CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
E. SHARPSTON
van 23 januari 2014 ( 1 )
Zaak C‑184/11
Europese Commissie
tegen
Koninkrijk Spanje
„Beschikkingen Commissie waarbij staatssteun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard — Maatregelen noodzakelijk ter uitvoering van beschikkingen — Arrest Hof waarin niet-nakoming lidstaat is vastgesteld — Niet-tijdige uitvoering van arrest — Financiële sanctie”
1.
In 2001 stelde de Commissie zes beschikkingen vast, waarin zij bepaalde belastingmaatregelen in de Comunidad Autónoma del País Vasco (hierna: „Baskenland”) aanmerkte als met de gemeenschappelijke markt onverenigbare staatssteun, en Spanje gelastte die steun terug te vorderen. In 2006 verkreeg de Commissie een uitspraak van het Hof, dat Spanje niet aan die beschikkingen had voldaan. De Commissie verzoekt het Hof nu vast te stellen dat Spanje dat arrest niet tijdig heeft uitgevoerd, en Spanje voor de periode van niet-uitvoering te veroordelen tot betaling van een forfaitaire som.
2.
Spanje betoogt dat de Commissie de terug te vorderen bedragen te hoog heeft geschat en dat een op te leggen sanctie in ieder geval lager moet zijn dan door de Commissie gevorderd.
Achtergrond
De steun en de beschikkingen van 2001
3.
Tussen 1994 en 1997 introduceerden de drie provincies van Baskenland – Álava, Vizcaya en Guipúzcoa ( 2 ) – twee soorten (aan bepaalde voorwaarden onderworpen) belastingmaatregelen, die tot 1999 dan wel 2000 van kracht waren: een belastingkrediet voor ondernemingen van 45 % van de investeringen, en een degressieve vermindering van de belastinggrondslag gedurende vier jaar voor nieuwe ondernemingen.
4.
Deze maatregelen werden niet aangemeld bij de Commissie. Nadat de Commissie daarvan kennis had genomen, besloot zij de procedure van artikel 88, lid 2, EG in te leiden. ( 3 ) Op 11 juli 2001 stelde zij zes beschikkingen vast. ( 4 )
5.
In elk van de gevallen oordeelde de Commissie dat de maatregel het karakter van een steunregeling had. Daar geen details van de daadwerkelijk begunstigden bekend waren, volstond het dat de potentiële begunstigden in aanmerking konden komen voor steunmaatregelen die niet in overeenstemming waren met de toepasselijke richtlijnen, richtsnoeren en kaderregelingen. ( 5 ) Voordat zij tot de vaststelling kwam dat de regelingen onrechtmatig tot uitvoering waren gebracht en onverenigbaar waren met de gemeenschappelijke markt, merkte de Commissie op dat de beschikkingen „niets afdoe[n] aan de mogelijkheid dat individuele steunmaatregelen geheel of gedeeltelijk als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kunnen worden beschouwd in functie van hun eigen kenmerken hetzij in de context van een latere beschikking van de Commissie of op grond van de vrijstellingsverordeningen”. ( 6 ) Geen van de beschikkingen bestempelde derhalve een specifieke steunmaatregel als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, en sloot evenmin de mogelijkheid uit dat bepaalde steun wel verenigbaar was. De steunregelingen werden evenwel alle onverenigbaar verklaard.
Beoordeling van de verenigbaarheid
– Regelingen inzake een belastingkrediet van 45 %
6.
De beoordelingen in de drie beschikkingen komen grotendeels overeen. ( 7 ) De steun kon worden beschouwd als steun die verband houdt met investeringen als bedoeld in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 ( 8 ), mits de grondslag ervan die investering was en een maximum ervoor was bepaald, uitgedrukt in een percentage van de investering. Het BBP per inwoner van de regio was echter te hoog voor toepassing van de regionale uitzondering van artikel 87, lid 3, sub a, EG en ten aanzien van artikel 87, lid 3, sub c, EG was het relevante maximum voor het nettosubsidie-equivalent (hierna: „NSE”) niet geëerbiedigd. Bovendien kunnen volgens de richtsnoeren alleen initiële investeringen in aanmerking komen, terwijl de regelingen ook van toepassing konden zijn op andere uitgaven. Daarnaast moest aan andere voorwaarden worden voldaan. ( 9 ) Steun die niet aan de toepasselijke criteria voldeed, was geen investeringssteun maar exploitatiesteun. Exploitatiesteun moest echter voldoen aan de criteria van de punten 4.15 tot en met 4.17 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998, en dat was hier niet het geval, aangezien de Baskische provincies geen ultraperifere regio’s waren of regio’s met een geringe bevolkingsdichtheid. De steunregelingen voldeden daarom niet aan de voorschriften inzake regionale steunmaatregelen. Bovendien kon de steun voor investeringen buiten de regio niet als regionale steun worden beschouwd, en was geen afwijking voor steun aan het midden‑ en kleinbedrijf (MKB) mogelijk omdat de steun niet was beperkt tot 7,5 % of 15 %, al naargelang het geval, van het brutosubsidie-equivalent (hierna: „BSE”). In elk geval waren bepaalde sectoren uitgesloten van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998, maar niet van de betrokken steunregelingen.
– Regelingen inzake de vermindering van de belastinggrondslag
7.
Ook in dit verband komen de beoordelingen in de drie beschikkingen grotendeels overeen ( 10 ), en zijn zij vergelijkbaar met die van de 45 %‑belastingkredietregelingen. Het BBP per inwoner was te hoog voor toepassing van de afwijking van artikel 87, lid 3, sub a, EG. Hoewel steun ten behoeve van de regionale ontwikkeling overeenkomstig artikel 87, lid 3, sub c, EG verenigbaar kon zijn, vormden de regelingen geen investeringssteun of werkgelegenheidssteun, maar exploitatiesteun. Net als bij de 45 %‑belastingkredietregelingen het geval was, voldeden echter ook deze regelingen, om dezelfde redenen, niet aan de voorschriften inzake regionale steun. De steun kon evenmin verenigbaar worden geacht voor zover deze beschikbaar was voor begunstigden onderworpen aan specifieke sectorale voorschriften, met name omdat niet was voldaan aan de voorwaarde dat de totstandkoming van nieuwe productiecapaciteit niet mocht worden bevorderd. Ten slotte was geen van de andere afwijkingen van artikel 87, lid 2, en lid 3, EG dienstig.
8.
Beide soorten belastingregelingen werden derhalve door de Commissie in hun geheel beoordeeld, niet met betrekking tot de omstandigheden waarin ze werden toegepast, maar die waarin ze konden worden toegepast.
Dispositief van de beschikkingen van 2001
9.
In elk van de beschikkingen werd in artikel 1 vastgesteld dat de betrokken steunregeling onrechtmatig tot uitvoering was gebracht en onverenigbaar was met de gemeenschappelijke markt. Ingevolge artikel 2 moest Spanje de steunregeling intrekken. Volgens artikel 3, lid 1, „neemt [Spanje] alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde en reeds onrechtmatig ter beschikking gestelde steun van de begunstigden terug te vorderen” en moest Spanje alle uitkeringen van nog niet uitbetaalde steun opheffen. Volgens artikel 3, lid 2, moest de terugvordering van de steun onverwijld geschieden, in overeenstemming met de nationale procedures voor een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging, en omvatte de terug te vorderen steun rente.
Beroepen tot nietigverklaring, hogere voorzieningen en niet-nakomingsprocedures
10.
De autoriteiten van de Baskische provincies stelden bij het Gerecht beroepen in tot nietigverklaring van de zes beschikkingen.
11.
Daar dergelijke procedures geen schorsende werking hebben, herinnerde de Commissie de Spaanse autoriteiten aan hun verplichting om de in de beschikkingen van 2001 onrechtmatig verklaarde steun terug te vorderen. Na zo’n twee jaar van corresponderen zonder definitieve uitkomst stelde de Commissie in november 2003 zes niet-nakomingsprocedures in tegen Spanje.
12.
Bij arrest van 14 december 2006 ( 11 ) verklaarde het Hof dat Spanje, door niet binnen de gestelde termijn alle maatregelen te nemen die nodig waren om aan de artikelen 2 en 3 van de zes litigieuze beschikkingen te voldoen, de krachtens die beschikkingen op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen. Spanje had met name verzuimd de nodige maatregelen te nemen om de reeds ter beschikking gestelde steun terug te vorderen. ( 12 ) De betrokken steun werd overigens in het arrest van 2006 niet gepreciseerd en de precisering ervan was tijdens de gerechtelijke procedure ook geen punt van discussie.
13.
Uit de verdere contacten december 2006 en november 2010 blijkt een verschil van mening over de hoogte van de terug te vorderen bedragen. In die periode had Spanje een deel van de steun teruggevorderd. De Commissie was verder van mening dat Spanje niet voldoende informatie verstrekte. Zij zond op 11 juli 2007 krachtens artikel 228, lid 2, EG een aanmaningsbrief, op 26 juni 2008 gevolgd door een met redenen omkleed advies, en gelastte Spanje volledig uitvoering te geven aan het arrest van 2006 binnen twee maanden, dat wil zeggen vóór 26 augustus 2008.
14.
Op 9 september 2009 verwierp het Gerecht de eerdergenoemde beroepen tot nietigverklaring. ( 13 ) De door de autoriteiten van de Baskische provincies ingestelde hogere voorzieningen werden verworpen op 28 juli 2011. ( 14 )
15.
In zijn arrest met betrekking tot de 45 %‑belastingkredietregelingen herinnerde het Hof eraan dat de Commissie, wanneer zij zich op algemene en abstracte wijze uitlaat over een staatssteunregeling, geen analyse van individuele gevallen hoeft te verrichten. Enkel bij de terugvordering van steun moet de lidstaat de individuele situatie van elke onderneming onderzoeken, met name of het toegekende voordeel de begunstigde een merkbaar voordeel had verschaft dat de mededinging kon vervalsen en het intracommunautaire handelsverkeer kon beïnvloeden. ( 15 )
Conclusies
16.
Op 18 april 2011 had de Commissie intussen het onderhavige beroep ingesteld. Op 30 oktober 2013 heeft zij haar conclusies gewijzigd, zodat zij het Hof nu in wezen verzoekt:
—
vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door geen uitvoering te geven aan het arrest van 2006, niet de verplichtingen is nagekomen die op hem rusten krachtens de beschikkingen van 2001 en artikel 260 VWEU;
—
het Koninkrijk Spanje te veroordelen tot betaling van een forfaitaire som van 64543000 EUR (een bedrag van 25817,40 EUR per dag vermenigvuldigd met de 2500 dagen gelegen tussen de uitspraak van het arrest van 2006 en 15 oktober 2013, datum waarop de bij de beschikkingen van 2001 onrechtmatig verklaarde steun volledig was teruggevorderd), alsmede
—
het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen.
Procesverloop
17.
Ook na afronding van de schriftelijke procedure bestonden aanmerkelijke verschillen tussen de stellingen van partijen met betrekking tot de toegekende, terug te vorderen, reeds teruggevorderde en nog terug te vorderen steunbedragen. Het Hof verzocht derhalve beide partijen een tabel op te stellen met de bedragen voor elk van de beschikkingen van 2001, voor elke relevante juridische kwestie en voor elke betrokken onderneming. Partijen moesten voorts exact aangeven op welke bladzijde van het dossier zij hun bedragen baseerden, waarbij erop werd gewezen dat niet duidelijk gespecificeerd bewijs mogelijk niet in aanmerking zou worden genomen. Hun antwoorden werden ontvangen in maart 2013 (hierna: „tabellen van 2013”). Aangezien ook toen nog verschillen en onduidelijkheden bestonden, zijn daarna schriftelijk vragen gesteld en beantwoord, maar ook daarmee is niet alle onduidelijkheid weggenomen.
18.
Ter terechtzitting van 10 september 2013 is partijen verzocht zich te beperken tot de door Spanje in dupliek aan de orde gestelde punten, waarop de Commissie niet alle gelegenheid had gehad om te reageren.
19.
Op 30 oktober 2013 heeft de Commissie het Hof meegedeeld dat zij had geconstateerd dat de steun in zijn geheel was teruggevorderd, met rente, en dat de laatste betaling had plaatsgevonden op 15 oktober 2013.
Beknopte weergave van de punten in geschil
20.
