CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
N. JÄÄSKINEN
van 24 mei 2012 ( 1 )
Zaak C-170/11
Maurice Robert Josse Marie Ghislain Lippens, Gilbert Georges Henri Mittler, Jean Paul François Caroline VotrontegenHendrikus Cornelis Kortekaas,Kortekaas Entertainment Marketing BV,Kortekaas Pensioen BV,
Dirk Robbard De Kat,Johannes Hendrikus Visch,Euphemia Joanna Bökkerink,
Laminco GLD N-A,Ageas NV, voorheen Fortis NV
(verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing)
„Justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken — Bewijsverkrijging — Verordening (EG) nr. 1206/2001 — Materiële werkingssfeer — Horen door rechter van ene lidstaat van in andere lidstaat woonachtige getuigen — Getuigen die tevens partij zijn in bodemprocedure — Dwangmaatregelen — Eventuele verplichting tot gebruik van in die verordening voorziene methoden van bewijsverkrijging dan wel bevoegdheid om gebruik te maken van methoden van procesrecht van lidstaat waarin betrokken rechter zetelt — Eventuele restwerking van nationaal recht”
I – Inleiding
1.
In deze zaak wordt het Hof verzocht om uitlegging van verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van de bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken. ( 2 ) De verwijzende rechter vraagt in het bijzonder naar de uitlegging van artikel 1, lid 1, van deze verordening, waarin de materiële werkingssfeer ervan is omschreven middels de vermelding van de twee methoden van justitiële samenwerking waarvan een rechter van een lidstaat ( 3 ) gebruik kan maken wanneer hij in een andere lidstaat een handeling tot het verkrijgen van bewijs wenst te verrichten.
2.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden in het kader van een vordering in een bodemprocedure voor een Nederlands gerecht tegen in België woonachtige verweerders, ten aanzien van wie het houden van een voorlopig getuigenverhoor was verzocht door verzoekers. Hoewel de betrokkenen de wens tot uiting hebben gebracht om in het Frans te worden gehoord in het land waar zij wonen, middels een verzoek van het aangezochte gerecht aan de Belgische justitiële autoriteiten overeenkomstig verordening nr. 1206/2001, heeft het gerecht dit verzoek afgewezen en verklaard dat het verhoor in Nederland diende plaats te vinden middels een oproeping tot verschijning van getuigen onder toepassing van het nationale procesrecht.
3.
In deze context wordt het Hof verzocht zich erover uit te spreken of het gerecht van een lidstaat dat een getuige wenst te horen, in casu een partij in het geding, die op het grondgebied van een andere lidstaat woont, verplicht is om gebruik te maken van de bij verordening nr. 1206/2001 ingestelde onderzoeksmethoden dan wel of het de mogelijkheid heeft om de methoden te blijven gebruiken die zijn voorzien in de procedurevoorschriften die gelden in de lidstaat waarin het zetelt, eventueel onder gebruikmaking van de dwangmiddelen wanneer de getuige niet meewerkt. Vastgesteld moet dus worden, hetgeen niet eerder is gebeurd, of verordening nr. 1206/2001 het verzoek tot bewijsverkrijging van de ene aan de andere lidstaat op exclusieve en uitputtende wijze regelt dan wel of zij ruimte laat voor andere wegen om toegang tot dergelijk bewijs te krijgen.
II – Toepasselijke bepalingen
A – Verordening nr. 1206/2001
4.
In de considerans van verordening nr. 1206/2001 is het volgende bepaald:
„[...]
(2)
Ter wille van de goede werking van de interne markt moet de samenwerking tussen de gerechten op het gebied van bewijsverkrijging worden verbeterd, en in het bijzonder worden vereenvoudigd en bespoedigd.
[...]
(7)
Aangezien het voor een rechterlijke beslissing in een burgerlijke of handelszaak in een bepaalde lidstaat vaak nodig is dat in een andere lidstaat bewijs wordt verkregen, kan de Gemeenschap zich niet beperken tot de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, zoals geregeld in verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken.[ ( 4 ) ] Daarom moet de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging versterkt worden.
(8)
Voorwaarde voor de doeltreffendheid van gerechtelijke procedures in burgerlijke en handelszaken is, dat de verzending en uitvoering van verzoeken om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten rechtstreeks en langs de snelste kanalen tussen de gerechten van de lidstaten verlopen.
[...]
(15)
Om de bewijsverkrijging te vergemakkelijken, moet het voor een gerecht van een lidstaat mogelijk zijn om overeenkomstig zijn nationale wet een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te verrichten, mits dit door de andere lidstaat wordt aanvaard en onder de door het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat bepaalde voorwaarden.”
5.
Artikel 1, leden 1 en 2, van verordening nr. 1206/2001 luidt:
„1. Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat:
a)
het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt, een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten; of
b)
verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.
2. Er mag geen verzoek worden gedaan met het doel partijen in staat te stellen, zich bewijs te verschaffen dat niet bestemd is voor gebruik in een reeds aanhangige of in een voorgenomen procedure.”
6.
In de artikelen 10 tot en met 16, in afdeling 3 van deze verordening, zijn de methoden vastgesteld voor het verrichten van de handeling tot het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht (zogeheten „indirecte” samenwerkingsmethode).
7.
Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1206/2001 preciseert dat „het aangezochte gerecht het verzoek overeenkomstig zijn nationale wet uit[voert]”.
8.
Volgens artikel 11, lid 1, van deze verordening vindt de indirecte uitvoering plaats in aanwezigheid en met deelneming van de partijen, onder de volgende voorwaarden:
„Indien de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht daarin voorziet, hebben de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers het recht aanwezig te zijn bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht.”
9.
Artikel 13 van deze verordening staat in de volgende bewoordingen toe dat in het kader van de indirecte methode van uitvoering van een handeling tot het verkrijgen van bewijs gebruik wordt gemaakt van dwangmaatregelen:
„Voor zover nodig past het aangezochte gerecht bij de uitvoering van het verzoek de daartoe passende dwangmaatregelen toe waarin de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht voorziet, in de gevallen en in de mate waarin het daartoe verplicht zou zijn bij de uitvoering van een soortgelijk verzoek van de autoriteiten van de eigen staat of van een belanghebbende partij.”
10.
Artikel 17 van de verordening, dat de rechtstreekse uitvoering van de handeling tot het verkrijgen van bewijs door het verzoekende gerecht regelt (zogeheten „rechtstreekse” methode van samenwerking), bepaalt:
„1. Wanneer een gerecht verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten, dient het daartoe [...] een verzoek in bij het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van die staat [...].
2. Een handeling tot het verkrijgen van bewijs kan alleen rechtstreeks worden verricht indien zij vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd.
Indien de rechtstreekse verrichting van een handeling tot het verkrijgen van bewijs inhoudt dat een persoon wordt verhoord, stelt het verzoekende gerecht die persoon ervan in kennis dat de handeling vrijwillig wordt verricht.
