassing zijn op alle categorieën suiker, artikel 3 van deze verordening enkel toepasselijk is op A- en B-suiker.
55.
Ik ben het eens met de Commissie.
56.
Het klopt dat de artikelen 1 en 4 van de uitvoeringsverordening verwezen naar „suikerproductie” voor de toepassing van de artikelen 26 tot en met 29 van de basisverordening. De artikelen 27, lid 3, 28, lid 7, 29, lid 5, en 39 van de basisverordening vormden evenwel de rechtsgrondslag van de uitvoeringsverordening. Al deze bepalingen (behalve artikel 39 ( 45 )) betroffen A- en B-suiker of suiker die overeenkomstig artikel 27, lid 1, van de basisverordening naar het volgende seizoen was overgebracht en aldus als A-suiker werd behandeld. Hieruit maak ik op dat de uitvoeringsverordening hoofdzakelijk strekte tot invoering van een regeling voor A- en B-suiker en niet zozeer voor C-suiker.
57.
Bovendien werd suiker na productie ingedeeld in A-, B- of C-suiker om de door de gemeenschappelijke marktordening voor suiker ingevoerde complexe financiële regeling te kunnen toepassen. ( 46 ) De indeling verliep sequentieel. Bijgevolg ontstond de C-categorie slechts nadat de A- en B-quota waren bereikt. ( 47 )
58.
Het hoeft dus niet te verbazen dat sommige bepalingen van de uitvoeringsverordening naar de totale suikerproductie verwezen. De totale hoeveelheid geproduceerde suiker moest noodzakelijkerwijze worden vastgesteld om eerst te bepalen of de A- en B-quota waren bereikt en vervolgens of de totale hoeveelheid geproduceerde suiker C-suiker deed ontstaan die de producent mogelijk naar het volgende verkoopseizoen wenste over te brengen als een deel van zijn A-quotum voor dat seizoen. Uit het vereiste van informatie over de totale suikerproductie kan niet worden afgeleid dat de uitvoeringsverordening regels bepaalde voor het bijzondere stelsel voor C-suiker. Dat deed zij niet. Deze regels zijn in wezen in verordening nr. 2670/81 van de Commissie te vinden.
59.
Artikel 3 van de uitvoeringsverordening moet worden gelezen in het kader van de verordening als geheel die op haar beurt moet worden uitgelegd binnen het in de artikelen 26 tot en met 29 van de basisverordening bepaalde stelsel van quota en productieheffingen.
60.
Volgens de preambule van de uitvoeringsverordening was het noodzakelijk gegevens inzake suikerproductie te verzamelen en vast te stellen voor elk verkoopseizoen om, aanvankelijk voorlopig, de productieheffingen vast te stellen. Voor C-suiker, waarop geen productieheffingen van toepassing waren, hoefden op grond daarvan dus geen gegevens te worden verzameld en vastgesteld.
61.
Het stelsel moest ervoor zorgen dat producenten voldeden aan hun verplichting om de productieheffing voor het betrokken verkoopseizoen zo snel mogelijk na het afsluiten van die periode te betalen. Doel was te voorkomen dat (door producenten met daaropvolgende controle door de bevoegde overheidsinstantie) bij tussenpozen voorraden werden opgenomen, hetgeen wegens het tijdsverloop tussen de suikerproductie en de vaststelling van gegevens voor de berekening van de daadwerkelijk geproduceerde A- en B-suiker zou indruisen tegen de uitdrukkelijke doelstelling.
62.
Artikel 3, lid 1, van de uitvoeringsverordening verplichtte de lidstaten derhalve de voorlopige suikerproductie van het lopende verkoopseizoen voor iedere op hun grondgebied gevestigde onderneming tegen 15 februari vast te stellen. Artikel 3, lid 3, vereiste dat de definitieve productie van suiker werd vastgesteld vóór 1 oktober van het volgende verkoopseizoen.
63.
Artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening stond aanpassing toe wanneer zich verschillen voordeden in verband met de definitieve productie voor suiker (als bedoeld in artikel 3, lid 3). Bepaald werd dat verdere aanpassing kon gebeuren indien de bevoegde overheidsinstantie een overschot constateerde dat toe te schrijven was aan een verschil in suikerproductie na een audit of onderzoek van de verklaringen van een producent.