De Commissie stelt dat de Spaanse autoriteiten de betrokken steun niet tijdig volledig hebben teruggevorderd. Zij meent dat, in eerste instantie,
i)
die autoriteiten steun die niet aan de voorwaarden van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 voldeed, verenigbaar hebben geacht (Spanje betoogt dat de steun onder de eerdere regionale richtsnoeren of andere sectorale voorschriften viel en dat de Commissie een onjuiste uitlegging geeft aan de richtsnoeren van 1998);
ii)
die autoriteiten een vermindering van tot 100000 EUR per begunstigde hebben toegepast, terwijl de de‑minimisregels enkel van toepassing zijn wanneer het totale bedrag onder het plafond blijft (Spanje stelt dat elk bedrag aan steun onder het plafond buiten beschouwing moet blijven);
iii)
die autoriteiten met terugwerkende kracht belastingverminderingen hebben toegepast zonder vast te stellen of aan de voorwaarden voor toepassing ervan was voldaan (Spanje meent dat de verminderingen correct zijn toegepast – begunstigden die daarop eerst geen recht hadden omdat zij steun hadden genoten, kregen dat recht wel nadat de steun eenmaal was ingetrokken), alsmede
iv)
niet aan alle betalingsbevelen is voldaan (volgens Spanje heeft invordering waar mogelijk plaatsgevonden en hebben de autoriteiten zich in het geval van een faillissement als schuldeisers aangemeld).
21.
Partijen verschillen fundamenteel van mening over de nog terug te vorderen steunbedragen op de datum van het arrest van 2006 en het tijdstip dat dit beroep werd ingesteld, ofschoon zij het er nu over eens zijn dat op 15 oktober 2013 alle steun was teruggevorderd. Ten tijde van het arrest van 2006 moest volgens de Commissie nog 358 miljoen EUR plus 270 miljoen EUR aan rente worden teruggevorderd; volgens Spanje ging het om respectievelijk 120,7 miljoen EUR en 48,4 miljoen EUR. Op het moment dat het verzoekschrift in deze procedure werd ingediend, stond volgens de Commissie nog een bedrag van 321 miljoen EUR plus 248 miljoen EUR aan rente open, terwijl Spanje uitgaat van respectievelijk 60 miljoen EUR en 31 miljoen EUR.
22.
Spanje erkent dat een groot deel van de terugvordering heeft plaatsgevonden nadat dit beroep is ingesteld. Spanje benadrukt dat de litigieuze steun is teruggevorderd ter beperking van een eventueel door het Hof op te leggen sanctie, zonder evenwel te erkennen dat de betrokken steun juridisch moest worden teruggevorderd.
23.
Partijen verschillen voorts van mening over de hoogte van eventueel op te leggen sancties. De Commissie gaat bij haar berekening uit van haar mededeling betreffende de uitvoering van artikel 228 van het EG-Verdrag. ( 16 ) Spanje bepleit individuele sancties voor elk van de beschikkingen van 2001, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat Baskenland slechts 6,24 % van het BBP van Spanje uitmaakt, en lagere coëfficiënten voor de ernst en de duur worden toegepast.
Algemene en voorafgaande opmerkingen
24.
Om te beginnen komen de controverses in deze zaak voor een groot deel voort uit het feit dat de onrechtmatige steun noch in de beschikkingen van 2001 noch in het arrest van 2006 is gepreciseerd. In 2011 heeft het Hof bovendien in de hogere voorzieningen betreffende de litigieuze steun bevestigd dat de Commissie geen analyse hoeft te maken van de steun die in elk individueel geval is toegekend; het staat aan de nationale autoriteiten om bij de terugvordering de individuele situatie van elke onderneming te verifiëren en na te gaan of het toegekende voordeel de mededinging kon verstoren en de handel kon beïnvloeden. ( 17 ) Dit standpunt had de Commissie reeds aan de Spaanse autoriteiten meegedeeld op 3 oktober 2007, blijkens een verklaring van Spanje, die niet door de Commissie is betwist.
25.
Anderzijds was geen van de steunmaatregelen voorafgaand aan de uitvoering ervan aangemeld bij de Commissie. Het betrof dus „onrechtmatige steun” in de zin van verordening nr. 659/1999. ( 18 ) Het niet terugvorderen van deze steun ter uitvoering van de beschikkingen van 2001 en het arrest van 2006 vormt derhalve een voortgezette inbreuk, tenzij Spanje kan aantonen dat de steun terecht als verenigbare steun is beschouwd.
26.
Het Hof moet daarom vaststellen – ondanks het feit dat alle steun thans is teruggevorderd – hoeveel steun Spanje moest terugvorderen, en dat bedrag als uitgangspunt nemen bij de bepaling van het bedrag van de eventueel op te leggen financiële sanctie wegens de vertraging in de terugvordering.
27.
In de tweede plaats verwijt de Commissie de Spaanse autoriteiten dat zij tijdens de precontentieuze procedure enerzijds hebben verzuimd relevante inlichtingen te verstrekken dan wel deze met vertraging hebben verstrekt, en anderzijds de Commissie hebben overstelpt met irrelevante documenten. Inderdaad zijn (door beide partijen) vele tienduizenden bladzijden aan het Hof overgelegd en is het nut van een groot deel ervan in het beste geval twijfelachtig. Het Hof heeft herhaaldelijk vragen moeten stellen om enig begrip te krijgen van de tegenstrijdige cijfers waarop elk van de partijen haar argumenten baseert. Naar mijn mening is het Hof door geen van beide partijen naar behoren bijgestaan in zijn taak, die in een procedure als deze zowel feitelijke als juridische vaststellingen meebrengt. De bedragen die Spanje naar de mening van het Hof ten onrechte niet heeft teruggevorderd, bedragen waarop het zijn beoordeling van een eventueel op te leggen financiële sanctie moet baseren, zullen dan ook noodgedwongen schattingen moeten zijn.
28.
In de derde plaats heeft Spanje gebruikgemaakt van zijn recht om ingevolge artikel 16, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, deze zaak te laten behandelen door een grote kamer. Het komt mij echter voor dat een dergelijke grote formatie van het Hof – 15 rechters – misplaatst is in een zaak waarin het om zo veel feitelijke details gaat als in casu, tenzij een van de partijen een ommekeer van de rechtspraak nastreeft. Ik ben dan ook van mening dat een lidstaat bij zijn besluit om dit recht uit te oefenen, met deze aspecten in het belang van de proceseconomie van het Hof rekening dient te houden.
29.
Dan kom ik nu toe aan de rechtsvragen. Ik zal eerst ingaan op algemene vraagstukken betreffende de verplichting om de steun terug te vorderen (richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998, vereiste van stimulerend effect, de‑minimisregels, sectorale en multisectorale voorschriften, belastingvermindering met terugwerkende kracht); vervolgens, voor elke beschikking, op de bijzonderheden van de vereiste terugvordering, met inbegrip van een eventueel verzuim om vorderingen te innen, en ten slotte op de hoogte van de eventueel op te leggen sancties.
Algemene vraagstukken betreffende de verplichting tot terugvordering van de steun
Verenigbaarheid met de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998
30.
De Commissie stelt dat de Spaanse autoriteiten met betrekking tot de 45 %‑belastingkredietregelingen niet hebben voldaan aan het in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 genoemde „vereiste van stimulerend effect” (een steunaanvraag moet vóór de aanvang van de uitvoering van de projecten worden ingediend). Spanje meent dat de richtsnoeren niet van toepassing waren en, subsidiair, dat de Commissie het vereiste van stimulerend effect te strikt uitlegt.
Toepasselijkheid van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998
– Argumenten
31.
Spanje betoogt dat de betrokken steun is verleend vóór 1998 en dat dus de richtsnoeren van de mededeling van 1979 inzake regionale steunregelingen ( 19 ) toepasselijk zijn. Spanje verwijst naar de mededeling van de Commissie van 2002 betreffende de vaststelling van regels voor de beoordeling van onrechtmatig verleende staatssteun ( 20 ), waarin werd gesteld: „[d]e Commissie zal de verenigbaarheid van onrechtmatig verleende steun met de gemeenschappelijke markt dan ook steeds beoordelen aan de hand van de inhoudelijke criteria die worden gehanteerd in welk instrument ook dat op het ogenblik waarop de steun werd verleend van kracht was”. Bovendien bevestigde de wijziging van 2000 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 dat alle nieuwe steun die was verleend zonder dat deze bij de Commissie was aangemeld, zou worden „beoordeeld overeenkomstig de regels en richtsnoeren op het tijdstip waarop de steun wordt toegekend”. Voorts heeft de Commissie zowel in haar beschikkingen tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure als in haar beschikkingen van 2001 aangegeven dat de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 enkel van toepassing waren op de periode vanaf 1 januari 1999.
32.
De Commissie brengt daartegen in dat in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 zelf wordt gesteld (in punt 6.1) dat „de Commissie de verenigbaarheid van de regionale steunmaatregelen met de gemeenschappelijke markt aan deze richtsnoeren zal toetsen zodra deze zijn vastgesteld. De steunprojecten evenwel die vóór de mededeling van de onderhavige richtsnoeren aan de lidstaten reeds waren aangemeld en waarvoor de Commissie nog geen eindbeslissing heeft genomen, zullen op basis van de ten tijde van de aanmelding geldende criteria worden beoordeeld.” Daar de betrokken steun niet was aangemeld, waren de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 van toepassing. Bovendien heeft het Hof in gerelateerde procedures ( 21 ) in 2011 uitgemaakt dat de betrokken niet-aangemelde steun moest worden beoordeeld in het licht van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998.
– Beoordeling
33.
Ik kan mij niet vinden in het betoog van Spanje.
34.
Inderdaad is de Commissie helaas erg vaag geweest in haar beschikkingen van 2001, door nu eens te verwijzen naar bepalingen van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 en dan weer naar die van haar eerdere mededelingen. ( 22 ) De Commissie is ook onduidelijk geweest in haar meer algemene communicatie. ( 23 ) Maar, anders dan Spanje suggereert, heeft de Commissie bij de inleiding van de formele onderzoeksprocedure en in haar beschikkingen van 2001 uitdrukkelijk verwezen naar het in haar richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 genoemde vereiste van stimulerend effect. ( 24 )
35.
Bovendien heeft het Hof uitgemaakt dat de betrokken niet-aangemelde steun moest worden beoordeeld in het licht van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998. ( 25 ) De toepasselijkheid van die richtsnoeren is in de procedure die is uitgemond in het arrest van 2006 ook niet betwist. Spanje wenste integendeel juist bevestigd te zien dat de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 van toepassing waren. ( 26 ) Spanje kan deze kwestie niet thans voor het eerst aan de orde stellen, nu het wordt verweten dat niet aan het arrest van 2006 is voldaan. Aangezien de verenigbaarheid met de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 van meet af aan een expliciet criterium is geweest, kan Spanje evenmin aanvoeren dat deze richtsnoeren niet specifiek in het met redenen omklede advies in deze procedure zijn genoemd.
Uitlegging van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998
– Argumenten
36.
Volgens de derde alinea van punt 4.2 van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 moet een steunaanvraag worden ingediend vóór de aanvang van de uitvoering van de projecten. ( 27 ) Hoewel volgens de Commissie bij veel van de begunstigden van het belastingkrediet van 45 % niet aan die voorwaarde was voldaan, achtten de Spaanse autoriteiten de betrokken steun niettemin verenigbaar.
37.
Spanje merkt op dat de Commissie in de beschikkingen van 2001 ( 28 ) heeft vastgesteld dat het belastingkrediet van 45 % een „steunmaatregel [is], waarvoor het doen van een investering als voorwaarde geldt” in de zin van de mededeling van 1979 inzake regionale steunregelingen ( 29 ), hetgeen een stimulerend effect impliceert. De opvatting van de Commissie dat steun moet zijn aangevraagd vóór de aanvang van de uitvoering is formalistisch. In fiscale procedures ligt dat anders: artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1628/2006 ( 30 ) en artikel 8, lid 4, sub b, van verordening nr. 800/2008 ( 31 ) verlangen slechts dat de belastingmaatregel is vastgesteld voordat de werkzaamheden zijn begonnen. Het strengere criterium werd pas in verordening nr. 1628/2006 gesteld. En in een afzonderlijke beschikking ( 32 ) heeft de Commissie steun in het kader van de 45 %‑belastingkredietregeling in Álava verenigbaar verklaard, mits deze het plafond van 25 % NSE voor regionale steun in Baskenland niet te boven ging. Het beginsel van gelijke behandeling verplicht tot dezelfde benadering voor alle begunstigden.
38.
De Commissie ontkent een overdreven formalisme; zij heeft de steun aan één onderneming die was aangevangen met voorbereidende werkzaamheden voordat zij een aanvraag had ingediend, verenigbaar verklaard. Bovendien zijn de verordeningen nrs. 1628/2006 en 800/2008 in casu niet van toepassing. Een analoge toepassing van de regel in artikel 8, lid 4, sub b, van verordening nr. 800/2008 is uitgesloten door de verordening zelf ( 33 ), die niet was bedoeld voor toepassing in gevallen die een gedetailleerde beoordeling vereisen. Daarbij komt dat die regel een automatisch recht op de steun veronderstelt, terwijl in de voorliggende gevallen een administratieve goedkeuring was vereist. In het arrest HGA ( 34 ) heeft het Hof duidelijk gemaakt dat moet worden aangetoond dat de investering niet zou zijn gedaan zonder de voorgenomen steun, omdat anders de steun enkel de financiële positie van de begunstigde heeft verbeterd. Wat de gelijke behandeling aangaat, een uitlegging die de Commissie in het verleden aan een verdragsbepaling heeft gegeven, kan geen afbreuk doen aan de juistheid van de uitlegging die zij aan die bepaling in de betrokken beschikkingen geeft. ( 35 )
39.
