CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. MENGOZZI
van 6 september 2012 ( 1 )
Gevoegde zaken C-237/11 en C-238/11
Franse Republiek
tegen
Europees Parlement
„Beroep tot nietigverklaring — Rooster van plenaire vergaderingen van het Europees Parlement voor 2012 en 2013 — Protocollen betreffende plaats van de zetels van de instellingen, van bepaalde instanties, organen, organisaties en diensten van de Europese Unie”
I – Inleiding
1.
Met haar op 19 mei 2011 ingestelde beroepen verzoekt de Franse Republiek het Hof om nietigverklaring van het besluit van het Europees Parlement van 9 maart 2011 betreffende het vergaderrooster van het Parlement voor 2012 (zaak C-237/11), evenals van het besluit van het Parlement van dezelfde dag betreffende het vergaderrooster van het Parlement voor 2013 (zaak C-238/11) (hierna: „bestreden besluiten”).
2.
Het bijzondere karakter van deze roosters is gelegen in het feit dat voor oktober 2012 en oktober 2013 is bepaald dat het Parlement te Straatsburg (Frankrijk) in dezelfde week twee plenaire zittingen houdt, die korter duren dan de zittingen die in de overige maanden van het jaar zullen plaatsvinden.
II – Rechtskader en voorgeschiedenis van het geding
3.
Tijdens de top van Edinburgh in 1992 hebben de regeringen van de lidstaten een besluit genomen, het zogenaamde „besluit van Edinburgh”, inzake de vaststelling van de zetels van de instellingen en van bepaalde organisaties en diensten van de Europese Gemeenschappen op de grondslag van artikel 216 EEG-Verdrag, artikel 77 EGKS-Verdrag en artikel 189 EGA-Verdrag.
4.
Artikel 1, sub a, van het besluit van Edinburgh bepaalde dat „[h]et Europees Parlement [...] zijn zetel te Straatsburg [heeft], voor de twaalf periodes van de maandelijkse voltallige zittingen met inbegrip van de begrotingszitting. De bijkomende voltallige zittingen worden gehouden te Brussel. De commissies van het Europees Parlement zetelen te Brussel. Het secretariaat-generaal van het Europees Parlement en zijn diensten blijven in Luxemburg gevestigd.”
5.
Tijdens de intergouvernementele conferentie die heeft geleid tot de vaststelling van het Verdrag van Amsterdam, is beslist om het besluit van Edinburgh in bijlage bij de Verdragen bij te voegen. Thans zijn dat protocol nr. 6 bij het VEU en het VWEU, evenals protocol nr. 3 bij het EGA-Verdrag (hierna: „protocollen”), waarin de tekst van artikel 1, sub a, van het besluit van Edinburgh ( 2 ) is overgenomen.
6.
Het primaire recht verplicht aldus het Parlement om maandelijks te Straatsburg in plenaire vergadering bijeen te komen. Het is niettemin traditie dat de plenaire vergadering van augustus wordt verplaatst naar oktober, in de loop waarvan derhalve te Straatsburg twee plenaire vergaderingen moeten worden gehouden.
7.
De Conferentie van voorzitters heeft op 3 maart 2011 twee voorstellen betreffende het vergaderrooster van het Parlement voor 2012 en 2013 vastgesteld. Deze twee voorstellen bepaalden dat het Parlement een plenaire vergadering houdt van 1 tot en met 4 oktober 2012, vervolgens van 22 tot en met 25 oktober 2012, alsmede van 30 september 2013 tot en met 3 oktober 2013 en van 21 tot en met 24 oktober 2013.
8.
Op 7 maart 2011 zijn twee amendementen op het door de Conferentie van voorzitters voorgelegde voorstel betreffende het vergaderrooster ingediend, het ene met betrekking tot het rooster voor 2012, het andere met betrekking tot het rooster voor 2013. De twee gelijkluidende amendementen stelden voor om de „vergadering van week 40 te schrappen” ( 3 ) en de „vergadering van oktober II [van 22 oktober tot en met 25 oktober 2012 en van 21 tot en met 24 oktober 2013] te splitsen in twee verschillende vergaderingen”. De eerste vergadering van oktober 2012 was aldus voorzien op 22 en 23 oktober 2012 (voor 2013 op 21 en 22 oktober 2013), de tweede vergadering van oktober 2012 diende op 25 en 26 oktober 2012 (voor 2013 op 24 en 25 oktober 2013) plaats te vinden. Beide amendementen zijn in stemming gebracht en aangenomen.
9.
Het vergaderrooster voor 2012 bepaalt aldus dat in oktober, in dezelfde week, twee vergaderingen plaatsvinden, op 22 en 23 oktober (eerste vergadering) en op 25 en 26 oktober (tweede vergadering).
10.
Het vergaderrooster voor 2013 bepaalt dat in oktober, in dezelfde week, twee vergaderingen plaatsvinden, op 21 en 22 oktober (eerste vergadering) en op 24 en 25 oktober (tweede vergadering).
III – Conclusies van partijen en procesverloop voor het Hof
11.
Bij beschikking van 9 januari 2012 heeft de president van het Hof de zaken C-237/11 en C-238/11 voor de mondelinge behandeling en het arrest gevoegd.
12.
De Franse Republiek concludeert dat het Hof:
—
de bestreden besluiten nietig verklaart, en
—
het Parlement verwijst in de kosten.
13.
Het Parlement concludeert dat het Hof:
—
de beroepen niet-ontvankelijk verklaart;
—
subsidiair, de beroepen verwerpt, en
—
verzoekster verwijst in de kosten.
14.
Bij beschikking van 21 september 2011 heeft de president van het Hof het Groothertogdom Luxemburg toegelaten tot interventie aan de zijde van de Franse Republiek.
15.
De Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg en het Parlement zijn in hun pleidooien gehoord ter terechtzitting van 5 juni 2012.
IV – Bespreking
16.
Aangezien het door de Franse Republiek ingestelde beroep in zaak C-237/11 is gesteld in volstrekt gelijkluidende bewoordingen als dat in zaak C-238/11 en omdat hetzelfde geldt voor de door het Parlement en het Groothertogdom Luxembourg ( 4 ) ingediende memories, zal ik het Hof één enkele analyse van de twee beroepen voorleggen.
17.
De twee door de Franse Republiek ingestelde beroepen tot nietigverklaring spitsen zich aldus toe op één enkel middel, dat is ontleend aan schending van de protocollen betreffende de plaats van de zetels van de instellingen en aan niet-inachtneming van het arrest van het Hof van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement ( 5 ). Aangezien het Parlement de ontvankelijkheid van de beroepen in twijfel heeft getrokken, zal ik mijn analyse beginnen met dat aspect van het geding.