3. De handeling tot het verkrijgen van bewijs wordt verricht door een rechterlijk ambtenaar of door een andere persoon, zoals een deskundige, die overeenkomstig de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht wordt aangewezen.
[...]”
B – Nationaal recht
11.
In Nederland is het (voorlopige) getuigenverhoor geregeld in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: „Rv”). ( 5 )
12.
In artikel 164 Rv is bepaald:
„1. Ook partijen kunnen als getuige optreden.
[...]
3. Indien een partij die gehouden is als getuige een verklaring af te leggen, niet ter terechtzitting verschijnt, niet antwoordt op de haar gestelde vragen of weigert haar verklaring te ondertekenen, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.”
13.
Artikel 165, lid 1, Rv bepaalt dat „eenieder, daartoe op wettige wijze opgeroepen, [...] verplicht [is] getuigenis af te leggen.”
14.
Artikel 176, lid 1, Rv luidt als volgt:
„Voor zover bij verdrag of EG-verordening niet anders is bepaald, kan de rechter, indien een getuige in het buitenland woont, aan een door hem aan te wijzen autoriteit van het land waar de getuige zijn woonplaats heeft, verzoeken het verhoor, indien mogelijk onder ede, te houden, of dat verhoor opdragen aan de Nederlandse consulaire ambtenaar tot wiens ressort de woonplaats van die getuige behoort.”
15.
In artikel 186 Rv heet het:
„1. In de gevallen waarin bij de wet het bewijs door getuigen is toegelaten, kan, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van de belanghebbende onverwijld een voorlopig getuigenverhoor worden bevolen.
2. Tijdens een reeds aanhangig geding kan de rechter op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor bevelen.”
16.
Artikel 189 Rv bepaalt dat „de bepalingen omtrent het getuigenverhoor [van overeenkomstige toepassing] zijn op het voorlopig getuigenverhoor [...]”.
III – Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procesverloop voor het Hof
17.
Op 3 augustus 2009 hebben verschillende houders ( 6 ) (hierna: „Kortekaas e.a.”) van effecten van de onderneming Fortis NV ( 7 ) bij de Rechtbank Utrecht (Nederland) een procedure ingeleid tegen drie in België woonachtige leden van het bestuur van deze onderneming ( 8 ) (hierna: „Lippens e.a.”) en tegen deze onderneming zelf, opdat zij zouden worden veroordeeld aan hen schadevergoeding te betalen wegens onrechtmatige daad.
18.
In het kader van deze bodemprocedure hebben Kortekaas e.a. op 6 augustus 2009 bij de Rechtbank Utrecht een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor van Lippens e.a. over hun uitlatingen. Bij beschikking van 25 november 2009 heeft deze rechter dit verzoek ingewilligd onder precisering dat het getuigenverhoor door een daartoe aangewezen rechter-commissaris zou worden verricht.
19.
Op 9 december 2009 hebben Lippens e.a. de Rechtbank Utrecht verzocht een rogatoire commissie in te stellen opdat zij in België door een Franstalige rechter konden worden gehoord. Dit verzoek is afgewezen bij beschikking van 3 februari 2010.
20.
Het Gerechtshof te Amsterdam, waarbij Lippens e.a. hoger beroep hadden ingesteld, heeft die beschikking bij uitspraak van 18 mei 2010 bevestigd, waarbij het zich baseerde op artikel 176, lid 1, Rv, dat de Nederlandse rechter die een in het buitenland wonende getuige dient te horen die niet vrijwillig voor hem wil verschijnen, de bevoegdheid verleent, en niet de verplichting oplegt, om een rogatoire commissie in te stellen. Het Gerechtshof te Amsterdam preciseerde dat getuigen in beginsel moeten worden gehoord door het gerecht waarbij de bodemprocedure aanhangig is en dat er in casu geen sprake is van bijzondere omstandigheden die er een rechtvaardiging voor zouden kunnen vormen dat ten behoeve van Lippens e.a. van deze regel wordt afgeweken, met name gezien het verzet van Kortekaas e.a. Het voegde daaraan toe dat een verhoor in België niet kan worden gelegitimeerd door taalredenen omdat Lippens e.a. zich tijdens hun verhoor in Nederland kunnen laten bijstaan door een Franstalige tolk.
21.
Lippens e.a. hebben tegen deze uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.
22.
De verwijzende rechter is van oordeel dat verordening nr. 1206/2001 zich er niet tegen verzet dat een gerecht van een lidstaat overeenkomstig de in die lidstaat geldende procedurevoorschriften een in een andere lidstaat wonende getuige oproept voor hem te verschijnen en in geval van weigering om te verschijnen daaraan de volgens die voorschriften toegestane consequenties verbindt. Volgens hem nopen noch de tekst noch de punten 2 en 5 van de considerans ( 9 ) van verordening nr. 1206/2001 tot de opvatting dat de in die verordening voorziene methoden van bewijsverkrijging uitsluiten dat gebruik wordt gemaakt van andere juridische instrumenten. Hij meent dat die verordening slechts een faciliterende functie vervult en de lidstaten niet ertoe verplicht de in hun nationale procesrecht voorziene wijzen van bewijsverkrijging te wijzigen.
23.
Voorts verwijst deze rechter naar het op 18 maart 1970 te ’s-Gravenhage gesloten Verdrag inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en handelszaken, waarvoor verordening nr. 1206/2001, wat de elf lidstaten betreft waarvoor dat verdrag gold, in de plaats is gekomen. ( 10 ) Hij beklemtoont dat discutabel is of dit verdrag exclusieve werking heeft dan wel ruimte laat voor ander instrumenten, zoals de Supreme Court van de Verenigde Staten heeft geoordeeld. ( 11 ) De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat een arrest van het Hof van Justitie er daarentegen op lijkt te wijzen dat verordening nr. 1206/2001, volgens de door de verwijzende rechter gebruikte woorden, wel „exclusieve werking” toekomt. ( 12 )
24.
Daarop heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet [verordening nr. 1206/2001], in het bijzonder artikel 1, lid 1, daarvan, aldus worden uitgelegd dat de rechter die een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen, voor deze vorm van bewijsverkrijging steeds gebruik moet maken van de door [deze] verordening in het leven geroepen methoden, of is hij bevoegd gebruik te maken van de methoden voorzien in zijn eigen nationale procesrecht zoals oproeping van de getuige voor hem te verschijnen?”
25.
Het verzoek van de Hoge Raad der Nederlanden om een prejudiciële beslissing is op 7 april 2011 ter griffie van het Hof ingeschreven.
26.
Schriftelijke opmerkingen zijn bij het Hof ingediend door Lippens e.a., de Nederlandse, de Tsjechische, de Duitse, de Oostenrijkse, de Poolse en de Finse regering alsmede door de regering van het Verenigd Koninkrijk en door de Europese Commissie.