Spanje antwoordt dat de belastingkredieten van 45 % niet aan een administratieve beoordeling onderworpen waren; ze konden niet worden geweigerd aan een onderneming die aan de in de regeling gestelde voorwaarden voldeed en hadden derhalve een duidelijk stimulerend effect. De in het arrest Freistaat Sachsen e.a. ( 36 ) geïllustreerde rechtspraak kan overigens het beginsel van gelijke behandeling, een algemeen beginsel van Unierecht, niet opzijzetten.
– Beoordeling
40.
Er zijn hier drie vragen aan de orde. Ten eerste, heeft de Commissie in de beschikkingen van 2001 erkend dat er sprake was van een stimulerend effect en, zo ja, betekent dit dan dat de in het kader van de 45 %‑belastingkredietregelingen verleende steun niet behoefde te worden teruggevorderd? Ten tweede, moet het vereiste van stimulerend effect anders worden toegepast vanwege de fiscale aard van de regelingen en, zo ja, is aan het criterium van automatische aanspraak voldaan? Ten derde, is het beginsel van gelijke behandeling van invloed op de beoordeling?
41.
Wat het eerste punt betreft, de Commissie heeft in de beschikkingen van 2001 uitdrukkelijk verwezen naar het vereiste van stimulerend effect als een van de criteria waaraan moest zijn voldaan, wilden de 45 %‑belastingkredietregelingen met de gemeenschappelijke markt verenigbaar zijn. ( 37 ) Zij stelde evenwel niet vast dat niet aan dat criterium was voldaan. Zij verwees integendeel niet alleen naar de regelingen als „een steunmaatregel, waarvoor het doen van een investering als voorwaarde geldt”, maar ook als „fiscale steun” (tax incentive). ( 38 ) De kwestie van de naleving van het vereiste van stimulerend effect is evenmin aan de orde gesteld in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 2006. De Commissie stelde daarentegen wel in de beschikkingen van 2001 dat niet aan andere criteria van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 was voldaan ( 39 ), en het was op basis daarvan dat zij concludeerde dat de 45 %‑belastingkredietregelingen niet konden worden beschouwd als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt uit hoofde van de regionale afwijkingen in het Verdrag, aangezien ze niet aan de voorschriften inzake regionale steun voldeden. ( 40 )
42.
In dat licht bezien, is het argument van Spanje in zekere zin aannemelijk. Noch in de beschikkingen van 2001, noch in het arrest van 2006 is vastgesteld dat de 45 %‑belastingkredietregelingen niet aan het vereiste van stimulerend effect voldeden, en in de beschikkingen van 2001 werden formuleringen gebruikt die konden worden opgevat als zouden zij aan het vereiste voldoen.
43.
De Commissie stelt evenwel terecht dat de lidstaat, nu de steunregelingen als geheel onrechtmatig waren en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt waren verklaard, bij de beoordeling van individuele gevallen had moeten verifiëren dat aan het vereiste van stimulerend effect was voldaan.
44.
Wat het tweede punt betreft, de Commissie heeft in latere verordeningen het vereiste van stimulerend effect ten aanzien van belastingmaatregelen minder strikt geformuleerd. ( 41 ) Aan deze benadering ligt een duidelijke logica ten grondslag. Wanneer een onderneming besluit in een project te investeren en vervolgens discretionaire steun aanvraagt en toegekend krijgt (terwijl niet vaststond dat zij die zou krijgen) nadat zij met de uitvoering van het project is begonnen, is het onwaarschijnlijk dat de steun van invloed is geweest op de beslissing om te investeren. Wanneer de onderneming daarentegen de beslissing uitstelt totdat zeker is dat zij de aangevraagde steun ook zal ontvangen, kan de beslissing worden geacht af te hangen van de toekenning van de steun. Wanneer een belastingregeling automatisch steun verleent voor alle investeringen die aan bepaalde criteria voldoen, is dat onderscheid niet relevant, en kan de regeling zelf worden beschouwd als aansporing om te investeren.
45.
Die logica kan volgens mij worden toegepast steeds wanneer aan een vereiste van stimulerend effect moet worden voldaan. Daartoe behoeven niet verordening nr. 1628/2006 of verordening nr. 800/2008 naar analogie in hun geheel te worden toegepast, waarmee afstand zou worden gedaan van het vereiste dat steun moet worden aangemeld bij en onderzocht door de Commissie in gevallen waarin die verordeningen niet van toepassing zouden zijn. Er hoeft alleen maar te worden aanvaard dat onder bepaalde voorwaarden het bestaan van een belastingregeling een voldoende aansporing voor investering vormt, zodat het verband tussen de datum waarop de werkzaamheden aanvangen en de datum waarop de steun wordt aangevraagd, niet meer van belang is. In casu gaat het om een situatie waarin aan het vereiste van stimulerend effect moet zijn voldaan, en ik ben het met Spanje eens dat bij de beoordeling van de nakoming van dat vereiste rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van belastingmaatregelen in dat verband.
46.
Met de Commissie ben ik evenwel van mening dat de automatische toepasselijkheid van een belastingmaatregel een belangrijk onderdeel vormt van de stimulerende werking ervan en dat, in omstandigheden als de onderhavige, de lidstaat moet aantonen dat aan dat criterium is voldaan.
47.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de kredieten automatisch werden toegekend, en verwijzen beide naar de relevante provinciale wetten, waarvan de bewoordingen in wezen gelijkluidend zijn:
„[...] investeringen in nieuwe materiële vaste activa [...] die 2,5 miljard ESP overschrijden, komen volgens het besluit van de [Diputación Foral] in aanmerking voor een belastingkrediet van 45 % van het bedrag van de investering zoals vastgesteld door de [Diputación Foral], dat wordt verrekend met de verschuldigde inkomstenbelasting.
[...]
[In dit besluit] worden tevens de termijnen en de maximumbedragen vastgelegd die in de afzonderlijke gevallen van toepassing zijn.” ( 42 )
48.
De Commissie wijst erop dat een besluit van de Diputación Foral was vereist, en merkt op dat het Hof in het arrest van 2006 uit de beschikkingen van 2001 opmaakte dat een administratief besluit nodig was om voor de steunmaatregel in aanmerking te komen. ( 43 ) Spanje benadrukt dat door het gebruik van de werkwoordsvorm „gozarán” („komen in aanmerking voor”) de Diputación Foral dienaangaande geen enkele beoordelingsvrijheid toekomt.
49.
Dit laatste argument lijkt overtuigend (hoewel het Hof natuurlijk niet bevoegd is om nationaal recht uit te leggen). Het wordt echter hoe dan ook verzwakt door het feit dat de Diputación Foral weliswaar wettelijk verplicht is een besluit tot steunverlening te nemen, maar niettemin nog de hoogte van de investering die voor steun in aanmerking komt moet vaststellen, evenals de termijnen en maximumbedragen. Deze factoren leiden prima facie tot een aanzienlijk discretionair element in het besluit, waar Spanje in zijn betoog niet op in is gegaan. Het principe dat aan de specifieke benadering van de beoordeling van het stimulerend effect in de context van belastingmaatregelen ten grondslag ligt, sluit die benadering mijns inziens uit wanneer de hoogte van de steun en de voorwaarden waaronder deze moet worden aangewend aan een dergelijke administratieve discretionaire bevoegdheid onderworpen zijn.
50.
De Commissie stelt derhalve terecht dat steun die is verleend nadat de uitvoering van het betrokken project is aangevangen, niet kan voldoen aan het vereiste van stimulerend effect als bedoeld in punt 4.2, derde alinea, van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998. Overigens heeft Spanje slechts met betrekking tot vier ondernemingen in Guipúzcoa verklaard dat de steun daadwerkelijk was aangevraagd voordat de werkzaamheden waren aangevangen; de Commissie heeft vastgesteld dat dit bij drie van de ondernemingen het geval was. ( 44 )
51.
Tot slot bespreek ik nog het beginsel van gelijke behandeling in deze context. In 1999 verklaarde de Commissie, zonder naar het vereiste van stimulerend effect te verwijzen, de in het kader van de 45 %‑belastingkredietregeling in Álava toegekende steun „verenigbaar met de gemeenschappelijke markt ten aanzien van het gedeelte van de steun dat [...] het plafond van 25 % nse voor regionale steun in Baskenland niet te boven gaat”. ( 45 ) Spanje stelt dat het beginsel van gelijke behandeling een algemeen beginsel van Unierecht is, dat ertoe verplicht dat in alle gevallen waarin in het kader van de 45 %‑belastingkredietregelingen steun wordt verleend dezelfde benadering wordt gevolgd, en dat artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 preciseert: „De Commissie verlangt geen terugvordering van de steun indien zulks in strijd is met een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht.”
52.
Ik acht dit geen aanvaardbaar argument. Mijn conclusie hierboven impliceert dat de Commissie, door de betrokken steun in 1999 niet aan het vereiste van stimulerend effect te toetsen, de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 onjuist heeft toegepast. De benadering van Spanje zou betekenen dat de Commissie het vereiste van stimulerend effect als bedoeld in die richtsnoeren niet meer zou kunnen toepassen op welke steun ook die is verleend in het kader van een van de 45 %‑belastingkredietregelingen, of mogelijk zelfs in het kader van een willekeurige latere, vergelijkbare regeling.
53.
Dit zou in mijn optiek niet stroken met de rechtspraak van het Hof volgens welke het beginsel van gelijke behandeling moet worden geconcilieerd met het gebod van rechtmatig handelen, op grond waarvan niemand zich in zijn voordeel kan beroepen op een onrechtmatigheid die is begaan ten gunste van een ander ( 46 ). De richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 hebben weliswaar, anders dan bepaalde latere maatregelen, geen normatieve kracht, maar zoals Spanje stelt, zijn ze voor de Commissie zelf verbindend. Worden ze in een enkel, niet betwist geval niet correct toegepast, dan kan dat niet betekenen dat de Commissie op grond van het beginsel van gelijke behandeling de richtsnoeren in latere gevallen niet meer op correcte wijze mag toepassen.
54.
Het argument van Spanje dat de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 niet van toepassing waren op in het kader van de 45 %‑belastingkredietregelingen verleende steun, dan wel dat de steun in overeenstemming was met die richtsnoeren, moet mijns inziens dus worden verworpen. De bedragen waarop dit argument betrekking heeft, zijn derhalve niet van de verplichting tot terugvordering van de steun uitgesloten.
Verenigbaarheid met specifieke sectorale of multisectorale voorschriften
55.
De Commissie stelt in haar verzoekschrift dat de in het kader van de drie 45 %‑belastingkredietregelingen aan bepaalde begunstigden verleende steun niet onder de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 viel. ( 47 ) Deze steun moest in plaats daarvan voldoen aan specifieke sectorale of multisectorale voorschriften. Spanje heeft de betrokken steun echter niet teruggevorderd, en evenmin aangetoond dat die voorschriften waren nageleefd.
Wijnsector
56.
Vaststaat dat twaalf begunstigden van het belastingkrediet van 45 % in Álava in de agrarische (wijn)sector opereerden. De Commissie noemt met name Comercializadora de la Rioja Alta SLU (hierna: „Rioja Alta”) als onderneming die niet onder de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 viel. Partijen geven in hun memories blijk van verschillende opvattingen over de voorschriften die op de verschillende activiteiten in de wijnsector van toepassing zijn, en over de naleving daarvan.
57.
Uit de tabellen van 2013 maak ik evenwel op dat partijen, op enkele ondergeschikte verschillen ter hoogte van enkele duizende euro’s na, het eens zijn over de terug te vorderen bedragen en over de bedragen die in maart 2013 reeds waren teruggevorderd en nog moesten worden teruggevorderd, en wel in alle behalve twee van de twaalf betrokken gevallen. Die twee gevallen betreffen Rioja Alta en Familia Martínez Bujanda SL (hierna: „Martínez Bujanda”).
58.
Met betrekking tot Rioja Alta lijkt geen verschil van mening te bestaan over de hoogte van het totaal terug te vorderen bedrag. Het enige strijdpunt (van circa 4 miljoen EUR) betreft het in maart 2013 reeds teruggevorderde bedrag.
59.
Wat Martínez Bujanda betreft, zie ik geen overtuigend bewijs in enig door partijen aangehaald stuk dat voor de kwestie van de toepasselijke voorschriften of richtsnoeren relevant is. Bovendien zijn de bedragen van de Commissie in haar tabel van 2013 onsamenhangend. Ik stel het Hof derhalve voor zonder meer uit te gaan van de meer samenhangende bedragen van Spanje.