A – Ontvankelijkheid van het beroep
1. Argumenten van partijen
18.
Het Parlement betwist de ontvankelijkheid van de beroepen tot nietigverklaring met het argument dat de bestreden besluiten geen voor beroep vatbare handelingen zijn als bedoeld in artikel 263 VWEU. Bedoelde besluiten hebben uitsluitend betrekking op de interne organisatie van het Parlement en roepen tegenover derden geen rechtsgevolgen in het leven, hetgeen lijkt te worden bevestigd door het ontbreken van de verplichting om genoemde besluiten te motiveren. Bovendien blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof en het Gerecht dat, hoewel beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld tegen handelingen van het Parlement die beogen tegenover derden rechtsgevolgen in het leven te roepen, handelingen die slechts de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement raken geen voorwerp kunnen zijn van een dergelijk beroep. ( 6 ) De regeling van de werkzaamheden van het Parlement vereist de vaststelling van een zeker aantal interne ordemaatregelen, waaronder de bestreden besluiten, die deel uitmaken van de bij artikel 232 VWEU aan genoemde instelling toegekende functie. De enige gevolgen van deze besluiten zijn van economische aard en betreffen slechts de lidstaat waar de zetel is gevestigd. De verwerende instelling is van mening dat de Franse Republiek poogt een mogelijke niet-nakoming door het Parlement van zijn verplichtingen te doen vaststellen, terwijl de Verdragen niet voorzien in een dergelijke rechtsgang. Ten slotte verwerpt het Parlement de door verzoekster en het Groothertogdom Luxemburg aangevoerde stelling dat het Hof impliciet maar noodzakelijkerwijs heeft geoordeeld omtrent de ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring in het kader van zijn arrest Frankrijk/Parlement, reeds aangehaald.
19.
De Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg zijn van mening dat het betrokken arrest, waarbij het Hof het besluit van het Europees Parlement van 20 september 1995 houdende vaststelling van het werkrooster voor 1996, nietig heeft verklaard, ontegenzeglijk een precedent vormt. Zij stellen dat, aangezien de ontvankelijkheid een middel van openbare orde is dat ambtshalve moet worden aangevoerd, het stilzwijgen van het Hof op dit punt in zijn arrest, moet leiden tot de erkenning dat het impliciet maar noodzakelijkerwijs de ontvankelijkheid heeft aanvaard van het toen ingestelde beroep tot nietigverklaring van een besluit dat op alle punten vergelijkbaar was met die waartegen thans wordt opgekomen. De Franse Republiek voegt daaraan toe dat de vraag of de bestreden besluiten betrekking hebben op de interne organisatie van het Parlement en of zij tegenover derden rechtsgevolgen in het leven roepen, onlosmakelijk verbonden is met het onderzoek van de inhoud daarvan en derhalve met het onderzoek ten gronde van de beroepen. ( 7 )
2. Beoordeling
20.
Wat de handelingen van het Parlement betreft, kan een krachtens artikel 263 VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts worden gericht tegen handelingen die tegenover derden rechtsgevolgen in het leven roepen. Om vast te stellen of een handeling vatbaar is voor beroep op grond van artikel 263, eerste alinea, VWEU moet de inhoud ervan worden onderzocht, aangezien de vorm waarin deze is vastgesteld wat dat betreft irrelevant is. ( 8 ) In het onderhavige geval staan partijen juist tegenover elkaar betreffende de vaststelling van de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten.
21.
In het arrest Weber/Parlement ( 9 ) heeft het Hof bevestigd dat tegen handelingen van het Parlement „die slechts betrekking hebben op de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement” geen beroep tot nietigverklaring kan worden ingesteld en dat „[t]ot deze categorie [...] handelingen van het Parlement [behoren], die ofwel geen rechtsgevolgen teweegbrengen ofwel dit enkel doen binnen het Parlement zelf in verband met de interne organisatie van zijn werkzaamheden en die volgens de in zijn reglement geregelde verificatieprocedures kunnen worden getoetst.” ( 10 ) Het heeft aldus geoordeeld dat een besluit van het Parlement om een van zijn leden de toekenning te weigeren van de overbruggingstoelage bij de ambtsbeëindiging „rechtsgevolgen teweegbreng[t] die verder reiken dan de interne organisatie van de werkzaamheden van de instelling, daar zij de vermogenssituatie van het lid bij diens ambtsbeëindiging raken.” ( 11 )
22.
Het Hof heeft in een andere context eveneens geoordeeld dat een resolutie van het Parlement die op bepaalde terreinen werkzaam personeel aanwijst waarvan naar het oordeel van het Parlement de aanwezigheid te Brussel noodzakelijk is, en die aan de bevoegde organen van het Parlement opdracht geeft om op korte termijn alle passende maatregelen te nemen om de genoemde resolutie ten uitvoer te leggen, „als een besluit moet worden aangemerkt en [dat] de gevolgen ervan in voorkomend geval de garanties zouden kunnen aantasten die voor het Groothertogdom Luxemburg voortvloeien uit de bepalingen betreffende de zetel en de vestigingsplaatsen van het Parlement” ( 12 ).
23.
Het Hof heeft zich daarentegen verzet tegen een exceptie van niet-ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring van een besluit van de voorzitter van het Parlement, die het verzoek om een commissie van onderzoek in te stellen ontvankelijk achtte, door te oordelen dat „de bestreden handeling van het Europees Parlement niet van dien aard is, dat zij jegens derden rechtsgevolgen teweegbrengt. Immers, de commissies van onderzoek [...] hebben slechts een onderzoekbevoegdheid en de besluiten betreffende hun instelling hebben bijgevolg slechts betrekking op de interne organisatie van de werkzaamheden van het Europees Parlement.” ( 13 ) Het Hof heeft hetzelfde gedaan in het kader van een beroep dat beoogde de regelmatigheid te betwisten van de procedure tot aanwijzing van de voorzitter van een interparlementaire delegatie, die slechts bevoegd is ter zake van voorlichting en contacten, waarvan de instellingsbesluiten slechts betrekking hebben op de interne organisatie van de werkzaamheden van het Parlement. ( 14 )
24.
Waar moeten de bestreden besluiten worden geplaatst in het licht van deze verschillende uitspraken van het Hof?
25.