27.
In een bijlage bij de aan partijen en andere belanghebbenden gerichte brief met de oproep voor de terechtzitting, heeft het Hof in de volgende bewoordingen ter terechtzitting te beantwoorden vragen gesteld:
„1)
Aangenomen dat het het bevoegde gerecht is toegestaan om krachtens zijn nationale recht een in een andere lidstaat wonende getuige op te roepen, kan dat gerecht dan, wanneer de getuige geen gehoor geeft aan een dergelijke oproep, de in zijn nationale recht voorziene dwangmaatregelen toepassen? Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, dient het nationale gerecht het getuigenverhoor dan af te nemen volgens de methodes die zijn voorzien in verordening [nr. 1206/2001]?
2)
Aangezien het in casu gaat om een verhoor van een getuige die tevens partij is, wordt partijen verzocht zich uit te spreken over de vraag of die omstandigheid in aanmerking moet worden genomen teneinde de prejudiciële vraag te beantwoorden. Alle lidstaten wordt verzocht zich tevens uit te spreken over de vraag welke gevolgen het invoeren van een dergelijke differentiatie in het kader van verordening nr. 1206/2001 zou kunnen hebben voor hun respectieve nationale rechtsstelsels.”
28.
Ter terechtzitting van 7 maart 2012 hebben Lippens e.a., de Nederlandse, de Tsjechische, de Duitse, de Ierse en de Finse regering alsmede de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
IV – Bespreking
A – Belang van de zaak
29.
Elk gerecht van een lidstaat kan zijn bevoegdheden slechts uitoefenen en zijn „imperium”, dat wil zeggen zijn uitvoerende macht, slechts gebruiken binnen de grenzen van zijn relatieve competentie. Op deze regel bestaat een uitzondering waar het gaat om maatregelen van instructie, die het op het gehele nationale grondgebied ten uitvoer kan leggen. Niettemin kan een gerecht, vanwege het territorialiteitsbeginsel in het internationale recht, dat verband houdt met de staatssoevereiniteit, niet optreden in een andere lidstaat om dergelijke maatregelen ten uitvoer te leggen.
30.
Zoals duidelijk blijkt uit de considerans van verordening nr. 1206/2001 „[is] het voor een rechterlijke beslissing in een burgerlijke of handelszaak in een bepaalde lidstaat vaak nodig is dat in een andere lidstaat bewijs wordt verkregen [en is het dus nuttig] de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging [te versterken]”. ( 13 ) Deze verordening beantwoordt aldus aan een groeiende behoefte binnen de Europese Unie om bewijs te kunnen vergaren in een andere lidstaat dan die waarin een procedure is ingeleid of ingeleid kan worden ( 14 ), wanneer het geding een buitenlands aspect heeft.
31.
Daar het begrip „handeling tot het verkrijgen van bewijs” in de zin van verordening nr. 1206/2001 daarin niet is omschreven, is het Hof reeds eerder verzocht het middels uitlegging te omlijnen. ( 15 ) Mijns inziens valt niet te ontkennen dat een verhoor van een getuige, zoals is voorgenomen in het hoofdgeding, daaronder valt. ( 16 )
32.
Het hoofddoel van verordening nr. 1206/2001 is te bepalen hoe een gerecht van een lidstaat eenvoudiger en spoediger ( 17 ) bewijzen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, kan verkrijgen met medewerking van de autoriteiten van laatstbedoelde lidstaat. Dat gerecht beschikt daarvoor over twee methoden van wederzijdse rechtshulp, waarvan de inhoud beknopt is weergegeven in artikel 1, lid 1, van die verordening:
—
hetzij een indirecte methode van bewijsverkrijging, als voorzien in de artikelen 10 tot en met 16 van verordening nr. 1206/2001, volgens welke het gerecht van lidstaat A (het zogeheten „verzoekende gerecht” ( 18 )) een gerecht van lidstaat B (het zogeheten „aangezochte gerecht”) verzoekt het verrichten van de gewenste handelingen tot verkrijgen van bewijs op zich te nemen overeenkomstig de wettelijke regeling van lidstaat B, eventueel middels dwangmiddelen overeenkomstig artikel 13 van die verordening,
—
hetzij een rechtstreekse methode van bewijsverkrijging, als voorzien in artikel 17 van verordening nr. 1206/2001, die erin bestaat dat het gerecht van lidstaat A, of een daardoor gemachtigde persoon ( 19 ), zich naar lidstaat B begeeft om daar rechtstreeks bewijzen te verkrijgen, na instemming van de autoriteiten van deze andere staat ( 20 ), waarbij gepreciseerd dient te worden dat in dat geval elke dwang jegens de aldaar wonende getuige is uitgesloten.
33.
De verwijzende rechter wenst in wezen van het Hof te vernemen, en dit is voor het eerst, of een gerecht, wanneer het een handeling tot verkrijging van bewijs met een grensoverschrijdend aspect wenst te verrichten, zoals het verhoor van een getuige die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, verplicht is om voor een van de beide hierboven omschreven in verordening nr. 1206/2001 voorziene methoden van bewijsverkrijging te kiezen, te weten de indirecte uitvoering van de handeling middels een aangezocht gerecht of de rechtstreekse uitvoering van de handeling door het verzoekende gerecht, zoals alleen Lippens e.a. voor het Hof betogen, dan wel of dat gerecht de methoden van het nationale procesrecht van de lidstaat waarin het zetelt mag toepassen. Dit verzoek om een prejudiciële beslissing vereist een definitie van de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1206/2001.
34.
Andere problemen vloeien impliciet voort uit de motivering van de verwijzingsbeschikking alsmede uit de vragen die door het Hof voor beantwoording ter terechtzitting zijn gesteld. Deze hebben betrekking op bepaalde praktische consequenties van de uitlegging die in het te verwachten arrest zal worden gegeven, te weten enerzijds de eventuele mogelijkheid voor het gerecht dat het verhoor vraagt om gebruik te maken van dwangmaatregelen of nadelige maatregelen ( 21 ) indien de in een andere lidstaat woonachtige getuige weigert een getuigenverklaring af te leggen, en anderzijds de eventuele invloed van het feit dat de te horen getuige een partij in het geding is.
35.
Uit de rechtspraak van het Hof volgt geen duidelijk antwoord op de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter.
36.