60.
Ik concludeer dat tussen partijen geen punt van geschil bestaat dat zou meebrengen dat moet worden uitgemaakt of de litigieuze steun moet worden beoordeeld in het licht van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998, dan wel van de specifieke, voor de wijnsector geldende voorschriften of richtsnoeren.
Staalsector
61.
De Commissie heeft in haar verzoekschrift aangegeven dat een aantal begunstigden van het belastingkrediet van 45 % in Álava actief was in de staalsector, die van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998 was uitgesloten. Spanje heeft ontkend dat een van hen actief was in de relevante subsectoren. ( 48 ) De Commissie heeft vervolgens de zes ondernemingen genoemd waar het volgens haar om ging. Spanje heeft daarop geantwoord dat volgens de geldende regels op het tijdstip van verlening van de betreffende steun slechts een kennisgeving was vereist van de steun in bepaalde subsectoren en de indiening van een verslag tweemaal per jaar. ( 49 ) In ieder geval vervaardigen vijf van de genoemde ondernemingen geen staalproducten die onder de kaderregeling voor staal van 1988 vallen, of geldt voor hen geen kennisgevingsverplichting.
62.
In de tabellen van 2013 noemt de Commissie zeven bedrijven die activiteiten in de staalsector ontplooien, terwijl Spanje in dit verband zes relevante bedrijven vermeldt. Met betrekking tot de door Spanje niet genoemde onderneming heeft de Commissie niet eerder gesteld dat zij specifiek in de staalsector actief was, en geen van de door haar aangehaalde bewijsstukken lijkt de activiteiten van de onderneming te betreffen. Voor het overige bestaat volledige overeenstemming over de betrokken bedragen en data in drie gevallen, bestaat enig dispuut over de data van terugvordering in twee gevallen, en bestaat verschil van mening ten aanzien van het bedrag ter hoogte van circa 4 miljoen EUR dat in één geval van terugvordering moet worden uitgesloten. ( 50 ) Niets in de door partijen aangehaalde stukken wijst er evenwel op dat de discrepantie verband houdt met de aard van de sector waarin de begunstigde actief is.
63.
De Commissie heeft voorts in haar verzoekschrift drie begunstigden van het belastingkrediet van 45 % in Guipúzcoa genoemd die volgens haar in de staalsector opereren. Spanje heeft bij zijn verweerschrift verklaringen met betrekking tot de activiteiten van die begunstigden overgelegd, die de Commissie kennelijk heeft aanvaard, aangezien zij in haar tabel van 2013 geen van de drie ondernemingen noemt in het kader van het geschil inzake activiteiten in de staalsector.
64.
Ik concludeer derhalve dat de vraag of steun is verleend aan ondernemingen die actief zijn in de staalsector, geen antwoord behoeft.
Grote investeringsprojecten
65.
Met betrekking tot één begunstigde van het belastingkrediet van 45 % in Vizcaya ( 51 ) heeft de Commissie in haar verzoekschrift gesteld dat de Spaanse autoriteiten op het terug te vorderen bedrag een groter deel in mindering hadden gebracht dan volgens de multisectorale kaderregeling van 1998 ( 52 ) was toegestaan. Ondanks een aanzienlijk verschil van mening in de memories blijkt uit de tabellen van 2013 dat partijen het nu eens zijn over het terug te vorderen bedrag, ongeacht de berekeningsgrondslag, en erkent de Commissie dat dit bedrag op 20 juli 2011 daadwerkelijk was terugbetaald.
66.
In repliek heeft de Commissie nog gesteld dat twee begunstigden van het belastingkrediet van 45 % in Álava grote investeringsprojecten hebben gerealiseerd zonder dat de Spaanse autoriteiten hadden aangetoond dat aan de voorwaarden van de multisectorale kaderregeling van 1998 was voldaan. De tabel van 2013 van de Commissie maakt hiervan geen melding, zodat ik ervan uitga dat dit punt voor het Hof niet langer aan de orde is.
67.
Er zijn bijgevolg geen kwesties die nog behandeling behoeven wat de toepasselijkheid van de multisectorale kaderregeling van 1998 betreft.
Aftrekbaarheid van steun onder het de‑minimisplafond
68.
Volgens artikel 2 van verordening nr. 69/2001 ( 53 ) worden steunmaatregelen geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, VWEU te voldoen, en vallen zij derhalve niet onder de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU, indien met name het totale bedrag van de steun die is verleend aan één onderneming niet hoger is dan 100000 EUR bruto (of BSE) over een periode van drie jaar. Artikel 3 van deze verordening verplicht de lidstaten ertoe te verifiëren dat de toekenning van dergelijke de‑minimissteun in elk geval aan die criteria voldoet, en gedurende tien jaar ter zake dossiers aan te houden, die zij desgevraagd moeten overleggen. Soortgelijke regels werden eerder geformuleerd in de mededeling van de Commissie van 1996 inzake de‑minimissteun ( 54 ), hoewel daar geen dossiers behoefden te worden bijgehouden.
69.
Bij de terugvordering van de steun in de vorm van een grondslagvermindering voor nieuwe ondernemingen hebben de Spaanse autoriteiten aanvankelijk 100000 EUR per periode van drie jaar in mindering gebracht op het van elke begunstigde terug te vorderen steunbedrag, dat in de meeste gevallen hoger was.
Argumenten
70.
Volgens de Commissie kan enkel steun die over een periode van drie jaar in totaal minder dan 100000 EUR bedraagt de‑minimissteun zijn; bovendien hebben de Spaanse autoriteiten geen enkel document overgelegd waaruit blijkt dat het feitelijk om de‑minimissteun ging. Steun kan niet worden opgesplitst in een deel beneden en een deel boven het de‑minimisplafond. Als afwijking van artikel 107, lid 1, VWEU moet de toekenning van de‑minimissteun restrictief worden uitgelegd, zowel in de zin van de mededeling van 1996 als van verordening nr. 69/2001. De daarmee beoogde procedurele vereenvoudiging wordt niet gerealiseerd indien zij van toepassing zou zijn op grotere bedragen, waarvoor in ieder geval onderzoek is vereist. Indien de begunstigden erop kunnen rekenen dat zij het gedeelte van de steun onder het plafond zullen ontvangen, is er geen stimulans om bedragen te beperken of de steun niet ten uitvoer te leggen voordat goedkeuring is verkregen. ( 55 ) De beschikking in de zaak WAM waarnaar Spanje verwijst ( 56 ), is niet het enige precedent. ( 57 )
71.
Spanje voert aan dat de toepasselijke tekst de mededeling van 1996 is, die niet verplichtte tot het bijhouden van dossiers voor het bewijs van de de‑minimisstatus gedurende een periode van drie jaar. In het geval van nieuwe ondernemingen kon in geen geval sprake zijn van cumulatie van eerdere steun. Bovendien is de terugvordering bedoeld om een situatie te herstellen waarin de mededinging niet wordt verstoord, en is de grondgedachte van de de‑minimisuitzondering dat steun onder een bepaald plafond niet van invloed is op de handel tussen de lidstaten. ( 58 ) Aangezien steun onder de 100000 EUR over een periode van drie jaar wordt geacht de mededinging niet te verstoren, kan de terugvordering zich beperken tot het bedrag daarboven. Het zou onevenredig zijn als steun ter hoogte van 100000 EUR niet behoeft te worden aangemeld, maar niet-aangemelde steun van 100000,01 EUR volledig moet worden teruggevorderd. In de beschikking in de zaak WAM gelastte de Commissie de terugvordering van enkel de steun die het plafond overschreed. Die beschikking is nietig verklaard, maar niet op gronden die relevant zijn voor de de‑minimisregel. Ten slotte stelt Spanje dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden. In een eerder geval ( 59 ) heeft Spanje alleen de bedragen teruggevorderd die 100000 EUR voor elke periode van drie jaar te boven gingen, en heeft de Commissie met die aanpak ingestemd.
Beoordeling
72.
Om te beginnen moet dit vraagstuk naar mijn mening worden beoordeeld in het licht van de mededeling van 1996. In elk van de drie beschikkingen aangaande de vermindering van de belastinggrondslag heeft de Commissie specifiek naar die mededeling verwezen bij haar vaststelling dat de steun in het kader van die regelingen geen de‑minimissteun was. ( 60 ) De Commissie heeft nog gesteld dat het resultaat hetzelfde zou zijn bij toetsing aan verordening nr. 69/2001 ( 61 ), maar dat die verordening uitsluitend van toepassing was op steun die was verleend na de inwerkingtreding ervan op 2 februari 2001. ( 62 ) De Commissie heeft geen specifieke grieven naar voren gebracht ten aanzien van steun verleend tussen die datum en de intrekking van de litigieuze steunregelingen. ( 63 )
73.
De mededeling van 1996 kende geen verplichting om dossiers bij te houden en over te leggen. Het kan volgens mij echter niet zo zijn dat Spanje niet behoefde aan te tonen dat de steun die met een beroep op de de‑minimisnorm niet was teruggevorderd, aan het cumulatieve drie jaar-plafond voldeed. Spanje moest derhalve de relevante stukken overleggen. Het argument dat de regelingen enkel voor nieuwe ondernemingen golden kan Spanje niet baten, aangezien deze alle van toepassing waren „gedurende vier opeenvolgende jaren vanaf het eerste jaar waarin de uit de economische activiteiten voortvloeiende belastinggrondslag van de onderneming positief is [...]” ( 64 ), zodat het om perioden van meer dan drie jaar ging. Volgens de Commissie is geen enkele documentatie overgelegd. Spanje heeft daartegen enkel aangevoerd dat het de Commissie de belastingaangiften van de betrokken ondernemingen heeft toegezonden, waaruit bleek dat geen enkele andere steun was toegekend. Het verstrekken van documenten waaruit niet het bestaan van steun blijkt, acht ik geen voldoende bewijs van het ontbreken van steun of van het feit dat de gecumuleerde steun over een periode van drie jaar het de‑minimisplafond niet te boven ging.
74.
Wat het opsplitsen van steun in een de‑minimisdeel en een niet de‑minimisdeel aangaat, bepaalt artikel 2, lid 2, tweede alinea, van verordening nr. 1998/2006 ( 65 ): „Wanneer het totale in het kader van een steunmaatregel verleende steunbedrag [het] plafond overschrijdt, kan het voordeel van deze verordening niet worden ingeroepen, zelfs niet voor een gedeelte van het steunbedrag dat het plafond niet overschrijdt. [...]”. De rechtssituatie tijdens de procedure voor het Hof, althans tot de datum waarop alle steun was teruggevorderd ( 66 ), was dus zoals de Commissie stelt, maar deze expliciete regel is pas in 2006 ingevoerd.
75.
De Commissie heeft bovendien de in casu door haar bepleite benadering niet altijd voorgestaan, en de beschikking in de zaak WAM is daarvan niet het enige voorbeeld. Zo stelde zij in 2005: „De verplichting de steun terug te vorderen, sluit [...] niet de mogelijkheid uit dat steun die aan individuele begunstigden is verleend in zijn geheel of gedeeltelijk verenigbaar is op grond van artikel 2 van verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie [...].” ( 67 ) En in een geval waarin het ging om de terugvordering van steun die onverenigbaar was verklaard met de gemeenschappelijke markt, behalve voor zover de steun aan de de‑minimisvoorwaarden voldeed, stelde de Commissie de vraag waarom het niet mogelijk zou zijn terugbetaling van het volledige steunbedrag te vorderen en het aan de begunstigde over te laten te bewijzen dat een deel daarvan feitelijk onder de vrijstellingen voor de‑minimissteun viel. ( 68 )
76.
Hoewel het dus lovenswaardig is dat bij verordening nr. 1998/2006 een duidelijke regel is ingevoerd, kan de inhoud van die regel niet van toepassing zijn geweest voorafgaand aan de invoering ervan. Welke regel was dan wel van toepassing?
77.
De tweeledige doelstelling van de de‑minimisregels – het onderscheiden van steun die geen merkbare invloed heeft op de mededinging of op de handel tussen de lidstaten, en het de Commissie mogelijk maken zich te concentreren op steun die het plafond overschrijdt – leidt tot de door partijen naar voren gebrachte tegenstrijdige standpunten, die beide tot op zekere hoogte verdedigbaar zijn.
78.