64.
Aangezien suiker een homogeen product is, kunnen dergelijke verschillen zich voordoen als gevolg van een onoplettendheid in plaats van een onregelmatigheid vanwege de producent. In elk geval heeft de wetgever erkend dat het stelsel een zekere mate van flexibiliteit vereiste om rekening te houden met administratieve en praktische moeilijkheden bij het vaststellen van de suikerproductie. Bijgevolg bepaalde artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening dat met dergelijke verschillen rekening moest worden gehouden in het verkoopseizoen waarin zij werden geconstateerd. Er is niets bepaald over toewijzing van deze verschillen met terugwerkende kracht aan het onderzochte verkoopseizoen.
65.
Het klopt dat artikel 3 van de uitvoeringsverordening niet uitdrukkelijk bepaalde of het van toepassing was op alle categorieën suiker in de communautaire regeling of enkel op A- en B-suiker.
66.
Lezing van artikel 3 in de context van de uitvoeringsverordening in haar geheel leert mijns inziens evenwel dat het tot doel had termijnen te bepalen om de voorlopige en definitieve suikerproductie (voor elk verkoopseizoen) met betrekking tot de productie van A- en B-suiker vast te stellen.
67.
Zo bepaalde artikel 5 van de uitvoeringsverordening dat de basisproductieheffing en de B-heffing overeenkomstig artikel 28 van de basisverordening moesten worden geraamd. Voorschotten moesten op basis van de volgens artikel 3, lid 1, van de uitvoeringsverordening vastgestelde gegevens worden vastgesteld. Lidstaten moesten deze voorschotten vóór 1 mei innen. Artikel 7 bepaalde dat de basisproductieheffing en de B-heffing voor het voorafgaande verkoopseizoen vóór 1 november moesten worden vastgesteld, rekening houdend met de overeenkomstig artikel 5 reeds betaalde voorschotten. De termijnen waarbinnen de vereiste informatie moest worden verstrekt, waren niet toepasselijk op C-suiker, omdat er geen productieheffing was voor deze categorie suiker.
68.
Doel van de overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 3, verzamelde gegevens (betreffende de voorlopige en definitieve productie in een verkoopseizoen) was dus de nakoming van de verplichtingen van artikel 28, leden 1 tot en met 4, van de basisverordening mogelijk te maken, wat de vaststelling en inning van de basisheffing en de B-heffing betreft. ( 48 )
69.
Mijns inziens verwijzen de woorden „vaststelling van de definitieve productie” in artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening derhalve enkel naar A- en B-suiker.
70.
De basisverordening stelde geen verplichting om de voorlopige en definitieve productie voor C-suiker vast te stellen. Volgens de gemeenschappelijke marktordening voor suiker was met betrekking tot C-suiker enkel de volgende informatie vereist: of hij daadwerkelijk was geproduceerd, of hij naar het volgende verkoopseizoen was overgebracht en of hij binnen de voorgeschreven termijn was uitgevoerd. ( 49 ) De in artikel 3, leden 1 en 3, van de uitvoeringsverordening bepaalde termijnen voor het verzamelen van gegevens waren niet van toepassing op C-suiker. Bijgevolg vereiste deze categorie suiker geen aanpassing in de zin van artikel 3, lid 4.
71.
Ten slotte zou het mijns inziens onverenigbaar zijn met de doelstelling van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker om artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening aldus uit te leggen dat het van toepassing is op C-suiker, voor zover C-suiker door producenten niet vrijelijk op de interne markt mag worden afgezet. ( 50 ) Het aanrekenen van C-suiker aan het verkoopseizoen waarin de bevoegde overheidsinstantie het bestaan ervan heeft vastgesteld, zou, zoals Pfeifer stelt, het beheer van dat stelsel kunnen ondermijnen, zoals ik hierna zal uiteenzetten.
72.