Er zijn immers enkel toespelingen te vinden in het in de verwijzingsbeschikking bedoelde arrest St. Paul Dairy, dat de uitlegging van de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid in het Executieverdrag betreft en waarin verordening nr. 1206/2001 slechts als obiter dictum wordt genoemd ( 22 ), zonder de aan het Hof in de onderhavige zaak voorgelegde problematiek te beslechten. Hetzelfde geldt voor het arrest Aguirre Zarraga, dat eveneens op het gebied van de rechterlijke bevoegdheid is gewezen, en waaruit kan worden opgemaakt dat het nationale gerecht ervoor zou mogen kiezen om al dan niet gebruik te maken van de instrumenten van verordening nr. 1206/2001. ( 23 ) Gelet op de bijzonderheden van deze twee arresten, die niet de uitlegging van deze verordening betroffen, maar van teksten met een geheel ander voorwerp en andere werkingssfeer ( 24 ), ook al zijn zij eveneens gericht op de totstandbrenging van een Europese rechtsruimte, moet het Hof zich hier meer in concreto uitspreken over de voorwaarden waaronder een gerecht verplicht is deze verordening toe te passen.
37.
Het enige arrest dat bij mijn weten door het Hof ( 25 ) is gewezen met betrekking tot de uitlegging van verordening nr. 1206/2001 zelf, biedt volgens mij geen nuttige gezichtspunten voor de uitspraak in de onderhavige zaak. ( 26 )
38.
Ik preciseer meteen dat mijns inziens, en naar opvatting van de meeste interveniënten, een gerecht van een lidstaat, wanneer het bewijzen uit een andere lidstaat tracht te verkrijgen, slechts in bepaalde situaties, en niet systematisch, verplicht is om de instrumenten van verordening nr. 1206/2001 te hanteren, en wel om de redenen die ik hieronder zal uiteenzetten.
B – Materiële toepasselijkheid van verordening nr. 1206/2001
39.
Aan de hand van de bewoordingen van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1206/2001, waarvan de verwijzende rechter in het bijzonder de uitlegging vraagt, kan ten dele een antwoord worden gegeven op de vraag of aan de twee daarin genoemde methoden van grensoverschrijdende bewijsverkrijging al dan niet een ruime toepassing moet worden gegeven, te weten in alle gevallen waarin, in burgerlijke en handelszaken, een buitenlandse factor, zoals in casu de woonplaats van de getuige, het betrokken bewijsmiddel verbindt met een andere lidstaat.
40.
Door als voorafgaande voorwaarde „wanneer het gerecht van een lidstaat [...] verzoekt” ( 27 ) te vermelden, beperkt dit artikel mijns inziens de materiële werkingssfeer van verordening nr. 1206/2001 tot de twee precieze gevallen die daarin vervolgens worden genoemd. Het behoudt de toepasselijkheid ervan aldus voor aan gevallen waarin hetzij de medewerking van een gerecht „van een andere lidstaat” volgens de rechter die de handeling tot verkrijgen van bewijs tracht te verrichten noodzakelijk is, hetzij die rechter zelf een dergelijke handeling wenst te verrichten „in een andere lidstaat”. A contrario hoeft de verordening niet de situatie te regelen waarin deze rechter meent een bewijsmiddel te kunnen verkrijgen, ook al bevindt dat zich in een andere lidstaat, zonder een van deze beide wijzen van toegang tot bewijzen nodig te hebben, dat wil zeggen zonder te hoeven verzoeken om optreden van de gerechtelijke autoriteiten van die lidstaat of zich daarheen te hoeven begeven.
41.
Zo vermelden ook de punten 7 en 15 van de considerans van verordening nr. 1206/2001 dat deze ertoe strekt een gerecht van een lidstaat in staat te stellen handelingen ter verkrijging van bewijs te verrichten „in een andere lidstaat”, en niet op het nationale grondgebied, zoals het Nederlandse gerecht in het hoofdgeding wenst te doen door de getuige op te roepen voor hem te verschijnen.
42.
Op grond van een teleologische, en niet alleen een letterlijke uitlegging, voeg ik daaraan toe dat punt 2 van de considerans van die verordening verklaart dat deze tot doel heeft „de samenwerking tussen de gerechten [van de lidstaten] op het gebied van bewijsverkrijging [te verbeteren], en in het bijzonder [te vereenvoudigen en te bespoedigen]”, welk doel in punt 7 in fine van de considerans wordt herhaald. Ook de titel van verordening nr. 1206/2001 maakt duidelijk dat deze uitsluitend tot doel heeft om mechanismen in te stellen die de „samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten” vergemakkelijken, en niet om middels uniformisering een einde te maken aan de in de lidstaten geldende wijzen van bewijsverkrijging. Wanneer een dergelijke samenwerking niet absoluut noodzakelijk is of door een gerecht niet gewenst is, hoeven de bij deze verordening ingestelde methoden van vereenvoudigde rechtshulp ( 28 ) mijns inziens niet te worden toegepast, zelfs niet wanneer, zoals in het hoofdgeding, de getuigen, die in casu tevens partij zijn, om toepassing daarvan verzoeken.
43.
Verordening nr. 1206/2001 heeft immers niet tot doel zich te mengen in de taak van de bevoegde rechter door beperking van diens bevoegdheid om, binnen de grenzen van de voor hem geldende regels van internationaal recht, van het Unierecht of van nationaal recht, het goede verloop van de procedure te verzekeren, maar versterkt deze bevoegdheid en verschaft daarvoor een kader opdat de rechten van de partijen worden beschermd en de prerogatieven van de andere lidstaten worden geëerbiedigd. Volgens mij heeft dit instrument tot doel de grensoverschrijdende activiteiten van de gerechten van de lidstaten te vergemakkelijken, en niet om deze te belemmeren door een beperking van de middelen waarover deze gerechten beschikken voor het verkrijgen van bewijzen.
44.
Aan de geest zelf van deze verordening zou afbreuk worden gedaan indien de verplichte toepassing ervan zou leiden tot een beperking van de mogelijkheden om bewijzen te vergaren, doordat wordt uitgesloten dat een rechter van een lidstaat de bevoegdheid heeft om gebruik te maken van alternatieve methoden voor het verzamelen van bewijzen wanneer hij daaraan de voorkeur geeft boven de middelen van de grensoverschrijdende justitiële samenwerking in verordening nr. 1206/2001. ( 29 )
45.
In dit verband herinner ik eraan dat artikel 21, lid 2, van deze verordening juncto punt 17 van de considerans ervan, preciseert dat deze verordening niet bedoelt te beletten dat twee of meer lidstaten onderling overeenkomsten of regelingen handhaven of sluiten om de bewijsverkrijging „nog meer” ( 30 ) te vergemakkelijken, mits die overeenkomsten of regelingen met deze verordening verenigbaar zijn. Dit voorbehoud toont aan dat de auteurs van verordening nr. 1206/2001 niet vijandig stonden tegenover het idee om ruimte te laten voor andere instrumenten op dit gebied, wanneer die qua waarborgen en concrete werking, gelet op de inhoud van het geding, geschikter blijken te zijn.
46.