Ik ben niettemin van mening dat de Commissie het bij het rechte eind heeft. Haar argument vindt duidelijk en uitvoerig steun in het arrest van het Gerecht in de zaak Regione autonoma della Sardegna/Commissie ( 69 ), dat moet worden beschouwd als een correcte weergave van de stand van het recht, ook vóór verordening nr. 1998/2006. Die uitspraak betrof verordening nr. 69/2001, die in casu niet van toepassing is, maar de redenering was gebaseerd op de algemene beginselen die aan de de‑minimisuitzondering ten grondslag liggen. Het feit dat dit arrest nog niet was gewezen op het moment dat Spanje werd opgedragen de betrokken steun terug te vorderen, doet er niet aan af dat het een correcte weergave van het oude recht bevat. Spanje kan zich ook niet beroepen op een duidelijk aanknopingspunt dat de situatie voorafgaand aan verordening nr. 1998/2006 niet dezelfde was als op dit moment, maar slechts op een gebrek aan duidelijkheid wat die situatie betreft. In die omstandigheden had Spanje eenvoudigweg, op grond van het thans in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, met de Commissie moet samenwerken om alle onzekerheid weg te nemen.
79.
Wat ten slotte de vermeende schending van het beginsel van gelijke behandeling betreft, Spanje heeft deze kwestie pas in dupliek aangekaart, zonder enig bewijs over te leggen dat het in de eerdere zaak daadwerkelijk alleen bedragen boven 100000 EUR voor elke periode van drie jaar had teruggevorderd. Dit argument kan dan ook niet slagen.
80.
In aanmerking genomen dat de steunregelingen in hun geheel onrechtmatig waren, kom ik tot de conclusie dat de Spaanse autoriteiten steunbedragen onder het toepasselijke de‑minimisplafond van 100000 EUR niet van terugvordering mochten uitsluiten in de gevallen waarin de totale steun aan de begunstigde dat plafond overschreed.
Toepassing van andere belastingverminderingen met terugwerkende kracht
Argumenten
81.
De Commissie geeft aan dat Spanje met betrekking tot de steun in het kader van de 45 %‑belastingkredietregeling in Álava en Guipúzcoa en in het kader van de vermindering van de belastinggrondslag voor nieuwe ondernemingen in Álava, het terug te vorderen bedrag heeft verlaagd door met terugwerkende kracht bepaalde belastingverminderingen toe te passen in omstandigheden waarin deze niet zijn verleend, althans waarvoor dit niet is komen vast te staan, in overeenstemming met de voorwaarden van de toepasselijke wetgeving, te weten de artikelen 37 en 45 van Norma Foral 24/1996 in Álava en artikel 37 van de „nagenoeg identieke” Norma Foral 7/1996 in Guipúzcoa.
82.
Artikel 37 van deze beide wetten geeft ondernemingen onder bepaalde voorwaarden aanspraak op een belastingvermindering van 15 % van de investeringen in nieuwe vaste activa (met uitzondering van grond) die worden aangewend voor de ontwikkeling van hun economische activiteit. Artikel 45, lid 1, van de Norma Foral van Álava voorziet in een aftrek van 600000 ESP (3606 EUR) voor elke nieuwe arbeidsplaats, mits die gedurende twee jaar in stand blijft. Wanneer een personeelstoename van 10 % is gekoppeld aan een vermindering van 10 % van de arbeidsuren, bepaalt artikel 45, lid 2, dat niet behoeft te worden voldaan aan bepaalde voorwaarden van artikel 37 en dat de ingevolge beide artikelen toegestane aftrek wordt verhoogd, mits bij de belastingautoriteit gedetailleerde plannen zijn ingediend.
83.
De Commissie ontkent niet dat het mogelijk is deze verminderingen met terugwerkende kracht toe te kennen. Voor een bepaald aantal begunstigden van de onrechtmatig verklaarde steun heeft Spanje volgens de Commissie evenwel niet aangetoond dat de verminderingen zijn toegekend in overeenstemming met de daarvoor geldende voorwaarden. Spanje brengt daartegen in dat tijdens de precontentieuze procedure relevante bewijzen zijn overgelegd en dat in de loop van deze procedure verdere documentatie is verschaft. De Commissie acht die bewijzen wat Álava aangaat niet afdoende, maar erkent dat aan de schending met betrekking tot Guipúzcoa een einde was gekomen op het tijdstip van indiening van het verweerschrift.
Beoordeling
84.
Dit onderdeel van de vordering van de Commissie dient naar mijn mening te worden afgewezen. Ten aanzien van de betrokken verminderingen wordt niet gesteld dat deze deel uitmaakten van de belastingkredietregelingen die als onrechtmatig verleende staatssteun zijn gekwalificeerd. Zij worden niet in de beschikkingen van 2001 genoemd en ook niet in het arrest van 2006, en de in casu aangevoerde niet-nakoming betreft de niet-uitvoering van laatstgenoemd arrest. Of de verminderingen op basis van de nationale wetgeving terecht zijn toegekend (of dat is aangetoond dat zij terecht zijn toegekend), is een vraag die buiten het bestek van deze zaak valt.
85.
Het is juist dat de grief van de Commissie in dit verband niet geheel losstaat van de terugvordering van de steun in de vorm van belastingkredieten, die in de beschikkingen van 2001 onrechtmatig is verklaard. Het gaat om steunbedragen die niet zijn teruggevorderd op grond dat de begunstigden aanspraak hadden kunnen maken op diezelfde bedragen indien de onrechtmatige steun er niet was geweest, maar daarop geen recht hadden omdat zij die steun hadden ontvangen. De Commissie heeft echter niet gesteld dat die bedragen ten onrechte zijn beoordeeld als steun die verenigbaar was en daarom niet behoefde te worden teruggevorderd.
86.
De Commissie erkent bovendien dat de benadering van Spanje in beginsel legitiem is. Zij stelt bijvoorbeeld niet dat alle onrechtmatige steun eerst had moeten worden teruggevorderd, waarna de betrokken verminderingen afzonderlijk hadden moeten worden uitgevoerd (een benadering die eveneens legitiem zou zijn geweest). Indien een dergelijke benadering was gevolgd, of indien daarop door de Commissie was aangedrongen, bestaat er geen twijfel over dat de voorwaarden waaronder de verminderingen werden toegepast geheel losstonden van de uitvoering van het arrest van 2006 (zelfs indien die verminderingen bij afzonderlijke beoordeling ervan als zodanig onrechtmatige steun zouden opleveren). De beoordeling kan mijns inziens niet anders zijn louter omdat in plaats daarvan een serie belastingvoordelen (de verminderingen) is afgezet tegen een andere (de kredieten), indien verrekening als een legitieme procedure wordt gezien.
Terug te vorderen bedragen in het kader van de verschillende beschikkingen
87.
Ik ben tot de volgende conclusies gekomen: 1) de noodzaak van terugvordering van de litigieuze steun moet worden beoordeeld aan de hand van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998; 2) het vereiste van stimulerend effect in die richtsnoeren staat het achterwege laten van terugvordering alleen toe voor steun waarvan vaststaat dat de aanvraag is ingediend voordat met de uitvoering van het investeringsproject is begonnen; 3) er zijn geen openstaande kwesties tussen partijen met betrekking tot de toepasselijkheid van specifieke sectorale of multisectorale voorschriften; 4) de Spaanse autoriteiten mochten de bedragen van de litigieuze steun die onder het de‑minimisplafond van 100000 EUR per periode van drie jaar vielen, niet van terugvordering uitsluiten; maar 5) de Commissie stelt ten onrechte dat de bedragen ter hoogte van de met terugwerkende kracht toegekende belastingverminderingen waarvoor de begunstigden niet in aanmerking kwamen zolang zij de litigieuze steun genoten, hadden moeten worden teruggevorderd.
88.
Gelet op deze conclusies moet nog worden vastgesteld hoeveel steun op grond van de verschillende beschikkingen van 2001 moest worden teruggevorderd. Hiervoor moeten wij kijken naar de door beide partijen in hun tabellen van 2013 gegeven bedragen en – in voorkomend geval en voor zover mogelijk – beslissen over de daartussen bestaande verschillen.
89.
De bedragen die ik hierna zal aanhalen, zijn niet alle als zodanig door partijen verstrekt, maar zijn in sommige gevallen het resultaat van vergelijkingen tussen de bedragen die zij wel hebben verschaft.
Beschikking 2002/820 (belastingkrediet van 45 % in Álava)
90.
Uit de tabellen van 2013 blijkt in de eerste plaats dat het enige geschilpunt ten aanzien van het aanvankelijk toegekende steunbedrag een bedrag is van 2048,87 EUR voor Martínez Bujanda. Ik stel voor dat punt in het voordeel van Spanje te beslechten. ( 70 ) In de tweede plaats is de Commissie van mening dat 10683553,22 EUR moest worden teruggevorderd uit hoofde van de met terugwerkende kracht toegepaste belastingverminderingen. Ik stel voor dat bedrag buiten beschouwing te laten. ( 71 ) Voor het overige (naleving van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998) is de Commissie van mening dat 207461498,01 EUR moest worden teruggevorderd. Ik ben tot de slotsom gekomen dat uitsluitend bedragen ten aanzien waarvan Spanje heeft aangetoond dat de aanvraag was ingediend voordat met de uitvoering van het investeringsproject is aangevangen, buiten beschouwing kunnen blijven. ( 72 ) Spanje heeft niet gesteld dat van dergelijke gevallen sprake is in Álava.
91.
Bijgevolg moest, rekening houdend met het verschil betreffende Martínez Bujanda, 207459449,14 EUR worden teruggevorderd.
92.
Vaststaat dat dit bedrag in zijn geheel (tezamen met rente) op 15 oktober 2013 was teruggevorderd. Uit de door partijen verstrekte data blijkt dat de terugvordering voor het grootste deel heeft plaatsgevonden na maart 2012, en tegen maart 2013 voor circa 90 % was gerealiseerd.
Beschikking 2002/892 (vermindering van de belastinggrondslag in Álava)
93.
Met betrekking tot de oorspronkelijk door Spanje toegepaste verminderingen uit hoofde van de de‑minimisregels, blijkt uit de tabellen van 2013 dat partijen het eens zijn over een totaalbedrag van 2316461,49 EUR, welk bedrag is teruggevorderd tussen september 2011 en september of december 2012. Er is enig verschil van mening over de met terugwerkende kracht toegepaste belastingverminderingen, maar ik stel hoe dan ook voor die bedragen buiten beschouwing te laten. ( 73 )
94.
Verschil van mening bestaat nog wel over de terugvordering van 2586312,37 EUR, plus rente, van een onderneming in liquidatie. ( 74 ) De Commissie zegt dat zij pas op 21 januari 2013 heeft vernomen dat de vordering van de autoriteiten naar behoren was aangemeld, terwijl Spanje stelt dat zij de Commissie op 28 juni 2010 heeft geïnformeerd. Beiden beroepen zich in dit verband op een brief die de Spaanse autoriteiten aan de Commissie zouden hebben gezonden, maar die niet in de door beiden aan het Hof overgelegde tienduizenden pagina’s bewijsmateriaal terug te vinden is. Mitsdien stel ik voor dat het Hof de vroegere datum als uitgangspunt neemt.
Beschikking 2003/27 (belastingkrediet van 45 % in Vizcaya)
95.
Het enige strijdpunt waar het deze beschikking betreft, is de datum waarop de Spaanse autoriteiten hebben vastgesteld dat terecht een bedrag van 6194944,87 EUR in mindering was gebracht op het van Norbega ( 75 ) teruggevorderde bedrag. Ik maak uit de schriftelijke opmerkingen en de tabellen van 2013 op dat het eigenlijk terug te vorderen bedrag ( 76 ) in november 2007 is teruggevorderd, maar dat het bewijs van de juistheid van de vermindering pas in juni 2012 is geleverd, met het verweerschrift in deze zaak. Het steunbedrag (volgens beide partijen 59247555,26 EUR) waarover verschil van mening bestaat ten aanzien van het vereiste van stimulerend effect, moest worden teruggevorderd. ( 77 )
96.
In het licht van het dossier geef ik derhalve het Hof in overweging uit te gaan van een terug te vorderen bedrag van 66664908,29 EUR op grond van beschikking 2003/27, waarvan 54261801,88 EUR is teruggevorderd tussen september en november 2011, 7417353,03 EUR in juli 2012, en 4 985 753,38 EUR ( 78 ) in februari 2013, tezamen met de rente.
Beschikking 2002/806 (vermindering van de belastinggrondslag in Vizcaya)
97.
Het enige verschil van mening in de context van deze beschikking betreft de aanvankelijk door Spanje toegepaste verminderingen uit hoofde van de de‑minimisregels. Partijen zijn het eens over een totaalbedrag van 2004658,60 EUR, dat in zijn geheel is teruggevorderd (met rente) tussen 30 september en 14 november 2011. ( 79 )
Beschikking 2002/894 (belastingkrediet van 45 % in Guipúzcoa)
98.
In het kader van deze beschikking gaat het om de volgende punten: ten eerste, de uitsluiting van drie ondernemingen in de staalsector, een kwestie die de Commissie in mijn optiek heeft laten varen ( 80 ); ten tweede, aftrek met terugwerkende kracht van andere belastingen ten belope van 4110495,50 EUR die, zoals ik heb voorgesteld, buiten beschouwing moeten blijven ( 81 ); ten derde, naleving van het vereiste van stimulerend effect met betrekking tot steun ter hoogte van 5909830,30 EUR aan de onderneming GKN ( 82 ); ten vierde, de toepassing van de communautaire kaderregeling voor reddings‑ en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden ( 83 ) op een steunbedrag van circa 20 miljoen EUR aan de onderneming Papresa. ( 84 )
99.