Ik betwijfel of de gevolgen van de bestreden besluiten zich strikt tot de instelling beperken, zoals het Parlement stelt. Op het eerste gezicht kan het Parlement door het aannemen van het rooster inderdaad zijn werkzaamheden regelen en lijkt dat deel uit te maken van zijn interne organisatie. Maar het rooster stelt voor het gehele jaar niet alleen de periodes van werkzaamheden van het Parlement vast, maar eveneens die van de aanwezigheid daarvan, die van de leden waaruit het bestaat en die van het personeel dat eraan is verbonden op de verschillende plaatsen van werkzaamheden ervan. Derhalve ben ik geneigd mij aan te sluiten bij het standpunt van advocaat-generaal Lenz, dat „de noodzakelijke beschikbaarstelling van de infrastructuur [waar de vergaderingen moeten plaatsvinden] indirect ook juridische verplichtingen tegenover derden teweeg[brengt]” ( 15 ) en sluit ik de mogelijkheid niet uit dat dergelijke besluiten voldoen aan de bij artikel 263, eerste alinea, VWEU, vastgestelde voorwaarden.
26.
Het feit dat ik de opvattingen van advocaat-generaal Lenz deel, leidt mij daarenboven tot de afwijzing van het argument van het Parlement, dat betwist dat het arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement, reeds aangehaald, wat de ontvankelijkheid van het beroep betreft, een precedent zou zijn. Hoewel, zoals ik hierboven heb uiteengezet, de Franse Republiek van mening is dat het Hof „impliciet maar noodzakelijkerwijs” heeft geoordeeld met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in de context van dat arrest, stelt het Parlement daarentegen dat het stilzwijgen van het arrest op dat punt geldt als het niet-innemen van een standpunt door het Hof. Naast het feit dat de niet-ontvankelijkheid van het beroep een middel van openbare orde is dat het Hof ambtshalve moet opwerpen ( 16 ), zoals de Franse Republiek en het Groothertogdom Luxemburg terecht hebben aangevoerd, is daarenboven door advocaat-generaal Lenz de aandacht van het Hof juist gevestigd op de vraag betreffende de ontvankelijkheid van het toen door de Franse Republiek ingestelde beroep tegen het destijds bestreden besluit van het Parlement. ( 17 ) Het Hof heeft in deze zaak derhalve met volledige kennis van zaken ten gronde uitspraak gedaan.
27.
Het Hof is in elk geval van mening dat, zelfs wanneer het niet a priori kan vaststellen of de in het beroep tot nietigverklaring bedoelde handeling daadwerkelijk rechtsgevolgen in het leven roept, alleen een onderzoek ten gronde het in staat stelt zich daarvan te vergewissen. Het heeft aldus reeds geoordeeld dat „de rechtsgevolgen van de bestreden resolutie niet kunnen worden beoordeeld zonder in te gaan op haar inhoud en op de vraag of de bevoegdheidsregels in acht zijn genomen, punten die de grond van de zaak betreffen, die hierna ter beoordeling staat.” ( 18 ) Het Hof heeft dat oordeel overigens herhaald bij een beroep tot nietigverklaring dat was gericht tegen besluiten van het Bureau van het Parlement, waarvan er een de vorm had van een nota betreffende de prognose op middellange termijn van de activiteiten van het Parlement in de drie plaatsen van werkzaamheden. ( 19 )
28.
Het is derhalve in elk geval niet mogelijk om in dit stadium van de analyse de beroepen te verwerpen, zodat die ontvankelijk moeten worden verklaard.
B – Enig middel, ontleend aan schending van de protocollen nr. 3 en nr. 6 alsmede aan niet-inachtneming van het arrest van het Hof van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement
1. Argumenten van partijen
29.
Met het eerste onderdeel van het enige middel stelt de Franse Republiek dat, aangezien de protocollen zich beperken tot een herhaling van het besluit van Edinburgh, het arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement, waarin het Hof de gelegenheid heeft gehad om genoemd besluit uit te leggen, in het kader van de onderhavige zaken volledig relevant blijft. Verzoekster herinnert eraan dat het Hof destijds heeft geoordeeld dat de lidstaten, door het besluit van Edinburgh vast te stellen, de praktijk van het Parlement hebben bekrachtigd om in principe maandelijks te Straatsburg te vergaderen en de vergadering van augustus te verplaatsen naar oktober. Aangezien de teksten betrekking hebben op „de” twaalf periodes van maandelijkse voltallige zittingen, moet het besluit, net als de protocollen, aldus worden uitgelegd dat het noodzakelijkerwijs verwijst naar de praktijk, zoals die bestond vóór de vaststelling van het besluit van Edinburgh. Uit punt 5 van het arrest Frankrijk/Parlement blijkt dat het Hof een periode van maandelijkse plenaire vergaderingen die moet worden gehouden te Straatsburg, heeft omschreven als een periode die van maandag tot en met vrijdag duurt. Volgens de Franse Republiek heeft het Hof destijds „impliciet maar noodzakelijkerwijs” erkend dat het besluit van Edinburgh eveneens de duur van de vergaderingen heeft vastgesteld. Derhalve, door de twee periodes van plenaire vergaderingen die in oktober 2012, en vervolgens in oktober 2013, moeten worden gehouden in te korten tot twee dagen, hebben de bestreden besluiten de inhoud van de bovenbedoelde protocollen geschonden, aangezien een dergelijke handeling zou leiden tot een vermindering met 1/12 van de jaarlijkse duur van de periodes van plenaire vergaderingen die te Straatsburg moeten worden gehouden en, bijgevolg, in feite tot de vaststelling van slechts elf periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen. Voor het geval dat het Hof zou oordelen dat de bestreden besluiten in overeenstemming met de protocollen zijn, waarschuwt de Franse Republiek tegen de gevaren van veralgemening van een dergelijke handeling en, op termijn, van een nog grotere vermindering van de periodes van plenaire vergaderingen die te Straatsburg moeten worden gehouden.
30.
Met het tweede onderdeel van het middel verwijt de Franse Republiek het Parlement de regelmaat te hebben verbroken waarmee de plenaire vergaderingen moeten worden gehouden. Overeenkomstig het oordeel van het Hof in punt 29 van zijn arrest Frankrijk/Parlement omschrijft het besluit van Edinburgh de zetel van het Parlement als „de plaats waar met een zekere regelmaat twaalf periodes van gewone plenaire vergaderingen van deze instelling moeten worden gehouden”. Het verbreken van deze regelmaat kan slechts worden toegestaan wat betreft de vergadering in augustus en, tijdens verkiezingsjaren, in juni.
31.
Met het derde onderdeel van het middel voert de Franse Republiek aan, waarbij zij zich baseert op hetzelfde punt van het arrest Frankrijk/Parlement als daarnet, dat het Parlement niet kan voorzien in het houden van bijkomende vergaderingen te Brussel aangezien een dergelijke vaststelling van bijkomende vergaderingen slechts kan plaatsvinden indien eerst is voorzien in twaalf periodes van plenaire vergaderingen. Aangezien het rooster voor 2012 en 2013 slechts voorziet in elf periodes van plenaire vergaderingen, heeft het Parlement niet kunnen voorzien in bijkomende vergaderingen voor de twee betrokken kalenderjaren.