De overeenkomstig artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 van de Commissie opgelegde heffing was van toepassing bij ontstentenis van bewijs dat C-suiker was overgebracht naar het volgende verkoopseizoen of binnen de gestelde termijn was uitgevoerd. ( 51 ) Doel van deze heffing was C-suiker gelijk te behandelen als uit derde landen ingevoerde suiker. ( 52 ) Enkel in gevallen van overmacht, wanneer C-suiker was vernietigd of beschadigd zonder dat hij kon worden gerecupereerd, was voorzien in een vrijstelling van de heffing. ( 53 )
73.
Die heffing kan ook bedoeld zijn geweest als een stimulans voor de producenten om te garanderen dat de voor de productie van A- en B-suiker verzamelde en vastgestelde gegevens zo nauwkeurig mogelijk waren en tijdig aan de bevoegde overheidsinstantie werden bezorgd, om het risico op een heffing te vermijden of te beperken.
74.
De toewijzing van C-suikeroverschotten aan het jaar waarin zij worden vastgesteld, zou tot effect hebben gehad dat producenten de heffing van artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 zouden kunnen vermijden door ruim na het verstrijken van de toepasselijke tijdslimieten gebruik te maken van de mogelijkheden tot uitvoer en overbrenging. ( 54 ) Bijgevolg zou aan suikerproducenten een mate van flexibiliteit bij de verrekening van C-suiker worden toegestaan die niet was beoogd door het in de basisverordening bepaalde stelsel.
75.
Het zou bijgevolg onverenigbaar zijn met de doelstelling van artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening om die bepaling aldus uit te leggen dat zij toepasselijk zou zijn op C-suiker.
76.
Bijgevolg concludeer ik dat de door de bevoegde overheidsinstantie van een lidstaat gedurende een onderzoek vastgestelde C-suiker buiten de werkingssfeer van artikel 3 van de uitvoeringsverordening valt.
I –Conclusie
77.
Bijgevolg geef ik het Hof in overweging de door het Finanzgericht Düsseldorf gestelde vraag als volgt te beantwoorden:
„Artikel 3, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1443/82 van de Commissie van 8 juni 1982 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker is niet van toepassing op C-suiker. Bijgevolg vallen de door de bevoegde overheidsinstantie van een lidstaat met betrekking tot een onderzocht verkoopseizoen vastgestelde hoeveelheden C-suiker buiten de werkingssfeer van die bepaling.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Verordening van de Raad van 18 december 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB 1967, 308, blz. 1).
( 3 ) In deze conclusie zal ik verwijzen naar „de Gemeenschap” aangezien de toepasselijke wetgevende bepalingen deze term gebruiken.
( 4 ) Voor de sector suiker werden een aantal wijzigingen aangebracht bij verordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 359, blz. 1). De quotaregeling (die voor een overgangsperiode was ingevoerd) werd verlengd tot (in feite) 30 juni 1980 en de basisquota werden verhoogd.
( 5 ) Verordening van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4). Voor het betrokken verkoopseizoen was de basisverordening, zoals met name gewijzigd bij verordening (EG) nr. 133/94 van de Raad van 24 januari 1994 (PB L 22, blz. 7) en verordening (EG) nr. 1599/96 van de Raad van 30 juli 1996 (PB L 206, blz. 43) van toepassing. Ten tijde van de feiten omvatte de productie in de sector suiker, isoglucose en insulinestroop. Aangezien de onderhavige zaak betrekking heeft op witte suiker, zal ik niet verwijzen naar die producten.
( 6 ) Artikelen 3 tot en met 5 van de basisverordening.
( 7 ) Zie hieronder, punten 34 tot en met 41.
( 8 ) De basisverordening werd inmiddels ingetrokken en vervangen. Een herziene vorm van de quotaregeling wordt momenteel toegepast op grond van verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (Integrale-GMO-verordening) (PB L 299, blz. 1).
( 9 ) Ten tijde van de feiten bepaalde artikel 2, lid 1, eerste alinea, van verordening (EEG) nr. 65/82 van de Commissie van 13 januari 1982 houdende vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor het overbrengen van suiker naar het volgende verkoopseizoen voor suiker (PB L 9, blz. 14), zoals gewijzigd bij met name verordening (EEG) nr. 948/82 van de Commissie van 26 april 1982 (PB L 113, blz. 7), dat een bedrijf alleen suiker kon overbrengen waarvan de betrokken lidstaat had geconstateerd dat hij als B-suiker of C-suiker was geproduceerd.