In de praktijk kan het zijn dat in het nationale recht voorziene onderzoeksmethoden net zo doeltreffend zijn als – of zelfs meer dan – die van verordening nr. 1206/2001. Blijkens het verslag van de Commissie van 5 december 2007 waarin een balans is opgemaakt van de toepassing van verordening nr. 1206/2001 ( 31 ), worden de verzoeken krachtens deze verordening om een handeling tot verkrijging van bewijs te verrichten, volgens het verrichte empirische onderzoek ( 32 ), in een groot aantal gevallen uitgevoerd binnen een langere termijn dan die van artikel 10, lid 1, te weten 90 dagen na ontvangst ervan, en soms duurde het meer dan zes maanden. In die omstandigheden is het begrijpelijk dat het gebeurt dat een gerecht van een lidstaat kiest voor een methode waarvoor geen tussenschakels nodig zijn, zoals het rechtstreeks oproepen van een getuige om voor dat gerecht een getuigenverklaring af te leggen, teneinde de snelheid en dus de efficiëntie van de procedure die het leidt, te verzekeren.
47.
Ik preciseer dat de nuttige werking van deze verordening geenszins in het gedrang komt door een dergelijke uitlegging van de bepalingen ervan, daar zij niet bedoelt alle situaties te regelen waarin een bewijsmiddel zich in een andere lidstaat bevindt, maar enkel de situatie waarin het gerecht dat het bewijs tracht te verkrijgen, constateert dat het hulp nodig heeft van de autoriteiten van een andere lidstaat. In dit laatste geval moet het kiezen tussen hetzij de weg van de indirecte bewijsverkrijging, die het nadeel heeft dat men voor juiste uitvoering van de handeling afhankelijk is van het aangezochte gerecht en die meebrengt dat niet de rechter die de uitspraak moet doen zelf de getuige zal horen ( 33 ), hetzij de weg van de rechtstreekse bewijsverkrijging, waarvoor toestemming nodig is van de lidstaat waarin de te verkrijgen bewijzen zich bevinden ( 34 ) en waarbij de rechter de mogelijkheid wordt ontnomen om dwangmaatregelen toe te passen ( 35 ). Een uitsluitende toepassing van verordening nr. 1206/2001 zou er dan ook, op zijn minst potentieel, toe kunnen leiden dat de kwaliteit van het verhoor van getuigen die zich buiten het nationale grondgebied bevinden, soms lager is dan in de situatie waarin de verordening niet zou bestaan. Dit kan vanuit het oogpunt van het doel van deze verordening, te weten de bewijsverkrijging te vergemakkelijken, niet bevredigend worden geacht.
48.
Gelet op een en ander heeft de Europese wetgever volgens mij niet de bedoeling gehad de toepassing van de in verordening nr. 1206/2001 voorziene methoden voor justitiële samenwerking systematisch verplicht te stellen wanneer het gerecht van een lidstaat een handeling tot verkrijging van bewijs wil verrichten die verbanden met een andere lidstaat vertoont. Dit lijkt mij slechts verplicht in het geval, dat zich in het hoofdgeding niet voordoet, waarin een dergelijke handeling buiten het grondgebied van de lidstaat van het betrokken gerecht moet worden uitgevoerd. Het lijkt mij in de praktijk passend dat dit gerecht, in het belang van een goede rechtsbedeling, per geval kan beoordelen welke methode van bewijsverkrijging – van het nationale recht en van het Unierecht – het meest doeltreffend is om de bewijzen te verkrijgen die het nodig heeft om uitspraak te kunnen doen.
49.
Nu ik de redenen uiteengezet heb waarom ik, met de interveniërende lidstaten en de Commissie, van mening ben dat het gebruik van de in verordening nr. 1206/2001 voorziene methoden voor samenwerking alleen verplicht is voor het gerecht van een lidstaat die een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen, wanneer dat gerecht wenst dat hij in die andere lidstaat wordt gehoord middels een van beide methoden, maar niet wanneer dit gerecht er de voorkeur aan geeft dat hij naar zijn nationale grondgebied komt om aldaar te worden gehoord, zal ik thans overgaan tot de concrete consequenties van de aldus aan het Hof voorgestelde uitlegging, wat de twee in het verzoek om een prejudiciële beslissing genoemde bijzondere situaties betreft.
C – Twee bijzondere problemen in verband met het horen van getuigen
1. Horen van een getuige die weigert te getuigen
50.
Volgens de bewoordingen van zijn prejudiciële vraag, vraagt de verwijzende rechter het Hof niet expliciet of dwangmaatregelen ( 36 ) of nadelige maatregelen ( 37 ) door een gerecht van een lidstaat kunnen worden genomen jegens een in een andere lidstaat woonachtige getuige die geen gevolg wenst te geven aan zijn oproeping om voor de rechter te verschijnen.
51.
Deze problematiek blijkt echter uit de motivering van de verwijzingsbeschikking, omdat de Hoge Raad der Nederlanden preciseert dat hij van oordeel is dat verordening nr. 1206/2001 „zich niet [verzet] tegen aanvaarding van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter een in een andere lidstaat woonachtige getuige op te roepen voor hem te verschijnen, en [...] zich evenmin ertegen [verzet] dat de rechter aan het niet-verschijnen van de getuige de in zijn nationale procesrecht voorziene consequenties verbindt”. ( 38 )
52.
Vooraf constateer ik dat deze problematiek niet overeenkomt met de in de praktijk zonder twijfel veel frequentere situatie waarin de in een andere lidstaat wonende getuige spontaan aanvaardt zich te verplaatsen om voor het gerecht dat hem heeft opgeroepen, zijn getuigenverklaring af te leggen. Aangezien de meewerking aan de handeling tot het verkrijgen van bewijs in dat geval vrijwillig gebeurt, hoeven de in verordening nr. 1206/2001 voorziene mechanismen van justitiële samenwerking geen toepassing te vinden.
53.
Niettemin moet in het geval waarin een getuige zonder geldige reden ( 39 ) weigert door het bevoegde gerecht te worden gehoord en dit gerecht vasthoudt aan zijn voornemen om hem te horen, onderscheid worden gemaakt tussen twee situaties.
54.
Enerzijds kan het bevoegde gerecht, wanneer het, zoals het Nederlandse gerecht in het hoofdgeding wenst te doen, op het grondgebied van de lidstaat waar het zetelt een in een andere lidstaat woonachtige getuige wil horen, slechts binnen de uit het internationaal publiekrecht voortvloeiende beperkingen gebruikmaken van dwangmaatregelen tegen de betrokkene. ( 40 ) Uit de ter terechtzitting gevoerde discussies blijkt dat de interveniërende lidstaten allen het standpunt te delen dat het niet mogelijk is dergelijke maatregelen te treffen jegens een getuige die zich buiten het nationale grondgebied bevindt, behalve in bijzondere gevallen ( 41 ) of wanneer dit is toegestaan op grond van een bilaterale overeenkomst tussen de twee betrokken lidstaten.
55.