32.
Met het vierde onderdeel van het middel betoogt de Franse Republiek dat het Parlement het beginsel van verdeling van bevoegdheden tussen de lidstaten en het Parlement heeft geschonden, zoals dat door het Hof is omschreven in zijn arrest Frankrijk/Parlement. Zij stelt dat het door de bestreden besluiten nagestreefde doel niet anders is dan het verminderen van de aanwezigheid van de Europese afgevaardigden te Straatsburg. Dat wordt bevestigd door het feit dat het rooster voor oktober 2012 en dat voor oktober 2013 in identieke bewoordingen is aangenomen, een bewijs dat het daar niet gaat om een ad-hocantwoord op een conjuncturele behoefte, maar wel om een praktijk die bedoeld is om te worden bestendigd. De Franse Republiek is van mening dat de bestreden besluiten een zekere tegenstrijdigheid aan het licht brengen, die hierin bestaat dat de duur van de plenaire vergaderingen van het Parlement wordt ingekort op het moment dat de werkdruk van deze instelling steeds hoger komt te liggen. Ten slotte herinnert de verzoekende partij aan de inhoud van een plenaire vergadering van het Parlement en zet zij uiteen dat het niet mogelijk is al deze activiteiten op dezelfde wijze te verrichten wanneer de duur van de vergaderingen wordt ingekort tot twee dagen.
33.
In het kader van zijn interventie aan de zijde van de Franse Republiek, sluit het Groothertogdom Luxemburg zich aan bij de conclusies van laatstgenoemde en stelt het dat een betere interne organisatie inderdaad niet het echte doel is dat door de bestreden besluiten wordt nagestreefd. Het Groothertogdom Luxemburg herinnert eraan dat de werkelijke context duidelijk het opnieuw ter discussie stellen van de pluraliteit van plaatsen waar het Parlement zijn werkzaamheden verricht, vormt en met name van zijn verplichting om in Straatsburg aanwezig te zijn. Met zijn bestreden besluiten beoogt het Parlement juist om zelf de plaats van zijn zetel vast te stellen. Het Groothertogdom Luxemburg merkt bovendien op dat het Parlement niet duidelijk heeft gemaakt hoe deze nieuwe organisatie van de vergaderingen in oktober het in staat stelt zijn werkzaamheden beter te regelen en dat de voortdurende uitbreiding van de bevoegdheden van het Parlement onverenigbaar is met de inkorting van de duur en de vermindering van de frequentie van de maandelijkse plenaire vergaderingen. Ten slotte is het Groothertogdom Luxemburg van mening dat er sprake is van een zeer duidelijk verschil tussen de periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen en de periodes van bijkomende plenaire vergaderingen, die zich zowel door de duur ervan (vier dagen voor de periodes van plenaire vergaderingen, twee dagen voor de periodes van bijkomende vergaderingen) als door de plaats waar zij moeten worden gehouden (Straatsburg voor de periodes van maandelijkse vergaderingen en Brussel voor de periodes van bijkomende vergaderingen), van elkaar onderscheiden. Aldus is men ofwel van mening dat de twee door de bestreden besluiten voorziene vergaderingen van twee dagen in oktober in feite moeten worden beschouwd als een enkele vergadering van vier dagen. In dat geval voorzien de betrokken roosters slechts in elf periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen. Of anders is men van mening dat het inderdaad gaat om twee periodes van vergaderingen van twee dagen, en vergaderingen van een dergelijke duur moeten worden gekwalificeerd als bijkomende plenaire vergaderingen, die het Parlement niet mocht vaststellen, omdat dergelijke periodes slechts kunnen worden vastgesteld nadat het Parlement daadwerkelijk twaalf periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen heeft vastgesteld. Welke uitlegging ook wordt gekozen, de bestreden besluiten zijn in strijd met de protocollen.
34.
Het Parlement begint zijn verweerschrift met een uiteenzetting van de historische ontwikkeling van zijn bevoegdheden en benadrukt dat zijn spreiding over drie plaatsen van werkzaamheden al heel lang een nadeel voor zijn functioneren vormt. Het is echter van mening dat het altijd de uit het primaire recht voortvloeiende verplichtingen is nagekomen. Wat de roosters voor 2012 en 2013 betreft, preciseert het dat voor elk jaar inderdaad is voorzien in het houden van twaalf periodes van plenaire vergaderingen te Straatsburg, namelijk tien periodes van vier dagen en twee periodes van twee dagen. In totaal zal het Parlement, voor elk van de door de bestreden besluiten bestreken twee jaren, 44 dagen te Straatsburg ( 20 ) zetelen, tegen 8 dagen aanwezigheid te Brussel in bijkomende plenaire vergaderingen.
35.
Voorts geeft het Parlement de feitelijke en juridische verschillen aan die de onderhavige zaak onderscheiden van de reeds aangehaalde zaak Frankrijk/Parlement. De regeling van de werkzaamheden van het Parlement ontwikkelt zich tegelijkertijd met zijn bevoegdheden. Met name na de vaststelling van het Verdrag van Lissabon is de begrotingsprocedure vereenvoudigd en vereist zij niet meer dan een enkele lezing, hetgeen volgens het Parlement het houden van een „begrotingszitting”, zoals is voorzien in de protocollen, overbodig maakt. De begrotingszitting vormt in principe een van de twee vergaderingen in oktober. Het Parlement maakt vervolgens gewag van een aantal stellingnames van hetzij het Parlement zelf, hetzij van de Europese afgevaardigden die er lid van zijn, hetzij van de maatschappij, die zich allemaal kanten tegen de nadelen die zijn verbonden met de pluraliteit van plaatsen waar het zijn werkzaamheden verricht, en met name met de verplaatsingen naar Straatsburg, uit een oogpunt van economie, van milieubescherming of van productiviteit. De bestreden besluiten moeten volgens het Parlement derhalve eveneens worden gelezen in het licht van deze overwegingen, waaraan de economische en financiële crisis nog moet worden toegevoegd.
36.