In de tabellen van 2013 bestaat een aantal discrepanties tussen de door partijen vermelde bedragen. De door Spanje verstrekte bedragen zijn in sommige gevallen moeilijk onderling te rijmen, terwijl die van de Commissie soms in het voordeel van Spanje uitvallen. In die omstandigheden neem ik bij voorkeur de bedragen van de Commissie als basis. De Commissie meent dat 39900773,41 EUR moest worden teruggevorderd. Ik zal ervan uitgaan dat dit correct is, behoudens een verschil van mening met betrekking tot 5909830,30 EUR voor GKN en 20 miljoen EUR voor Papresa.
100.
Met betrekking tot GKN stelt Spanje dat de enige uitgave voorafgaand aan de indiening van de steunaanvraag te verwaarlozen is en haalbaarheidsonderzoeken betrof; de Commissie vindt het overgelegde bewijs niet aanvaardbaar. Spanje verwijst naar documenten in de bijlagen bij het verzoekschrift van de Commissie, die ik op basis van zijn aanwijzingen niet heb kunnen vinden. ( 85 ) Spanje heeft dus niet aangetoond dat aan het vereiste van stimulerend effect was voldaan.
101.
Ten aanzien van Papresa stelt Spanje dat de onderneming opvolgster is van La Papelera Española SA, die de door de Commissie in 1993 erkende status van in moeilijkheden verkerende onderneming had. ( 86 ) Spanje wijst op punt 99 van de motivering van beschikking 2002/894, waarin de Commissie verwees naar haar verklaring in de communautaire richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun van 1999 dat zij „van mening is dat reddings‑ en herstructureringssteun kan bijdragen tot de ontwikkeling van de economische bedrijvigheid zonder het handelsverkeer ongunstig te beïnvloeden en daardoor het gemeenschappelijke belang te schaden, indien wordt voldaan aan de in deze richtsnoeren uiteengezette voorwaarden”.
102.
Dat argument is echter voor het eerst aangevoerd in dupliek en de Commissie heeft niet de gelegenheid gehad daarop te reageren. Bovendien heeft Spanje daarbij niet vermeld dat punt 99 van de motivering van beschikking 2002/894 vervolgt: „Indien aan deze vereisten niet wordt voldaan, is de steun onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt wanneer deze aan ondernemingen in moeilijkheden wordt verstrekt. De Commissie is dan ook van oordeel dat de fiscale steun in kwestie ten behoeve van ondernemingen in moeilijkheden niet verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan zijn uit hoofde van de afwijking als bedoeld in artikel 87, lid 3, sub c, van het Verdrag met betrekking tot de bevordering van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid.” Ter staving van de naleving van de voorwaarden in de richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun van 1994 heeft Spanje een deskundigenverslag overgelegd, waaruit de naleving van de algemene voorwaarden van punt 3.2.2 van die richtsnoeren zou moeten blijken. Uit nauwkeurige lezing van dat verslag blijkt evenwel dat de voorwaarden slechts in verkorte vorm worden aangehaald en dat bepaalde aspecten niet zijn onderzocht.
103.
In die omstandigheden heeft Spanje volgens mij niet aangetoond dat de steun aan Papresa kan worden geacht te voldoen aan de voorwaarden in de richtsnoeren voor reddings‑ en herstructureringssteun.
104.
Ik concludeer dat op grond van beschikking 2002/894 een bedrag van 39900773,41 EUR moest worden teruggevorderd. Met uitzondering van de steun aan Papresa zijn partijen het erover eens dat de betrokken bedragen zijn teruggevorderd, met rente, tussen november 2011 en oktober 2012. De resterende steun aan Papresa (19448623,59 EUR, met rente) is teruggevorderd tussen maart en september 2013.
Beschikking 2002/540 (vermindering van de belastinggrondslag in Guipúzcoa)
105.
In haar tabellen van 2013 stelt de Commissie dat een bedrag van 211159,23 EUR ten onrechte niet is teruggevorderd als gevolg van met terugwerkende kracht toegepaste belastingverminderingen. Ik stel voor dit bedrag buiten beschouwing te laten. ( 87 )
106.
Partijen zijn het erover eens dat het met de de‑minimisaftrekken gemoeide bedrag 1344192,60 EUR beliep, welk bedrag blijkens mijn analyse moest worden teruggevorderd. Volgens de Commissie is het volledige bedrag, plus rente, in de loop van 2012 terugbetaald. Spanje noemt eerdere data waarop de terugvordering zou zijn voltooid, maar die lijken betrekking te hebben op de terugvordering van andere bedragen dan die welke als de‑minimis in mindering zijn gebracht. Ik stel daarom voor de data van de Commissie als uitgangspunt te nemen.
107.
Ten slotte is er een curieus bedrag van 8,74 EUR waarvan de Commissie stelt dat niet aan het betalingsbevel is voldaan. Aangezien de Commissie in een andere tabel ook aangeeft dat dit bedrag niet behoefde te worden teruggevorderd, stel ik voor het buiten beschouwing te laten.
Conclusie ten aanzien van de terug te vorderen bedragen
108.
Ik kom tot de conclusie dat op de datum van het arrest van 2006 een hoofdsom van in totaal 322 miljoen EUR moest worden teruggevorderd, zo’n 10 % minder dan de door de Commissie gestelde 358 miljoen EUR. Ik kan de verschuldigde rente niet met enige nauwkeurigheid berekenen, maar ik stel voor dat het Hof ook daarbij uitgaat van een bedrag dat 10 % lager ligt dan de door de Commissie verstrekte cijfers.
109.
Volgens de Commissie was ongeveer 13 % van het totaalbedrag teruggevorderd op het moment dat het onderhavige beroep werd ingesteld. Nu de Commissie haar stellingen met betrekking tot Gasteiz Desarrollo ( 88 ) niet heeft kunnen onderbouwen, stel ik voor ervan uit te gaan dat dit cijfer in werkelijkheid 14 % bedroeg. De resterende 86 % is na de aanvang van deze procedure terugbetaald, tussen september 2011 en oktober 2013.
Financiële sanctie (forfaitaire som)
Argumenten
110.
De Commissie verwijst naar haar huidige richtsnoeren inzake de uitvoering van artikel 260 VWEU ( 89 ), waarin zij aangeeft dat zij een forfaitaire som zal vorderen als sanctie voor het voortduren van de inbreuk tussen het eerste en het tweede arrest, alsook een dwangsom voor elke dag dat de inbreuk na het tweede arrest voortduurt. Deze laatste sanctie heeft zij in casu laten vallen. De Commissie berekent de forfaitaire som als een minimumbedrag voor elke lidstaat op basis van de bijzondere factor „n” ( 90 ), dan wel door een dagelijks bedrag ( 91 ) te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat de inbreuk voortduurt tussen de datum van het eerste arrest en de datum waarop de inbreuk is beëindigd, wanneer de uitkomst van de vermenigvuldiging hoger is.
111.
In het voorliggende geval moet de coëfficiënt voor ernst volgens de Commissie, op een schaal van 1 tot 20, op 9 worden bepaald. Zij wijst op het fundamentele karakter van de bepalingen inzake staatssteun en de noodzaak om de door de steun veroorzaakte verstoring van de mededinging op te heffen, het feit dat er meer dan honderd begunstigden waren, het bedrag dat op het moment van instelling van dit beroep nog niet was teruggevorderd (volgens haar berekeningen 569 miljoen EUR) en het feit dat reeds bij twee gelegenheden is vastgesteld dat Spanje in Baskenland onrechtmatig verleende steun niet had teruggevorderd. ( 92 )
112.
De Commissie stelt derhalve een forfaitaire som van 25817,40 EUR ( 93 ) per dag voor, vanaf de datum van het arrest van 2006 tot het moment dat de inbreuk is beëindigd op 15 oktober 2013. Het aantal dagen komt volgens haar uit op 2500 en het totaalbedrag daarmee op 64543500 EUR.
113.
Spanje voert aan dat zes verschillende regelingen zijn vastgesteld door drie regionale overheden, aan elk waarvan een deel van de sancties zal moeten worden doorberekend. Daar de steun enkel ziet op Baskenland, dat 6,24 % van het Spaanse BBP uitmaakt, moet het dagelijkse bedrag worden vermenigvuldigd met 6,24 %, resulterend in 13 EUR per dag.
114.
Wat de ernst aangaat, betoogt Spanje dat de minimumcoëfficiënt moet worden toegepast, aangezien de Commissie in 40 jaar niet eerder haar bevoegdheden op het gebied van staatssteun in de vorm van belastingmaatregelen heeft uitgeoefend. Bovendien zijn alle betrokken maatregelen ingevoerd vóór de mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen ( 94 ), en hebben de Baskische autoriteiten de regelingen ingetrokken toen zij vernamen dat deze volgens de Commissie staatssteun opleverden.
115.
Spanje stelt op basis hiervan een sanctie voor van 177,58 EUR ( 95 ) per dag.
116.
De Commissie verwerpt de gedachte dat het basisbedrag moet worden vermenigvuldigd met 6,24 %. De betrokken bedragen zijn gelijk voor alle lidstaten (en moeten hoog genoeg zijn om druk op hen te handhaven) ( 96 ) en het Hof heeft niet eerder sancties aangepast omdat de inbreuk in een beperkt gebied plaatsvond.
117.
Op het punt van de ernst betwist de Commissie dat zij haar bevoegdheden met betrekking tot staatssteun in de vorm van belastingmaatregelen niet eerder heeft uitgeoefend ( 97 ), en dat de mededeling van 1998 de situatie heeft gewijzigd. ( 98 )
118.
In dupliek verwijst Spanje naar het arrest in de zaak Commissie/Italië ( 99 ) en benadrukt dat enkel het Hof het bedrag van een sanctie kan vaststellen. Wanneer steun moet worden teruggevorderd van een groot aantal begunstigden, lijkt een sanctie die rekening houdt met de vooruitgang die de lidstaat boekt bij de nakoming van zijn verplichtingen, in overeenstemming te zijn met en derhalve evenredig aan de niet-nakoming. ( 100 ) Bij de toepassing van de criteria van ernst en draagkracht van de lidstaat moet het Hof rekening houden met de gevolgen van het niet-uitvoeren van het arrest voor de publieke en de particuliere belangen en met de spoed waarmee de lidstaat zijn verplichtingen moet nakomen. ( 101 ) De oplegging van een forfaitaire som moet gebaseerd blijven op alle relevante aspecten, die zowel verband houden met de kenmerken van de niet-nakoming als met de houding van de lidstaat, waarbij het Hof een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft. ( 102 ) In dit geval hebben de autoriteiten zorgvuldig gehandeld. Zowel de autonomie van de autoriteiten van Baskenland ( 103 ) als het evenredigheidsbeginsel zou voor het Hof reden moeten zijn om een sanctie aan te passen met inachtneming van het betrokken geografische gebied.
119.
Ten aanzien van de ernst stelt Spanje met name dat de omstandigheden in het door de Commissie in verband met de mededeling van 1998 aangehaalde arrest ( 104 ) volstrekt verschillend waren en dat het ontbreken van een precedent in vergelijkbare gevallen de berekening van zowel de terug te vorderen bedragen als de te berekenen rente bemoeilijkt, hetgeen de nakoming van het arrest van 2006 moeilijker maakt. Bovendien hebben de autoriteiten te goeder trouw de huns inziens juiste criteria willen toepassen bij de beslissing of specifieke steun moest worden teruggevorderd.
Beoordeling
120.
Volgens vaste rechtspraak is het aan het Hof om aan de hand van de omstandigheden en de mate van afschrikking die hem vereist lijkt, de financiële sanctie vast te stellen die passend is om te voorkomen dat dergelijke inbreuken zich vaker voordoen. De richtsnoeren en voorstellen van de Commissie kunnen het Hof niet binden, maar kunnen wel een nuttige referentiebasis vormen en ertoe bijdragen dat de doorzichtigheid, de voorspelbaarheid en de rechtszekerheid van het optreden van de Commissie zelf worden gewaarborgd. Het is aan het Hof de sanctie zodanig vast te stellen dat zij in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig is aan de inbreuk en de draagkracht van de lidstaat. Relevante factoren zijn onder meer de ernst van de inbreuk en de duur van de periode waarin deze na het arrest waarbij zij is vastgesteld, is blijven voortbestaan. ( 105 )
121.