Wat het Unierecht betreft, dit bevat in de huidige stand ervan geen voorschriften die deze kwestie regelen. De algemene beginselen van het Unierecht, zoals het evenredigheidsbeginsel, beperken op dit vlak echter de handelingsmarge van de lidstaten.
56.
Anderzijds, indien het horen van een getuige dient te geschieden op het grondgebied van de lidstaat waarin hij woont, omdat de betrokkene weigert te verschijnen voor het gerecht van een andere lidstaat, die van dat verhoor niet wil afzien, is deze andere lidstaat verplicht gebruik te maken van een van de in verordening nr. 1206/2001 voorziene bewijsverkrijgingsmethoden, de ene rechtstreeks de andere indirect, zoals ik hierboven heb uiteengezet.
57.
In het geval waarin dat gerecht zelf in het buitenland de handeling tot verkrijging van bewijs zou willen verrichten, middels de zogeheten „rechtstreekse” methode, kan het dit slechts doen indien dit „vrijwillig” en „zonder dwangmaatregelen” kan gebeuren, overeenkomstig artikel 17, lid 2, van die verordening, hetgeen uitsluit dat de getuige tot dat rechtstreekse verhoor kan worden gedwongen, tenzij er samenwerkingsverdragen tussen de betrokken lidstaten bestaan.
58.
Wanneer daarentegen de uitvoering van de handeling wordt overgelaten aan een gerecht van de lidstaat waarin de getuige woont, is het op grond van artikel 13 van deze verordening toegestaan dat „het aangezochte gerecht bij de uitvoering van het verzoek de daartoe passende dwangmaatregelen toe[past] waarin de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht voorziet, in de gevallen en in de mate waarin het daartoe verplicht zou zijn bij de uitvoering van een soortgelijk verzoek van de autoriteiten van de eigen staat of van een belanghebbende partij”. De beslissing om een door het plaatselijke recht toegestane dwangmaatregel te treffen jegens een onwillige getuige, komt mijns inziens echter niet toe aan het gerecht waarbij de bodemprocedure aanhangig is, maar aan het aangezochte gerecht, dat moet beoordelen of dit „nodig” is in de zin van dit artikel 13 in limine. ( 42 ) Daar er voorts geen enkele sanctie is verbonden aan de weigering om dwangmiddelen toe te passen, kan die zonder concrete gevolgen blijven, hetgeen een van de grenzen van het stelsel van verordening nr. 1206/2001 aan het daglicht brengt.
59.
Een nog specialer geval van getuigenverhoor kan zich voordoen wanneer, zoals in het hoofdgeding, de betrokkene tevens partij in de bodemprocedure is.
2. Horen van een getuige die tevens partij is
60.
Volgens de vragen die het aan de interveniënten heeft gesteld, is het Hof voornemens te beoordelen of het voor de beantwoording van de prejudiciële vraag al dan niet beslissend is dat een getuige partij in het geding of een derde ten opzichte daarvan is.
61.
In dit verband is aan de lidstaten die mondelinge opmerkingen hebben ingediend, verzocht te preciseren of het feit dat in het antwoord op de prejudiciële vraag een dergelijk onderscheid zou worden gemaakt, gevolgen zou hebben voor de nationale procesvoorschriften die op hun respectieve grondgebieden gelden.
62.
Mijns inziens is het voor de beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag niet nodig op dit punt uitspraak te doen, daar de verwijzende rechter geen vraag, zelfs niet impliciet, in die zin heeft geformuleerd. Nu partijen in het hoofdgeding en de interveniërende lidstaten evenwel zijn verzocht ter terechtzitting daarop in te gaan, wens ik hierover toch enkele opmerkingen te maken.
63.
Verordening nr. 1206/2001 voorziet niet in een verschil in behandeling naargelang de als getuige te horen personen al dan niet de hoedanigheid van partij in de bodemprocedure hebben. Artikel 11 van deze verordening vermeldt, in het kader van de indirecte methode van bewijsverkrijging, alleen de eventuele aanwezigheid en deelneming van een partij, in persoon of middels een vertegenwoordiger, bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs, zoals het horen van een getuige, door het aangezochte gerecht, waarbij moet worden opgemerkt dat deze getuige een derde zou kunnen zijn maar ook de tegenpartij, nu daarin op dit punt geen onderscheid wordt gemaakt.
64.
In het geval waarin de te horen getuige een partij in het geding is en aanvaardt om daartoe voor het gerecht van een andere lidstaat te verschijnen, vindt verordening nr. 1206/2001 geen toepassing en kan het verhoor plaatsvinden indien de lex fori dit toestaat. Indien een dergelijke getuige weigert of verzuimt te verschijnen op het grondgebied van de lidstaat waarin dat gerecht zetelt, is het ook in dat geval een zaak van het nationale recht om te bepalen welke concrete consequenties het betrokken gerecht aan een dergelijke handelwijze kan verbinden, wanneer dat recht toelaat dat een partij als getuige wordt gehoord.
65.
Ik breng in herinnering dat vanuit het oogpunt van internationaal recht de rechtspositie van een getuige die tevens partij is, verschilt van die van een getuige die niet tevens partij is, nu de internationale competentie van het betrokken gerecht diens rechterlijk gezag uitbreidt, en dus diens bevoegdheid om dwangmaatregelen, zoals dwangsommen ( 43 ), te treffen jegens de partijen in het geding, zelfs indien zij in het buitenland wonen, hetgeen niet het geval is voor de andere getuigen.
66.
Wanneer dat gerecht daarentegen wenst dat een partij als getuige wordt gehoord op het grondgebied van de lidstaat waar de betrokkene woont, door hem zelf te horen of hem te laten verhoren door een gerecht van die andere lidstaat, moet een van de beide in verordening nr. 1206/2001 voorziene samenwerkingsmethoden worden gebruikt om een dergelijke grensoverschrijdende handeling tot bewijsverkrijging uit te voeren, eventueel middels de bij artikel 13 van deze verordening toegestane dwangmiddelen, op dezelfde wijze als wanneer de getuige ten opzichte van het geding een derde zou zijn.
V – Conclusie
67.
Gelet op het voorafgaande geef ik het Hof in overweging, de door de Hoge Raad der Nederlanden gestelde prejudiciële vraag als volgt te beantwoorden:
„Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken, en in het bijzonder artikel 1, lid 1, daarvan, moet in die zin worden uitgelegd dat een gerecht van een lidstaat dat een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen over een geschil dat deze materie betreft, slechts verplicht is de in deze verordening voorziene vereenvoudigde methoden van wederzijdse rechtshulp toe te passen, indien het besluit een dergelijke handeling van instructie te verrichten middels een verzoek hetzij om medewerking van het bevoegde gerecht van die andere lidstaat hetzij om toestemming om de handeling rechtstreeks op het grondgebied van die andere lidstaat te verrichten. In gevallen waarin, zoals in het hoofdgeding, een gerecht een in een andere lidstaat woonachtige getuige wenst te horen op het grondgebied van de lidstaat waarin het zetelt, heeft dat gerecht de bevoegdheid om de in zijn nationale procesrecht voorziene methoden te gebruiken, zoals bijvoorbeeld het oproepen van een getuige om voor hem te verschijnen, indien het deze methoden in het bij hem aanhangige geval voldoende doeltreffend acht.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB L 174, blz. 1.