In antwoord op de argumenten van de Franse Republiek stelt het Parlement dat de protocollen niet de duur van de vergaderingen vaststellen. Artikel 341 VWEU voorziet in de bevoegdheid van de lidstaten om de zetel van de instellingen vast te stellen. Deze rechtsgrondslag moet strikt worden uitgelegd en de uitoefening van deze bevoegdheid door de lidstaten kan geen gevolgen hebben voor de interne organisatiebevoegdheid van het Parlement. Gesteld dat het besluit van Edinburgh een of andere aanwijzing bevat betreffende de duur van de maandelijkse vergaderingen van het Parlement, moet worden vastgesteld dat de lidstaten daarbij ultra vires de bevoegdheid hebben uitgeoefend die artikel 341 VWEU hen verleent. Er is immers niets uitdrukkelijk bepaald, noch in de Verdragen, noch in de protocollen, noch zelfs in het reglement van het Parlement, omtrent de duur van de periodes van plenaire vergaderingen. Het Parlement betwist eveneens de uitlegging door de Franse Republiek van het arrest Frankrijk/Parlement door met name te benadrukken dat de feitelijke situatie die destijds ter beoordeling aan het Hof is voorgelegd, volstrekt verschilt van die welke de kern vormt van de onderhavige beroepen.
37.
Het Parlement stelt dat wat de duur van de vergaderingen betreft het arrest Wybot daarentegen relevant is, aangezien het Hof destijds heeft geoordeeld dat „nu de Verdragen daarover dus niets bepalen, [...] het vaststellen van de zittingsduur [behoort] tot de interne organisatiebevoegdheid die aan het Europees Parlement is verleend”. ( 21 ) Het staat het Parlement aldus vrij om de duur van zijn vergaderingen vast te stellen.
38.
Het Parlement betwist met klem de uitlegging door de Franse Republiek van het besluit van Edinburgh. Volgens het Parlement tracht de Franse Republiek, door te stellen dat het besluit van Edinburgh het kristalliseren van de voorafgaande praktijk heeft geconcretiseerd, de instelling de bevoegdheid te ontnemen om zijn praktijk te ontwikkelen, een ontwikkeling die noodzakelijk is geworden door de ontwikkeling van de rol en de bevoegdheden van het Parlement. Hoewel het Parlement niet verhult dat het streeft naar een vermindering van de invloed van de vaststelling van de plaats van zijn zetel op zijn functioneren en een beperking van de gevolgen die zijn verbonden met de pluraliteit van plaatsen waar het Parlement zijn werkzaamheden verricht, houdt het staande dat bij de huidige stand van de prognoses voor 2012 en 2013, Straatsburg het zwaartepunt van de zetel blijft. Het merkt overigens op dat oktober de enige maand van het jaar is waar de twee vergaderingen kunnen worden ingekort en dat de overige periodes van maandelijkse vergaderingen vanaf 2001 gespreid over vier dagen plaatsvinden, en het is van mening dat het risico van een verdere inkorting van de duur daarvan louter speculatief is.
39.
In repliek stelt de Franse Republiek dat het Parlement zijn bevoegdheden met betrekking tot de Europese Centrale Bank en de Rekenkamer uitoefent, hoewel deze instellingen hun zetel niet in Brussel hebben. Dat betekent dus dat het Parlement niet verplicht is om in dezelfde stad zijn zetel te hebben als die waar de instelling zich bevindt waarover het zijn bevoegdheden uitoefent.
40.
Zij betwist bovendien de stellingen van het Parlement met betrekking tot de begrotingszitting en stelt dat de stemming over de begroting door het Parlement, in plenaire vergadering en in aanwezigheid van de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie, van het Parlement een des te aandachtiger lezing vereist, omdat deze eenmalig is. In deze omstandigheden blijft de begrotingszitting van groot belang.
41.
Wat de verschillende stellingnames van het Parlement betreft, wijst de Franse Republiek de vooringenomenheid ervan af en herinnert zij eraan dat de vaststelling van de plaats van de zetel van de instellingen uitsluitend tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort. Ter terechtzitting heeft de Franse Republiek overigens de getallen betwist die het Parlement heeft aangevoerd betreffende de uitstoot van koolstofdioxide en betreffende de kosten die worden veroorzaakt door de geografische spreiding van de plaatsen waar het Parlement zijn werkzaamheden verricht. ( 22 )
42.
Het beroep op het arrest Wybot kan bovendien niet afdoen aan de door de Franse Republiek voorgestelde uitlegging van de protocollen wat de duur van de vergaderingen betreft, aangezien dat arrest is gewezen in een zodanig verschillende context dat het in het kader van de onderhavige beroepen niet relevant is. Nog immer volgens de Franse Republiek heeft het Hof, hoewel het heeft erkend dat het besluit van Edinburgh „impliciet maar noodzakelijkerwijs” de bestaande praktijk heeft gecodificeerd, met inbegrip van de duur van de vergaderingen, echter niet geoordeeld dat de lidstaten hun bevoegdheden hebben overschreden. Aldus heeft het Parlement geen enkel argument aangevoerd dat de door de bestreden besluiten teweeggebrachte wijzigingen kan rechtvaardigen.
43.
In dupliek herhaalt het Parlement in wezen dezelfde argumenten als in zijn verweerschrift zijn aangevoerd, namelijk dat de bevoegdheid van de lidstaten om de plaats van de zetel van de instellingen vast te stellen, niet de vaststelling van de duur van de maandelijkse vergaderingen omvat, hetgeen een bevoegdheid is die uitsluitend tot de interne organisatie van het Parlement behoort. Het Parlement betwist dat het door een beroep te doen op de vrijheid die het noodzakelijkerwijze moet worden toegekend om zijn werkzaamheden zo doeltreffend en voordelig mogelijk te regelen, de vaststelling van zijn zetel te Straatsburg ter discussie wil stellen. Het Parlement merkt op dat de duur van de bijkomende plenaire vergaderingen, die te Brussel moeten worden gehouden, eveneens is ingekort. Het Parlement herinnert eraan dat toen het er in 2000 om ging de praktijk met betrekking tot de duur van de plenaire vergaderingen te wijzigen door de vergaderingen op vrijdag te schrappen, de Franse Republiek geen beroep heeft ingesteld. De bestreden besluiten vertegenwoordigen in het ergste geval een inkorting met 1/12, terwijl naar verhouding de in 2000 vastgestelde, en vanaf 2001 ingevoerde, wijziging van de praktijk naar verhouding een inkorting met 1/5 vormde. Het Parlement oppert dat uit de niet-betwisting door de Franse Republiek van het schrappen van de vergaderingen op vrijdag de erkenning, eveneens impliciet maar noodzakelijkerwijs, kan worden afgeleid van de vrijheid van het Parlement om de duur van zijn zittingen vast te stellen. Het Parlement voegt daaraan toe dat de regeling van zijn werkzaamheden tot doel heeft om de doeltreffendheid te vergroten en merkt op dat inmiddels de activiteiten van de commissies belangrijker zijn dan de werkzaamheden in de plenaire vergadering. In elk geval moet de nuttige werking van het recht van het Parlement om zijn werkzaamheden autonoom te regelen, veilig worden gesteld, dit te meer omdat deze instelling de enige is die rechtstreeks door de burgers wordt gekozen. Ten slotte weerlegt het Parlement, in antwoord op de argumenten van het Groothertogdom Luxemburg, de gedachte dat een vergadering geen gewone plenaire vergadering meer is, wanneer deze slechts twee dagen mag duren. Het is niet aanvaardbaar om uit te komen bij een uitlegging van het besluit van Edinburgh en, bijgevolg, van de protocollen, die erop zou neerkomen dat het Parlement verplicht is om zijn plenaire vergaderingen te houden van maandagmorgen tot en met vrijdagavond, ongeacht de werkelijke behoefte.