Het lijkt mij in dit geval duidelijk dat de oplegging van een forfaitaire som als afschrikkende maatregel gepast is. De hoogte van de onrechtmatige steun en de vertraging in de terugvordering ervan zijn beide aanzienlijk, en uit het schier eindeloze aantal documenten in het dossier blijkt dat de Spaanse autoriteiten veel tijd en energie hebben gestoken in een poging de terug te vorderen bedragen te minimaliseren, veelal door excessief in detail te treden, met verdere vertraging tot gevolg.
122.
De Commissie vordert een forfaitaire som van 64543500 EUR, een bedrag dat de uitkomst is van de vermenigvuldiging van een basisbedrag van 210 EUR met een coëfficiënt 9 (voor ernst), met een factor „n” van 13,66 maal 2500 dagen.
123.
Binnen het kader van de door de Commissie gepubliceerde eigen richtsnoeren bestaat geen ruimte voor afwijking van het basisbedrag van 210 EUR per dag. Dat bedrag is in die gepubliceerde richtsnoeren gedurende de periode waarop deze procedure betrekking heeft, niet gewijzigd. De stelling van Spanje dat het zou moeten worden vermenigvuldigd met 6,24 % is door het Hof in zaak C‑610/10 verworpen. ( 106 )
124.
Een evenredige verlaging van de coëfficiënt voor ernst van 9 naar 8 op een schaal van 20 zou evenwel mogelijk zijn, indien het Hof mijn beoordeling van de daadwerkelijk terug te vorderen bedragen volgt. ( 107 ) Ook de factor „n” zou kunnen worden verlaagd naar 13,28 in het licht van de bijgewerkte cijfers van de Commissie. ( 108 ) Dit zou resulteren in een forfaitair bedrag van 22310,40 EUR per dag in plaats van de door de Commissie oorspronkelijk gevorderde 25817,40 EUR.
125.
Volgens de berekening van de Commissie zijn 2500 dagen verstreken tussen de dag waarop het arrest van 2006 is gewezen, 14 december 2006, en de definitieve en volledige terugvordering van de betrokken steun. Die berekening lijkt mij correct, uitgaande van de volledige periode tot 18 oktober 2013, toen de Commissie heeft vastgesteld dat alle steun en rente daarover was terugbetaald. Dit zou op basis van 22310,40 EUR per dag een forfaitaire som opleveren van in totaal 55776000 EUR.
126.
Uit de rechtspraak blijkt echter dat het Hof in de praktijk bij de vaststelling van de hoogte van een forfaitaire som nimmer de gedetailleerde berekeningen van de Commissie volgt, maar een – afgerond – passend bedrag vaststelt, rekening houdend met alle omstandigheden. Het Hof heeft daarbij in het algemeen geen uitgebreide motivering gegeven, maar slechts gewezen op de verschillende in aanmerking genomen verzwarende en verzachtende omstandigheden (zoals respectievelijk vertragingsgedrag of goede trouw aan de zijde van de nationale autoriteiten). Uit de analyse van de zaken waarin de Commissie een dergelijke sanctie heeft gevorderd en het Hof die heeft opgelegd, blijkt bovendien dat in elke zaak het door het Hof opgelegde bedrag aanmerkelijk lager lag dan het door de Commissie gevorderde – variërend tussen 8 % en 62 % van laatstgenoemd bedrag en gemiddeld zo’n 40 % daarvan. ( 109 ) Zonder te willen suggereren dat het Hof op enigerlei wijze aan zijn eerdere praktijk in dit verband is gebonden ( 110 ), bieden die cijfers mijns inziens een nuttige achtergrond, in het bijzonder bezien in het kader van factoren als de ernst en de duur van de inbreuk die het Hof in aanmerking heeft genomen.
127.
Dit is de vierde zaak waarin de Commissie een forfaitaire som vordert wegens niet-terugvordering van onrechtmatige staatssteun (de andere zaken betroffen in wezen niet-uitvoering van richtlijnen of onverenigbaarheid van nationaal recht met Unierecht, en zijn derhalve minder goed vergelijkbaar). Het bedrag waar het hier volgens mijn analyse om gaat, is 322 miljoen EUR en de duur van de inbreuk bedroeg zes jaar en tien maanden.
128.
Ter vergelijking, in zaak C‑369/07, Commissie/Griekenland ( 111 ), resulteerde het niet terugvorderen van circa 23 miljoen EUR over een periode van vier jaar in een forfaitaire som van 2 miljoen EUR (ongeveer 13 % van het door de Commissie gevorderde bedrag); in zaak C‑496/09, Commissie/Italië ( 112 ), leidde de niet-terugvordering van ongeveer 188 miljoen EUR over een periode van zeveneneenhalf jaar tot een sanctie van 30 miljoen EUR (ongeveer 43 % van het door de Commissie gevorderde bedrag), en in zaak C‑610/10, Commissie/Spanje ( 113 ) leidde de niet-terugvordering van ongeveer 23 miljoen EUR over een periode van meer dan tien jaar tot een sanctie van 20 miljoen EUR (zo’n 38 % van het door de Commissie gevorderde bedrag).
129.
Anders bezien, in de eerste twee zaken komen de bedragen per maand vertraging en per terug te vorderen miljoen euro opmerkelijk met elkaar overeen (tussen 1730 EUR en 1 740 EUR), terwijl het bedrag in de laatste zaak aanmerkelijk hoger is (ongeveer 8333 EUR). Uitgaan van het eerstgenoemde cijfer zou een bedrag opleveren van ongeveer 50 miljoen EUR, terwijl de uitkomst op basis van het laatstgenoemde cijfer om en nabij 220 miljoen EUR zou zijn.
130.
Het Hof heeft in zaak C‑610/10, Commissie/Spanje, kennelijk als aanzienlijk verzwarende factor in aanmerking genomen dat de uitvoering van het eerste arrest „zonder grote moeilijkheden had kunnen geschieden omdat het aantal ontvangers van de betrokken onrechtmatige steun gering was, zij met name werden genoemd en de terug te vorderen bedragen in deze beschikking stonden vermeld”. ( 114 )
131.
Dit is in casu niet het geval. Er waren veel begunstigden en de respectievelijk terug te vorderen en van terugvordering uitgesloten bedragen waren niet gespecificeerd en evenmin zonder meer voor de hand liggend. Ik stel dan ook voor dat het Hof kiest voor een vergelijkbare benadering als in zaak C‑369/07, Commissie/Griekenland, en in zaak C‑496/09, Commissie/Italië, en een bedrag van 50 miljoen EUR als uitgangspunt neemt.
132.
Ik zie ook geen overtuigende reden om dat bedrag te verhogen of te verlagen. Het is een aanzienlijk bedrag – hoger dan alle andere tot dusver door het Hof opgelegde forfaitaire sommen – dat op alle lidstaten een sterk afschrikkende werking zal hebben, zonder dat dit behoeft te worden verhoogd. Maar de inbreuk is een ernstige, en de ermee gemoeide bedragen aan staatssteun zijn dermate hoog – hoger dan ooit eerder in een vergelijkbare zaak het geval is geweest – dat de handel tussen de lidstaten er gedurende een aanzienlijke periode (met terugvordering van enige omvang is men pas ruim vier jaar na het arrest van 2006 begonnen) ernstig door kon worden verstoord.
Conclusie
133.
Gelet op het bovenstaande geef ik het Hof in overweging:
1)
vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet tijdig uitvoering te geven aan het arrest van 14 december 2006 in de gevoegde zaken C‑485/03 tot en met C‑490/03, Commissie/Spanje, niet de verplichtingen is nagekomen die op hem rusten krachtens de beschikkingen waar het in dat arrest om ging, en krachtens artikel 260, lid 1, VWEU;
2)
het Koninkrijk Spanje te veroordelen om aan de Europese Commissie een forfaitaire som van 50 miljoen EUR te betalen op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie”;
3)
het Koninkrijk Spanje in de kosten te verwijzen.
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.
( 2 ) Ten behoeve van de consistentie volg ik de Spaanse spelling die in eerdere fasen van de procedure is gebruikt, ofschoon de Baskische spelling daarvan verschilt en de officiële Spaanse spelling daarmee nu rekening houdt.
( 3 ) Zie PB 1999, C 351, blz. 29; PB 2000, C 55, blz. 2, en PB 2000, C 71, blz. 8.
( 4 ) Beschikking 2002/820/EG van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Álava in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB L 296, blz. 1); beschikking 2002/892/EG van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Álava (Spanje) (PB L 314, blz. 1); beschikking 2003/27/EG van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Vizcaya in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB L 17, blz. 1); beschikking 2002/806/EG van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Vizcaya (Spanje) (PB L 279, blz. 35); beschikking 2002/894/EG van 11 juli 2001 inzake de steunregeling die door Spanje ten behoeve van de ondernemingen in Guipúzcoa in de vorm van een belastingkrediet van 45 % van de investeringen ten uitvoer is gelegd (PB L 314, blz. 26); en beschikking 2002/540/EG van 11 juli 2001 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van bepaalde recentelijk opgerichte ondernemingen in Guipúzcoa (Spanje) (PB L 174, blz. 31) (hierna: „beschikkingen van 2001”).
( 5 ) Beschikking 2002/820, punt 76; beschikkingen 2002/892, 2002/806 en 2002/540, punt 78; beschikkingen 2003/27 en 2002/894, punt 83.
( 6 ) Beschikking 2002/820, punt 98; beschikkingen 2002/892, 2002/806 en 2002/540, punt 90; beschikking 2003/27, punt 105; beschikking 2002/894, punt 107.
( 7 ) Beschikking 2002/820, punten 76‑94; beschikkingen 2002/894 en 2003/27, punten 83‑100.
( 8 ) PB C 74, blz. 9, gewijzigd bij PB 2000, C 258, blz. 5 (hierna: „richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998”).
( 9 ) Beschikking 2002/820, punt 83; beschikkingen 2002/894 en 2003/27, punt 89.
( 10 ) Punten 78‑90 van elke beschikking (2002/540, 2002/806 en 2002/892).
( 11 ) Arrest van 14 december 2006, Commissie/Spanje (C‑485/03 tot C-490/03, Jurispr. blz. I-11887; hierna: „arrest van 2006”).
( 12 ) Punt 81 van het arrest van 2006.
( 13 ) Zie voor de 45 %‑belastingkredietregelingen arrest Gerecht van 9 september 2009, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-227/01-T-229/01, T-265/01, T-266/01 en T-270/01, Jurispr. blz. II-3029); voor de verminderingen van de belastinggrondslag arrest van 9 september 2009, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T‑230/01–T‑232/01 en T‑267/01–T‑269/01).
( 14 ) Zie voor de 45 %‑belastingkredietregelingen arrest Hof van 28 juli 2011, Diputación Foral de Álava/Commissie (C‑471/09 P–C‑473/09 P); voor de verminderingen van de belastinggrondslag arrest van 28 juli 2011, Diputación Foral de Álava/Commissie (C‑474/09 P–C‑476/09 P).
( 15 ) Arrest in de zaken C‑471/09 P–C‑473/09 P, aangehaald in voetnoot 14, punten 98, 99 en 102, met verwijzing naar het arrest van 9 juni 2011, Comitato „Venezia vuole vivere” e.a./Commissie (C-71/09 P, C-73/09 P en C-76/09 P, Jurispr. blz. I-4727, punten 63, 64, 115 en 130 en de daarin aangehaalde rechtspraak).
( 16 ) SEC(2005) 1658 van 13 december 2005, zoals bijgewerkt bij SEC(2010) 923 van 20 juli 2010.
( 17 ) Zie boven, punt 15.
( 18 ) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
( 19 ) PB C 31, blz. 9.
( 20 ) PB C 119, blz. 22.
( 21 ) Arrest van 9 juni 2011, Diputación Foral de Vizcaya/Commissie (C‑465/09 P–C‑470/09 P, punten 121 en 122).
( 22 ) Zie met name voetnoot 37 van beschikking 2002/820, voetnoot 33 van beschikking 2002/894, en voetnoot 34 van beschikking 2003/27.
( 23 ) Zie boven, punten 31 en 32.
( 24 ) PB 1999, C 351, blz. 33, laatste alinea; PB 2000, C 71, blz. 13, derde alinea; beschikking 2002/820, punt 83; beschikkingen 2002/894 en 2003/27, punt 89.
( 25 ) Zie boven, punt 32 en voetnoot 21.
( 26 ) Punten 12 en 50 van het arrest van 2006.
( 27 ) Zie ook arrest van 15 april 2008, Nuova Agricast (C-390/06, Jurispr. blz. I-2577, punt 69).
( 28 ) Punt 27 in beschikking 2002/820, punt 23 in beschikkingen 2002/894 en 2003/27.
( 29 ) Zie boven, punt 31 en voetnoot 19.
( 30 ) Verordening (EG) nr. 1628/2006 van de Commissie van 24 oktober 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op nationale regionale investeringssteun (PB L 302, blz. 29).
( 31 ) Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (PB L 214, blz. 3).