( 3 ) In de onderhavige conclusie zal het begrip „lidstaat” verwijzen naar de lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van het Koninkrijk Denemarken, overeenkomstig artikel 1, lid 3, van verordening nr. 1206/2001.
( 4 ) PB L 160, blz. 37.
( 5 ) Ik preciseer dat de verwijzingsbeschikking alleen artikel 176, lid 1, Rv letterlijk citeert, in de versie van de wet van 26 mei 2004 (Stb. 2004, 258). De overige citaten uit het Rv zijn ontleend aan de bij het Hof in het Nederlands ingediende opmerkingen. [Rest van deze voetnoot niet relevant voor de Nederlandse versie van deze conclusie.]
( 6 ) Hendrikus Cornelis Kortekaas, Kortekaas Entertainment Marketing BV, Kortekaas Pensioen BV, Dirk Robbard De Kat, Johannes Hendrikus Visch, Euphemia Joanna Bökkerink en Laminco GLD N-A.
( 7 ) Fortis NV is tijdens het hoofdgeding Ageas NV geworden.
( 8 ) Maurice Robert Josse Marie Ghislain Lippens, Gilbert Georges Henri Mittler en Jean Paul François Caroline Votron.
( 9 ) Dit punt 5 van de considerans bevat de standaardverwijzing naar de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid overeenkomstig artikel 5, lid 3, VEU.
( 10 ) Zie punt 6 van de considerans en artikel 21, lid 1, van verordening nr. 1206/2001.
( 11 ) De verwijzende rechter haalt het arrest van 15 juni 1987, Aérospatiale (ILM 1987, blz. 1021-1045; 482 US, 522, 1987), aan, waarin die rechterlijke instantie heeft geoordeeld dat dit verdrag voorziet in procedures voor het verkrijgen van bewijzen in een andere ondertekenende staat, die voor de Amerikaanse rechters niet exclusief en bindend zijn, maar facultatief.
( 12 ) De verwijzende rechter doelt op punt 23 van het arrest van 28 april 2005, St. Paul Dairy (C-104/03, Jurispr. blz. I-3481). Ik merk in dit stadium reeds op dat dit arrest niet de uitlegging van verordening nr. 1206/2001 betreft maar de uitlegging van het op 27 september 1968 te Brussel ondertekende Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, zoals gewijzigd bij de verdragen inzake de toetreding van de nieuwe lidstaten (hierna: „Executieverdrag”).
( 13 ) Punt 7 van de considerans van verordening nr. 1206/2001.
( 14 ) Volgens artikel 1, lid 2, van deze verordening is zij zowel van toepassing op procedures waarin de bodemprocedure reeds aanhangig zijn, zoals in het onderhavige hoofdgeding, als op louter voorgenomen procedures.
( 15 ) Zie punten 40 e.v. van de conclusie van advocaat-generaal Kokott in de zaak waarin de beschikking van 27 september 2007, Tedesco, is gegeven (C-175/06, Jurispr. blz. I-7929).
( 16 ) Artikel 4, lid 1, sub e, van verordening nr. 1206/2001 noemt uitdrukkelijk „een persoon [...] verhoren”, welke formulering voldoende ruim is opdat daaronder ook het verhoor valt van een getuige die tevens partij in het hoofdgeding is. Volgens punt 8 van de praktische handleiding voor de toepassing van de verordening betreffende bewijsverkrijging, die is opgesteld door de diensten van de Commissie in overleg met het Europees Justitieel Netwerk in burgerlijke en handelszaken (hierna: „praktische handleiding”, en kan worden geraadpleegd op de volgende website: ), „[omvat h]et begrip ‚bewijs’ [...] bijvoorbeeld het horen van getuigen, partijen of deskundigen, het overleggen van documenten, verificaties, het vaststellen van de feiten, deskundig onderzoek naar het welzijn van gezin of kind”.
( 17 ) Zie punt 2 van de considerans van deze verordening.
( 18 ) Zie de definities in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 1206/2001.
( 19 ) Volgens artikel 17, lid 3, van deze verordening mag het verzoekende gerecht een rechterlijk ambtenaar of een andere persoon, zoals een deskundige, of ook volgens bovengenoemde praktische handleiding een diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger of gemachtigde aanwijzen overeenkomstig de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht.
( 20 ) Over de bevoegdheden van het centrale orgaan en/of de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de bewijzen moeten worden verkregen, zie artikel 3, leden 1 en 3, van verordening nr. 1206/2001.
( 21 ) Ik kom hieronder (zie deel C) terug op deze twee begrippen.
( 22
)
Reeds aangehaald arrest, waarvan punt 23 luidt: „Bovendien zou in omstandigheden als die van het hoofdgeding een verzoek om een getuigenverhoor kunnen worden gebruikt ter omzeiling van de regels die, onder dezelfde waarborgen en met dezelfde gevolgen voor alle justitiabelen, gelden voor de verzending en de uitvoering van een door een rechterlijke instantie van een lidstaat gedaan verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten in een andere lidstaat (zie verordening [nr. 1206/2001]”.
( 23 ) Arrest van 22 december 2010 (C-491/10 PPU, Jurispr. blz. I-14247), betreffende de uitlegging van verordening nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB L 338, blz. 1; hierna: „verordening Brussel II bis”). Punt 67 van dat arrest wijst erop dat wanneer de rechter besluit om een kind te horen, hij voor zover mogelijk en rekening houdend met het belang van het kind, gebruik moet maken van „alle middelen waarover hij krachtens zijn nationale recht beschikt, alsook van alle typische instrumenten van de grensoverschrijdende gerechtelijke samenwerking, desgevallend met inbegrip van de bij verordening nr. 1206/2001 voorziene instrumenten”.
( 24 ) Anders dan verordening nr. 1206/2001, beogen het Executieverdrag en de verordening Brussel II bis de uniformisering van de bepalingen van de lidstaten die binnen hun respectieve werkingssferen vallen, door het uitdrukkelijke verbod van restwerking van nationale regels, met name regels betreffende grensoverschrijdende bevoegdheid (zie artikel 3 van dat verdrag en artikel 6 van de verordening Brussel II bis). Voorts omvat verordening nr. 1206/2001 procedures die materies betreffen die van deze instrumenten zijn uitgesloten (zie titel I van dat verdrag en artikel 1, lid 3, van de verordening Brussel II bis).