2. Beoordeling
44.
Hoewel het Hof de context niet kan negeren waarin de verplichting van het Parlement om te Straatsburg te vergaderen, en waarop partijen zich overigens hebben gebaseerd, wederom nadrukkelijk ter discussie wordt gesteld, is het van belang eraan te herinneren dat het in het kader van de onderhavige beroepen recht moet spreken.
45.
Met haar enige middel klaagt de Franse Republiek dat de bestreden besluiten de protocollen, alsook het arrest Frankrijk/Parlement, reeds aangehaald, schenden op grond van de vastgestelde duur van de plenaire vergaderingen die in oktober 2012 en oktober 2013 zullen worden gehouden (eerste onderdeel), het verbreken van de regelmaat waarmee vergaderingen worden gehouden, hetgeen wordt veroorzaakt door het vermeend houden van twee plenaire vergaderingen van twee dagen in dezelfde week (tweede onderdeel), de verwarring tussen de begrippen gewone plenaire vergaderingen en bijkomende plenaire vergaderingen, die de bestreden besluiten aantast (derde onderdeel) en ten slotte, de schending van de verdeling van bevoegdheden tussen de lidstaten en het Parlement (vierde onderdeel).
46.
Voor een beter begrip van de zaak stel ik voor om mijn analyse te beginnen met een herhaling van de wezenlijke punten van het arrest Frankrijk/Parlement. Vervolgens zal ik door middel van een dwarsdoorsnede een analyse geven van de verschillende onderdelen van het door verzoekster aangevoerde middel, waarmee ik in de eerste plaats zal aantonen dat de vraag inzake de duur van de periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen niet het enige criterium kan zijn waarop het Hof in deze zaak zijn argumentatie moet baseren, aangezien er geen uitdrukkelijke regel bestaat die deze duur a priori bepaalt, en op grond waarvan ik in de tweede plaats een ruimere toets zal voorstellen teneinde de rechtmatigheid van de bestreden besluiten te beoordelen: de toets betreffende de algehele samenhang.
a) Wezenlijke punten van het arrest Frankrijk/Parlement van 1 oktober 1997
47.
In het kader van het beroep tot nietigverklaring dat destijds, zoals ik reeds heb gememoreerd, was gericht tegen het besluit van het Parlement houdende vaststelling van het werkrooster van deze instelling voor 1996, heeft het Hof naar aanleiding van de spreiding van de werkzaamheden van het Parlement over drie plaatsen, voor recht verklaard dat „[g]elet op die pluraliteit van plaatsen waar de instelling haar werkzaamheden verricht, [...] de uitoefening [van de bevoegdheid van de lidstaten om in onderlinge overeenstemming de zetel van de instellingen vast te stellen,] niet enkel de verplichting in[houdt], de zetel van het Parlement vast te stellen, maar ook het recht om dit begrip te preciseren door de aldaar te verrichten werkzaamheden te omschrijven.” ( 23 ) Het Hof heeft destijds geoordeeld dat de lidstaten, door het besluit van Edinburgh vast te stellen, „aldus [hebben] willen bepalen, dat de zetel van het Parlement, te weten Straatsburg, de plaats is waar de instelling in principe bijeen komt in gewone plenaire vergaderingen, en zij hebben daartoe het aantal aldaar te houden vergaderperiodes bindend vastgelegd.” ( 24 ) Daarenboven hebben de lidstaten, volgens het oordeel van het Hof, „de praktijk van deze instelling bevestigd om in beginsel iedere maand bijeen te komen te Straatsburg”. ( 25 ) Wat de begrotingszitting betreft, heeft het Hof het besluit van Edinburgh aldus uitgelegd dat genoemde zitting „moet plaatsvinden tijdens een van de periodes van gewone plenaire vergaderingen die in de zetel van de instelling worden gehouden.” ( 26 )
48.
Aldus is de zetel van het Parlement, volgens de uitlegging door het Hof van het besluit van Edinburgh, omschreven als „de plaats waar met een zekere regelmaat twaalf periodes van gewone plenaire vergaderingen van deze instelling moeten worden gehouden, daaronder begrepen de vergaderingen tijdens welke het Parlement de begrotingsbevoegdheden moet uitoefenen die hem door het Verdrag zijn verleend. Bijkomende periodes van plenaire vergaderingen kunnen derhalve slechts dan op een andere plaats van werkzaamheden worden bepaald, indien het Parlement zijn twaalf periodes van gewone plenaire vergaderingen te Straatsburg houdt, de plaats waar het zijn zetel heeft.” ( 27 )
49.
Het Hof heeft vervolgens een grenslijn getrokken tussen de bevoegdheid van de lidstaten om de zetel van de instellingen vast te stellen en de interne-organisatiebevoegdheid die aan het Parlement toekomt. Het heeft aldus geoordeeld dat „ook al is het Parlement op grond van die interne-organisatiebevoegdheid gerechtigd, passende maatregelen te nemen om zijn goede werking en het goede verloop van zijn procedures te verzekeren, [het] met die besluiten [...] wel de bevoegdheid van de lidstaten om de zetel van de instellingen vast te stellen, [moet] eerbiedigen”. ( 28 ) Daartegenover zijn „de lidstaten verplicht [...], bij het nemen van hun besluiten de interne-organisatiebevoegdheid van het Parlement te eerbiedigen en erop toe te zien, dat die besluiten de goede werking van die instelling niet belemmeren”. ( 29 ) Daarbij heeft het eveneens erkend dat „het besluit van Edinburgh het Parlement in zekere mate [dwingt] zijn werkzaamheden op een bepaalde wijze te organiseren, maar deze dwang is inherent aan de noodzaak de zetel van het Parlement vast te stellen met behoud van de pluraliteit van plaatsen waar het zijn werkzaamheden verricht”. ( 30 )
50.