( 10 ) Artikel 28, lid 1, van de basisverordening. Een verkoopseizoen werd in artikel 2 van de basisverordening omschreven als de periode van 1 juli tot 30 juni van het daaropvolgende jaar.
( 11 ) Artikel 28, lid 2, van de basisverordening.
( 12 ) Artikel 28, lid 4.
( 13 ) Zie bijvoorbeeld de in de punten 13 en 17 hieronder bedoelde uitvoeringsbepalingen.
( 14 ) Verordening (EEG) nr. 1443/82 van de Commissie van 8 juni 1982 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 158, blz. 17), zoals met name gewijzigd bij verordening (EG) nr. 392/94 van de Commissie van 23 februari 1994 (PB L 53, blz. 7), (hierna: „uitvoeringsverordening”). Zij werd ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 314/2002 van de Commissie van 20 februari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 50, blz. 40). Nu is verordening (EG) nr. 952/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad, wat betreft het beheer van de interne suikermarkt en het quotastelsel (PB L 178, blz. 39), van toepassing.
( 15 ) Zie de eerste tot en met zevende overweging van de considerans van de uitvoeringsverordening.
( 16 ) De uitvoeringsverordening trok verordening (EEG) nr. 700/73 van de Commissie van 12 maart 1973 tot vaststelling van enkele uitvoeringsbepalingen welke noodzakelijk zijn voor de toepassing van het quotasysteem in de sector suiker (PB L 67, blz. 12) in en verving ze. Artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening kwam in wezen overeen met artikel 2, lid 3, van die oudere verordening. Nu is verordening nr. 952/2006 van toepassing en artikel 22, lid 5, van die verordening komt inhoudelijk overeen met artikel 3, lid 4, van de uitvoeringsverordening.
( 17 ) Verordening van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker (PB L 262, blz. 14). Deze verordening werd ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 967/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 318/2006 met betrekking tot de productie buiten het quotum in de sector suiker (PB L 176, blz. 22).
( 18 ) Artikel 26, lid 3, van de basisverordening, samengevat in punt 7 hierboven.
( 19 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Mischo van 15 mei 2001 in de zaak British Sugar (C-101/99, Jurispr. 2002, blz. I-205, punt 45).
( 20 ) Ter terechtzitting gaf de Commissie een mooi voorbeeld van deze kwestie door te herinneren aan de fabel van „De haas en de egel”, zoals verteld door de gebroeders Grimm. Uitgedaagd tot een wedren door de haas, regelde de egel dat zijn vrouw (die niet van hem te onderscheiden viel, althans niet voor een haas) zou plaatsnemen aan de eindmeet. Toen de haas aankwam, bracht de vrouw van de egel hem in verwarring door te roepen: „Ik ben er al”. Aangezien hij de uitslag niet geloofde, liep de haas de wedstrijd opnieuw en opnieuw. De twee egels gingen door met de list en uiteindelijk viel de haas van uitputting dood. Omdat witte suiker even onmogelijk te onderscheiden valt van andere witte suiker, als de twee egels uit de fabel, zou de mogelijkheid om een bepaalde hoeveelheid C-suiker toe te rekenen aan het jaar waarin hij wordt aangetroffen („de eindmeet”) in plaats van aan het daadwerkelijke productiejaar („de start van de wedstrijd”), de producent in staat stellen zich te beroepen op artikel 27 van de basisverordening om de suiker over te brengen naar het daaropvolgende verkoopseizoen en bijgevolg de heffing te vermijden (en „de haas te verslaan” – dit wil zeggen, de goede werking van de suikermarkt te omzeilen).
( 21 ) Redelijkerwijs kan worden verwacht dat suikerproducenten de in een verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheden suiker en het bereiken van hun A- en B-quota vaststellen. Dergelijke informatie is nodig voor producenten om hun bedrijfsactiviteiten te ontplooien, voor bedrijven om hun verantwoordelijkheden tegenover hun aandeelhouders na te komen en om te voldoen aan de relevante verplichtingen uit het nationale recht om productiedocumenten bij te houden. Aangezien er geen financiële steun bestaat voor C-suiker, valt bovendien moeilijk in te zien hoe het in het belang van een producent zou zijn om suiker als C-suiker aan te merken voor de A- en B-quota zijn bereikt. Zie ook hieronder, arrest British Sugar (in punt 36) en punt 57.