( 25 ) Ik herinner eraan dat in bovengenoemde zaak Tedesco, in het kader waarvan het Hof voor het eerst om een uitlegging van verordening nr. 1206/2001 was verzocht, een beschikking tot doorhaling is gegeven.
( 26 ) Arrest van 17 februari 2011, Weryński (C-283/09, Jurispr. blz. I-601), over de uitlegging van de artikelen 14 en 18 van die verordening, betreft weliswaar het getuigenverhoor, maar verklaart voor recht enkel dat een verzoekend gerecht niet verplicht is om een voorschot op de aan een verhoorde getuige verschuldigde getuigenvergoeding aan het aangezochte gerecht te betalen of om deze vergoeding terug te betalen.
( 27 ) Cursivering door mij. Deze formulering stond reeds in het oorspronkelijke ontwerp van verordening nr. 1206/2001 [zie de voorbereidende besluiten, Initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland met het oog op de aanneming van een verordening van de Raad betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (2000/C 314/01)].
( 28 ) Ook advocaat-generaal Kokott heeft het bij verordening nr. 1206/2001 ingestelde systeem aangemerkt als „vereenvoudigd rechtshulpmechanisme”; zie punt 43 van haar conclusie in de reeds aangehaalde zaak Tedesco.
( 29 ) Dit standpunt dient te worden vergeleken met dat van het Hof in punt 67 van het reeds aangehaalde arrest Aguirre Zarraga.
( 30 ) Deze precisering stond niet in het bovengenoemde oorspronkelijke ontwerp van verordening nr. 1206/2001.
( 31 ) Verslag van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake de toepassing van verordening nr. 1206/2001 [COM(2007) 769 def., punt 2.1]. De Commissie merkt daarin op dat „de verordening de bewijsverkrijging [heeft] vereenvoudigd en versneld [...], hoewel er tussen de lidstaten aanzienlijke verschillen bestaan.” (punt 2.12).
( 32 ) Onderzoek naar de toepassing van verordening nr. 1206/2001, dat op verzoek van de Commissie is verricht bij meer dan 11000 vaklieden uit de 24 lidstaten waarin deze verordening van toepassing is, waarvan de in 2007 opgemaakte balans is te raadplegen op het adres: .
( 33 ) De te stellen vragen worden volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 in beginsel door het verzoekende gerecht in zijn verzoek om bewijsverkrijging geformuleerd. Voorts kan een vertegenwoordiger van dit gerecht krachtens artikel 12, lid 1, van deze verordening weliswaar aanwezig zijn, doch kan hij slechts optreden om de getuige interactief en op geïmproviseerde wijze vragen te stellen, indien het aangezochte gerecht daarmee instemt (zie bovengenoemde praktische handleiding, punten 14 en 57).
( 34 ) Hoewel volgens artikel 17, lid 5, van verordening nr. 1206/2001 de gronden voor weigering beperkt zijn, neemt dit niet weg dat zelfs indien rechtstreekse uitvoering is toegestaan, het mogelijk is dat een gerecht van de aangezochte lidstaat het getuigenverhoor controleert en ingrijpt gedurende het verloop ervan, onder toepassing van artikel 17, lid 4, tweede alinea.
( 35 ) Blijkens bovengenoemd onderzoek naar de toepassing van verordening nr. 1206/2001 kan het feit dat in dit kader geen gebruik kan worden gemaakt van dwangmaatregelen, het aantal gevallen waarin deze methode nuttig is aanzienlijk beperken (blz. 95, punt 4.1.11.1.2).
( 36 ) Om een persoon te dwingen om te komen getuigen, zou een gerecht voor burgerlijke of handelszaken gebruik kunnen maken van financiële drukmiddelen (dwangsom of andere straffen), of zelfs gijzelingsmaatregelen kunnen treffen indien de lex fori dit toestaat.
( 37 ) Het gerecht waarbij de bodemprocedure aanhangig is kan uit de weigering van een persoon om te komen getuigen afleiden dat de feiten waarover die persoon een getuigenverklaring moest afleggen, niet zijn bewezen, waardoor de partij in wiens voordeel deze getuigenverklaring zou zijn, wordt benadeeld.
( 38 ) In het Nederlandse recht artikel 164, lid 3, Rv.
( 39 ) Ik sluit uit de in artikel 14, lid 1, van verordening nr. 1206/2001 voorziene gevallen waarin het een persoon is verboden om te getuigen of daarvan is vrijgesteld, hetzij krachtens de wet (bijvoorbeeld tegen zijn echtgenoot), hetzij vanwege een geval van overmacht (zoals een gezondheidstoestand die zijn verplaatsing onmogelijk maakt).
( 40 ) Zie punt 19 e.v. van de conclusie van advocaat-generaal Darmon van 25 mei 1988 in de gevoegde zaken waarin het arrest van 27 september 1988, Ahlström Osakeyhtiö e.a./Commissie (89/85, 104/85, 114/85, 116/85, 117/85 en 125/85-129/85, Jurispr. blz. 5193) is gewezen.
( 41 ) Zo heeft de Duitse regering ter terechtzitting gesteld dat een Duits gerecht aan een in het buitenland wonende Duitse onderdaan alle in het nationale recht voorziene verplichtingen en handelingen kan opleggen. Haars inziens volgt dit uit het soevereine openbare gezag van een lidstaat over zijn staatsburgers, daar de uit de nationaliteit voortvloeiende persoonlijke band ook blijft bestaan wanneer een persoon in het buitenland woont. Zij voegde daaraan toe dat een Duits gerecht dat een dergelijke onderdaan heeft opgeroepen om voor hem te verschijnen, die persoon kan bedreigen met dwangmaatregelen voor het geval van niet-verschijning en, behalve wanneer daarvoor een legitieme reden bestaat, hem een dwangsom of zelfs gevangenisstraf kan opleggen, met dien verstande dat de tenuitvoerlegging van deze dwangmaatregelen alleen op het Duitse grondgebied kan geschieden.
( 42 ) Niettemin zou, net als bij de afwijzing van een verzoek tot het verrichten van een handeling tot het verkrijgen van bewijs, de weigering om een dwangmaatregel toe te passen uitzonderlijk moeten blijven, omdat het doel van verordening nr. 1206/2001 de vergemakkelijking van het verkrijgen van bewijzen door de ene lidstaat uit een andere is.
( 43 ) Een gerecht dat uitspraak doet in burgerlijke en handelszaken als bedoeld in verordening nr. 1206/2001, kan bij de uitvoering van materiële handelingen waarvoor de uitoefening van staatsdwang nodig is, echter geen gebruik maken van openbaar gezag buiten het grondgebied van zijn lidstaat, zoals het voorgeleiden van een in een andere lidstaat wonende partij middels de sterke arm om hem te verplichten voor dat gerecht te komen getuigen.
Full & Egal Universal Law Academy