Aangezien het besluit van Edinburgh door de protocollen is gecodificeerd tot geldend recht, behoeft er voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten niet terug te worden gekomen op de uitlegging die het Hof aan het besluit heeft gegeven, te meer daar partijen deze niet ter discussie willen stellen.
b) Ontbreken van vaste regel wat de duur van de periodes van de maandelijkse plenaire vergaderingen betreft
51.
Partijen staan tegenover elkaar betreffende de vraag of het besluit van Edinburgh, zoals dat door de protocollen is gecodificeerd, wat de duur van de plenaire vergaderingen van het Parlement betreft, verplichtingen vaststelt, die het moet nakomen.
52.
Om te beginnen ben ik van mening dat het beroep op het arrest Wybot, reeds aangehaald, voor onze zaak irrelevant is. Hoewel het Hof daar heeft geoordeeld, zoals het Parlement aanvoert, dat „nu de Verdragen daarover dus niets bepalen, [...] het vaststellen van de zittingsduur [behoort] tot de interne organisatiebevoegdheid die aan het [Parlement] is verleend” ( 31 ), is dat in de eigen context van de zaak Wybot. Deze zaak paste destijds in een zeer verschillend rechtskader en had betrekking op de vaststelling van de jaarlijkse zittingsduur ( 32 ), dat wil zeggen de totale duur van de periode gedurende welke het Parlement in zitting was en welke het zelf vrij kon vaststellen. Het is duidelijk dat het Hof daarom heeft kunnen stellen dat de vaststelling van de duur van de zittingen, uitgelegd als jaarlijkse zittingen, uiteindelijk voortvloeide uit de interne organisatiebevoegdheid van het Parlement. Dat houdt op geen enkele wijze in dat daaruit, in het kader van de onderhavige beroepen, een dergelijke vrijheid kan worden afgeleid met betrekking tot het vaststellen van de duur van de maandelijkse plenaire vergaderingen.
53.
Zelfs al zou men, met een redenering uit het ongerijmde, uit dat arrest Wybot willen afleiden dat zelfs wat de periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen betreft, het vaststellen van de duur van de vergaderingen tot de interne organisatiebevoegdheid van het Parlement behoort, neemt dat niet weg dat deze bevoegdheid moet worden uitgeoefend met eerbiediging van het primaire recht. Volgens mij is er sprake van een duidelijke samenhang tussen het vaststellen van de duur van de periodes van plenaire vergaderingen en de eerbiediging van het besluit van de lidstaten om de zetel van het Parlement te Straatsburg te vestigen. Om het duidelijk te stellen, schendt een besluit dat bepaalt dat alle periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen die te Straatsburg moeten worden gehouden elk slechts een halve dag duren, de protocollen die de zetel te Straatsburg vaststellen. Vanuit deze invalshoek bezien, heeft de door de lidstaten uitgeoefende bevoegdheid bij het vaststellen van de zetel van het Parlement noodzakelijkerwijs gevolgen gehad voor de duur van de aanwezigheid van deze instelling te Straatsburg, zonder echter over te gaan tot het vaststellen van een rigide regel. Het Hof heeft dat overigens erkend door te oordelen dat „de zetel [...] de plaats is waar de instelling in principe bijeen komt”. ( 33 ) De vaststelling van de zetel heeft derhalve naar haar aard kwantitatieve gevolgen, zonder dat de lidstaten echter kan worden verweten, zoals het Parlement heeft gesteld, dat zij hun bevoegdheid ultra vires hebben uitgeoefend.
54.
Nu dat is verduidelijkt, moet worden erkend dat de tekst van de protocollen met betrekking tot de concrete duur van de periodes van plenaire vergaderingen niet duidelijk is en moet, samen met het Parlement, worden vastgesteld dat er wat dat betreft geen uitdrukkelijke regel bestaat. Ik ben bovendien geneigd de verplichtingen betreffende de duur, die de Franse Republiek uit punt 5 van het arrest Frankrijk/Parlement afleidt, te relativeren. Dat punt, dat slechts preciseert dat „[t]ussen partijen [...] evenwel vast[staat], dat de plenaire vergaderingen die van maandag tot en met vrijdag duren, worden gehouden te Straatsburg”, maakt duidelijk deel uit van het onderdeel van het arrest dat de voorgeschiedenis van het geding in herinnering roept, zodat daaraan niet werkelijk gevolgen in rechte kunnen worden verbonden. Het bijzonder starre standpunt van de Franse Republiek dienaangaande wordt aanzienlijk verzwakt door het feit dat de periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen sedert 2001 slechts duren van maandag tot en met donderdag, zonder dat de Franse Republiek zich destijds op enigerlei wijze heeft verzet. ( 34 )
55.
Er kan derhalve niet eenvoudigweg worden overgegaan tot het toetsen van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten door ze te vergelijken met een duidelijk vastgestelde regel, die de duur van de periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen vaststelt. In deze omstandigheden vereist de uitoefening door het Hof van zijn toezicht, de toepassing van een meer volledige toets.
c) Toets betreffende de algehele samenhang
56.
Het ontbreken van een uitdrukkelijke regel, gecombineerd met de natuurlijke ontwikkeling van de rol van het Parlement en, bijgevolg, van zijn werkzaamheden, maakt duidelijk dat moet worden overgegaan tot een dynamische uitlegging van de protocollen met inachtneming van de beginselen van wederzijdse eerbiediging, zoals die door het Hof in het kader van zijn arrest Frankrijk/Parlement zijn opgesteld. De analyse moet derhalve uitgebreider zijn en het is dus niet meer de duur van de periode, in strikte zin, die bepalend is in verband met het oordeel betreffende de rechtmatigheid van de bestreden besluiten, maar meer de algehele samenhang van de roosters.
57.
Bijgevolg vindt de toets betreffende de algehele samenhang in twee stappen plaats.
58.
Om te beginnen moeten de werkroosters voor 2012 en 2013 in hun geheel worden onderzocht door met name de frequentie en de duur van de voorgenomen twaalf periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen in aanmerking te nemen.
59.
Vervolgens mag het Hof, wanneer het mogelijk een verbreking van de regelmaat of een onsamenhangendheid in de opbouw van de roosters vaststelt, niet automatisch tot schending van de protocollen concluderen, aangezien uit zijn arrest Frankrijk/Parlement blijkt dat het Hof heeft erkend dat het Parlement de mogelijkheid heeft om dergelijke onregelmatigheden te rechtvaardigen. Wat dat betreft moet het Hof, naast de verschillende conjuncturele rechtvaardigingsgronden die kunnen worden aangevoerd, met name alert zijn op het verzekeren van de goede werking van de instelling en het goede verloop van zijn procedures.
60.