( 22 ) Zie voorts hieronder, punt 41.
( 23 ) Aangehaald in voetnoot 19 hierboven.
( 24 ) Arrest British Sugar, punt 48.
( 25 ) Arrest British Sugar, punt 7.
( 26 ) Zie artikel 28, leden 1 en 2, van de basisverordening en hierboven, punt 9.
( 27 ) Anders dan A- en B-bieten gebruikt om A- en B-suiker te produceren: zie hierboven, punt 6.
( 28 ) Zie hierboven, punt 8.
( 29 ) Zie hierboven, punt 7.
( 30 ) Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2670/81.
( 31 ) In de zaak British Sugar, aangehaald in voetnoot 19 hierboven, merkte advocaat-generaal Mischo op dat de suikerproducent quotasuiker schijnbaar als C-suiker had kunnen uitvoeren omdat het nationale interventiebureau uitvoercertificaten had afgegeven, terwijl bij de aanvragen voor deze certificaten niet het bewijs was geleverd dat de betrokken suiker daadwerkelijk boven de A- en B-quota van British Sugar was geproduceerd. Hij was van mening dat het evenredigheidsbeginsel in deze omstandigheden kon vereisen dat de heffing werd gewijzigd: zie de punten 86 tot en met 89 van zijn conclusie. In zijn arrest heeft het Hof over deze kwestie niet moeten oordelen, gelet op de andere antwoorden die het de nationale rechter had gegeven.
( 32 ) Zie hieronder, punt 47 en voetnoot 41.
( 33 ) Zie hierboven, voetnoot 8.
( 34 ) Zie hoofdstuk III van verordening nr. 1234/2007, inzonderheid artikel 55.
( 35 ) In welk geval hij dan als A-suiker zou kunnen worden beschouwd en verkocht op de interne markt (zie hierboven, punt 8).
( 36 ) Zie hierboven, punten 7 en 17.
( 37 ) Arrest van 30 januari 1974 (159/73, Jurispr. blz. 121).
( 38 ) De datum waarop de gemeenschappelijke marktordening voor suiker werd ingevoerd en de door de productieheffingen, betaald door de gezamenlijke producenten van de Gemeenschap, gefinancierde quotaregeling werd ingesteld (zie hierboven, punten 2 en 34 tot en met 41).
( 39 ) Arrest Hannoversche Zucker, aangehaald in voetnoot 37 hierboven, punt 2.
( 40 ) Arrest Hannoversche Zucker, punt 4.
( 41 ) Volgens de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker werden de productieheffingen berekend op basis van de suikerproductie binnen de gehele Gemeenschap en dan toegewezen aan de lidstaten die ze verdeelden onder de suikerproducenten binnen hun respectieve grondgebieden. Een wijziging van de definitieve productiecijfers zou bijgevolg herberekeningen voor elke suikerproducent in de Gemeenschap met zich meebrengen.
( 42 ) Arrest Hannoversche Zucker, punt 5.
( 43 ) Arrest Hannoversche Zucker, punt 6.
( 44 ) Zie hierboven, punt 2.
( 45 ) Artikel 39 vereiste enkel dat de lidstaten en de Commissie elkaar de voor de toepassing van de basisverordening benodigde gegevens verstrekten.
( 46 ) Arrest British Sugar, punten 40 tot en met 43.
( 47 ) Arrest British Sugar, punt 44.
( 48 ) Zie hierboven, punt 9.
( 49 ) Zie hierboven, respectievelijk punten 7, 8 en 17.
( 50 ) Artikel 26, lid 1, van de basisverordening.
( 51 ) Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2670/81.
( 52 ) Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81.
( 53 ) Artikel 3, lid 4, van verordening nr. 2670/81.
( 54 ) Zie artikelen 26 en 27 van de basisverordening en hierboven, voetnoot 20 (de fabel van de haas en de egel).
Full & Egal Universal Law Academy