( 32 ) Beschikking 2000/795/EG van de Commissie van 22 december 1999 inzake de steun die door Spanje aan Ramondín SA en Ramondín Capsulas SA is verleend (PB L 318, blz. 36), punt 134 en artikel 1.
( 33 ) Artikel 1 en punt 7 van de considerans.
( 34 ) Arrest van 13 juni 2013, HGA e.a./Commissie (C‑630/11 P, C‑631/11 P, C‑632/11 P en C‑633/11 P, punt 105).
( 35 ) Arrest van 30 september 2003, Freistaat Sachsen e.a./Commissie (C-57/00 P en C-61/00 P, Jurispr. blz. I-9975, punt 52).
( 36 ) Aangehaald in voetnoot 35.
( 37 ) Beschikking 2002/820, punt 83; beschikkingen 2002/894 en 2003/27, punt 89.
( 38 ) Beschikking 2002/820, punten 25, 27, 33, 87, 90 en 91; beschikkingen 2002/894 en 2003/27, punten 1, 7, 21, 23, 43, 49, 93, 96 en 97.
( 39 ) Zie boven, punt 6.
( 40 ) Beschikking 2002/820, punten 84‑87; beschikkingen 2002/894 en 2003/27, punten 90‑93.
( 41 ) Zie boven, punt 37 en voetnoten 30 en 31.
( 42 ) Punt 8 van elk van de beschikkingen inzake de 45 %‑belastingkredietregelingen.
( 43 ) Punt 63 van het arrest van 2006.
( 44 ) Zie hierna, punten 98 e.v.
( 45 ) Zie boven, punt 37 en voetnoot 32.
( 46 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 10 november 2011, The Rank Group (C-259/10 en C-260/10, Jurispr. blz. I-10947, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 47 ) Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen van 1998, punt 2 en voetnoot 5.
( 48 ) Te weten de subsectoren genoemd in de kaderregeling voor bepaalde niet onder het EGKS-Verdrag vallende sectoren van de ijzer‑ en staalnijverheid (PB 1988, C 320, blz. 3; hierna: „kaderregeling voor staal van 1988”).
( 49 ) Kaderregeling voor staal van 1988, punt 4.
( 50 ) Condesa Fabril SA.
( 51 ) Compañía Norteña de Bebidas Gaseosas Norbega SA (hierna: „Norbega”).
( 52 ) Multisectorale kaderregeling betreffende regionale steun voor grote investeringsprojecten (PB 1998, C 107, blz. 7).
( 53 ) Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 10, blz. 30), nadien vervangen door verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag op de-minimissteun (PB L 379, blz. 5); deze laatste is vervangen door verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L352, blz. 1).
( 54 ) PB 1996, C 68, blz. 9 (hierna: „mededeling van 1996”).
( 55 ) Arrest Gerecht van 20 september 2011, Regione autonoma della Sardegna/Commissie (T-394/08, T-408/08, T-453/08 en T-454/08, Jurispr. blz. II-6255, punten 299‑311). In de hogere voorzieningen tegen dat arrest (arrest HGA e.a./Commissie, aangehaald in voetnoot 34) was de de‑minimiskwestie niet aan de orde.
( 56 ) Beschikking 2006/177/EG van de Commissie van 19 mei 2004 betreffende steunmaatregel nr. C 4/2003 (ex NN 102/2002) die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van WAM SpA (PB L 63, blz. 11). Deze beschikking is nietig verklaard bij arrest Gerecht van 6 september 2006, Italië en WAM/Commissie (T‑304/04 en T‑316/04; bekrachtigd bij arrest Hof van 30 april 2009, Commissie/Italië en WAM, C-494/06 P, Jurispr. blz. I-3639, maar zonder verwijzing naar de de‑minimisregel).
( 57 ) De Commissie haalt de beschikkingen 2000/46/EG (PB 2001, L 18, blz. 18), 2002/142/EG (PB L 48, blz. 20), 2003/643/EG (PB L 227, blz. 12) en 2006/937/EG (PB L 366, blz. 1) aan. In geen van deze beschikkingen, aldus de Commissie, heeft zij dezelfde benadering gevolgd als in de beschikking in de zaak WAM.
( 58 ) Zie verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (PB L 142, blz. 1), die de rechtsgrondslag vormde voor verordening nr. 69/2001; zie met name punt 9 van de considerans en artikel 2.
( 59 ) Arrest van 20 september 2007, Commissie/Spanje (C-177/06, Jurispr. blz. I-7689).
( 60 ) Punten 20 en 75 in elk van de drie beschikkingen, en daarbij behorende voetnoten.
( 61 ) Voetnoot bij punt 75 in elk van de drie beschikkingen.
( 62 ) Artikel 4 van die verordening juncto artikel 4 van verordening nr. 1998/2006, aangehaald in voetnoot 52.
( 63 ) Zie ook de punten 23 en 24 van haar verzoekschrift in de procedure die heeft geleid tot het arrest van 2006, waarin zij ervan uitging dat op zijn laatst na 23 oktober 2001 geen verdere steun kon worden verleend.
( 64 ) Punt 7 van elk van de drie beschikkingen.
( 65 ) Aangehaald in voetnoot 52.
( 66 ) Dezelfde expliciete regel lijkt niet voor te komen in verordening nr. 1407/2013 (aangehaald in voetnoot 53), hoewel artikel 3, lid 7, ervan bepaalt: „Wanneer het desbetreffende [...] plafond door de toekenning van nieuwe de-minimisssteun zou worden overschreden, komt deze nieuwe steun in zijn geheel niet in aanmerking voor het voordeel van deze verordening.”
( 67 ) Beschikking 2006/638/EG van de Commissie van 6 september 2005 inzake de steunregeling die Italië ten uitvoer heeft gelegd ten voordele van bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten die zijn gespecialiseerd in aandelen in op gereglementeerde markten genoteerde vennootschappen met een kleine of middelgrote beurswaarde (PB L 268, blz. 1), punt 60, cursivering van mij.
( 68 ) Arrest van 13 november 2008, Commissie/Frankrijk (C-214/07, Jurispr. blz. I-8357); zie het antwoord van de Commissie in punt 25.
( 69 ) Aangehaald in voetnoot 54.
( 70 ) Zie boven, punt 59.
( 71 ) Zie boven, punten 81‑86.
( 72 ) Zie boven, punten 38 e.v.
( 73 ) Zie boven, punten 81‑86.
( 74 ) Gasteiz Desarrollo Industrial e Ingeniería SA (hierna: „Gasteiz Desarrollo”).
( 75 ) Zie boven, punt 63.
( 76 ) Volgens partijen 7417353,03 EUR.
( 77 ) Zie boven, punten 38 e.v.
( 78 ) Steun aan Industrias de Maderas Aglomeradas.
( 79 ) Met betrekking tot een bedrag van 200000 EUR (Ingenería y Construcción de Matrices) stelt de Commissie dat geen terugvordering heeft plaatsgevonden (of is aangetoond) tot 11 juli 2012, doch het bewijsmateriaal waaraan zij refereert is niet aan het Hof verstrekt.
( 80 ) Zie boven, punt 63.
( 81 ) Zie boven, punten 81‑86.
( 82 ) GKN Driveline Zumaia SA. In drie andere gevallen heeft de Commissie aanvaard dat aan het vereiste van stimulerend effect was voldaan, en in acht andere gevallen heeft Spanje niet gesteld dat de steunaanvraag was ingediend voordat met de uitvoering van het project werd begonnen (zie boven, punten 38 e.v.).
( 83 ) PB 1994, C 368, blz. 12, vervangen in PB 1999, C 288, blz. 2 (hierna: „de kaderregeling voor reddings‑ en herstructureringssteun van [1994/1999]”).
( 84 ) Papresa SA. Tussen het door de Commissie en Spanje genoemde steunbedrag bestaat een verschil van circa 500000 EUR.
( 85 ) Ik geef toe dat de vorm van die bijlagen, weergegeven op dvd’s met „gezipte” mappen met niet-doorzoekbare pdf-bestanden, het vinden van bepaalde documenten bemoeilijkt, maar Spanje is ervan op de hoogte gesteld dat het de bewijsmiddelen waarop het een beroep wilde doen duidelijk moest specificeren (zie boven, punt 17).
( 86 ) Mededeling van de Commissie C 29/92 (NN 12/92), PB 1993, C 123, blz. 7.
( 87 ) Zie boven, punten 81‑86.
( 88 ) Zie boven, punt 94.
( 89 ) SEC(2005) 1658 (PB 2007, C 126, blz. 15), bijgewerkt bij SEC(2010) 923/3.
( 90 ) Gelijk aan een meetkundig gemiddelde dat enerzijds is gebaseerd op het BBP van de lidstaat en anderzijds op de stemmenweging in de Raad. Voor Spanje bedroeg de factor „n” op het moment dat dit beroep aanhangig werd gemaakt, 13,66 EUR en de forfaitaire minimumsom 7215000 EUR. Deze bedragen zijn thans respectievelijk 13,28 en 7 036 000 EUR [C(2012) 6106 def. van 31 augustus 2012].
( 91 ) Op dit moment een minimum van 210 EUR, vermenigvuldigd met een coëfficiënt voor ernst.
( 92 ) Arrest van 2 juli 2002, Commissie/Spanje (C-499/99, Jurispr. blz. I-6031), en arrest C‑177/06, Commissie/Spanje, aangehaald in voetnoot 58.
( 93 ) Dat wil zeggen, 210 EUR vermenigvuldigd met een coëfficiënt voor ernst van 9 en de factor „n” van 13,66 voor Spanje.
( 94 ) PB 1998, C 384, blz. 3 (hierna: „mededeling van 1998”).
( 95 ) 13 EUR, vermenigvuldigd met een coëfficiënt van 1 voor ernst en de factor „n” van 13,66 voor Spanje.
( 96 ) SEC(2005) 1658, punt 15.
( 97 ) Zij verwijst naar beschikking 93/337/EEG van de Commissie van 10 mei 1993 betreffende een regeling inzake fiscale investeringssteun in het Baskenland (PB L 134, blz. 25).
( 98 ) Arrest Gerecht van 9 september 2009, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie (T-30/01-T-32/01 en T-86/02-T-88/02, Jurispr. blz. II-2919, punten 314 en 315 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 99 ) Arrest van 17 november 2011 (C-496/09, Jurispr. blz. I-11483).
( 100 ) Ibidem, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 101 ) Ibidem, punten 56 en 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 102 ) Ibidem, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
( 103 ) Spanje verwijst naar de arresten van 6 september 2006, Portugal/Commissie (C-88/03, Jurispr. blz. I-7115), en 11 september 2008, UGT‑Rioja e.a. (C-428/06-C-434/06, Jurispr. blz. I-6747).
( 104 ) Aangehaald in voetnoot 98.
( 105 ) Bijvoorbeeld, arrest Commissie/Italië, aangehaald in voetnoot 97, punten 35‑37, en arrest van 11 december 2012, Commissie/Spanje (Case C‑610/10, punten 115 e.v.).
( 106 ) Aangehaald in voetnoot 103, punt 132.
( 107 ) Zie boven, punten 108 en 109.
( 108 ) Voetnoot 88; in het arrest van 17 oktober 2013, Commissie/België (C‑533/11, punt 35), ging de Commissie zelf uit van cijfers die waren bijgewerkt sinds zij het beroep aanhangig had gemaakt.
( 109 ) Arrest van 9 december 2008, Commissie/Frankrijk (C-121/07, Jurispr. blz. I-9159); 4 juni 2009, Commissie/Griekenland (C-109/08, Jurispr. blz. I-4657); 7 juli 2009, Commissie/Griekenland (C-369/07, Jurispr. blz. I-5703); 4 juni 2009, Commissie/Griekenland (C-568/07, Jurispr. blz. I-4505); 31 maart 2011, Commissie/Griekenland (C-407/09, Jurispr. blz. I-2467); arrest Commissie/Italië (C‑496/09), aangehaald in voetnoot 97; Commissie/Spanje (C‑610/10), aangehaald in voetnoot 103; arrest van 19 december 2012, Commissie/Ierland (C‑279/11); 19 december 2012, Commissie/Ierland (C‑374/11); 30 mei 2013, Commissie/Zweden (C‑270/11); 25 juni 2013, Commissie/Tsjechië (C‑241/11); arrest Commissie/België (C‑533/11), aangehaald in voetnoot 106; en arrest van 28 november 2013, Commissie/Luxemburg (C‑576/11).
( 110 ) Of dat – in tegenstelling tot de situatie bedoeld in artikel 260, lid 3, VWEU – het Hof geen hoger bedrag dan het door de Commissie gevorderde mag opleggen.
( 111 ) Aangehaald in voetnoot 107.
( 112 ) Aangehaald in voetnoot 97.
( 113 ) Aangehaald in voetnoot 103.
( 114 ) Ibidem, punt 145.
Full & Egal Universal Law Academy