Deze toets lijkt mij het meest geschikt om het evenwicht te behouden dat het Hof moet trachten te bereiken en die zowel de bevoegdheid van de lidstaten om de zetel van het Parlement vast te stellen als de bevoegdheid van het Parlement om over zijn interne organisatie te besluiten, het meest eerbiedigt. Wat stel ik nu vast wanneer ik deze toets op de bestreden besluiten toepas?
i) Het houden van twee periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen in dezelfde week van oktober vormt een onsamenhangendheid
61.
Voor 2012 en 2013 bepalen de bestreden besluiten voor elke maand van het jaar, met uitzondering van augustus en oktober, dat er één periode van maandelijkse plenaire vergaderingen plaatsvindt, gedurende een periode van vier dagen (met name van maandagmiddag 5 uur tot en met donderdagmiddag 5 uur). In oktober, en na de vaststelling van een amendement dat beoogde om de „vergadering van week 40 te schrappen” en de „vergadering van oktober II te splitsen” ( 35 ), worden in dezelfde week twee vergaderingen van twee dagen (maandag en dinsdag, en vervolgens donderdag en vrijdag) gehouden.
62.
Uit een volstrekt objectief onderzoek van de roosters blijkt aldus dat de bestreden besluiten een verbreking van de regelmaat van de vergaderingen hebben bekrachtigd. Het valt derhalve moeilijk te bestrijden dat, hoewel het ontbreken van een vergaderperiode in augustus noodzakelijkerwijs tot een onregelmatigheid in het rooster leidt, in de zin dat in dezelfde maand twee vergaderingen moeten worden gehouden, deze onregelmatigheid in 2012 en 2013 groter wordt door het verschil in de duur van de periode, in vergelijking met de overige maanden van het jaar, waarin een periode van maandelijkse plenaire vergaderingen – gespreid over vier dagen – moet worden gehouden.
ii) Geen rechtvaardiging
63.
Zoals ik heb gememoreerd, kan het Parlement evenwel op grond van zijn interne-organisatiebevoegdheid passende maatregelen nemen om zijn goede werking en het goede verloop van zijn procedures te verzekeren. Het Hof heeft zich overigens, in ieder geval in zijn arrest Frankrijk/Parlement, niet in een andere zin uitgesproken, aangezien het heeft erkend dat van het principe om twaalf periodes van gewone plenaire vergaderingen te houden, kan worden afgeweken, op voorwaarde dat deze afwijking is gerechtvaardigd. ( 36 ) De protocollen kunnen derhalve niet aldus worden uitgelegd dat deze interne-organisatiebevoegdheid wordt ontkend.
64.
Voor het feit dat de twee in oktober 2012 en oktober 2013 voorgenomen periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen niet even lang duren als die in de overige maanden van het jaar, kan derhalve een rechtvaardigingsgrond worden aangevoerd.
65.
Ik moet echter vaststellen dat het Parlement moeilijk kan overtuigen wat de mogelijke rechtvaardigingsgronden betreft, of op zijn minst de redenen kan uitleggen waarom de duur van de twee periodes van plenaire vergaderingen in oktober 2012 en oktober 2013 door de bestreden besluiten is ingekort tot twee dagen.
66.
In de eerste plaats moet ik toegeven dat de duidelijk door het Parlement geuite wens om zelf de plaats van zijn zetel te kunnen vaststellen, zo zeer dat het niet gemakkelijk is om onderscheid te maken tussen dat wat in verband met de regeling van zijn werkzaamheden tot de werkelijke behoefte van het Parlement behoort en dat wat valt onder het tendentieus gebruiken van zijn interne-organisatiebevoegdheid teneinde de door het primaire recht opgelegde regels te omzeilen, doorgaans ten koste gaat van de juridische argumentatie van het Parlement. De erkenning dat het Parlement de vrijheid heeft om zelf de plaats van zijn zetel vast te stellen, hoe wenselijk dat ook zou kunnen zijn, kan niet worden verwezenlijkt door het gebruik dat wordt gemaakt van zijn interne-organisatiebevoegdheid, maar vereist daarentegen het aannemen van een herziening van het primaire recht, waartoe het Parlement mogelijkerwijs het initiatief kan nemen. ( 37 )
67.
In de tweede plaats heeft het Parlement geen bijzondere redenen aangevoerd op grond waarvan valt te begrijpen waarom de plenaire vergaderingen in oktober moeten worden geregeld zoals in de bestreden besluiten is voorzien.
68.
Het heeft gesteld dat de begrotingszitting, waarover de protocollen bepalen dat deze te Straatsburg moet worden gehouden, thans en na de opeenvolgende wijzigingen van de begrotingsprocedure, minder belangrijk is dan ten tijde van de vaststelling van het besluit van Edinburgh. Hoewel de uitoefening door het Parlement van zijn begrotingsbevoegdheid een fundamenteel moment vormt in het democratische leven van de Unie en derhalve met volle aandacht, de grootste nauwkeurigheid en volledige betrokkenheid die een dergelijke verantwoordelijkheid vereist, dient te geschieden, is het niet aan het Hof om a priori een gemiddelde duur van de begrotingszitting op te leggen. Maar zelfs aangenomen dat een dergelijke vergadering korter kan duren dan die in de overige periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen, waarvan ik niet overtuigd ben, verhult dat niet het feit dat van de in dezelfde week van oktober 2012 en oktober 2013 vastgestelde tweede periode van maandelijkse plenaire vergaderingen, die derhalve niet de begrotingsvergadering vormt, zonder duidelijke reden de duur is ingekort in vergelijking met de maandelijkse plenaire vergaderingen in de overige maanden van het jaar.
69.
Het is in dat opzicht weinig overtuigend om nu reeds te stellen dat bijvoorbeeld de werkzaamheden van het Parlement tijdens de maandelijkse plenaire vergadering in oktober 2013 die niet aan de begroting is gewijd, licht zullen zijn en dat twee dagen vergaderen ( 38 ) zullen volstaan. Een snel onderzoek van de agenda van de laatste maandelijkse plenaire vergaderingen laat een overvolle agenda zien, die derhalve over vier dagen is gespreid. ( 39 ) In antwoord op een vraag ter terechtzitting inzake dat punt, heeft de vertegenwoordiger van het Parlement niet duidelijk gemaakt waarom precies, naast de veronderstelling betreffende de begrotingszitting, zou moeten worden aangenomen dat de agenda van de andere in oktober vastgestelde vergadering licht zou zijn, en heeft hij zelfs erkend dat het voor het Parlement niet mogelijk is om op het moment van de stemming over zijn rooster vooruit te lopen op de inhoud van de agenda van de verschillende vergaderingen.
70.
Het argument dat is ontleend aan de toename van de werkzaamheden van het Parlement in de commissies, ten koste van de werkzaamheden in de plenaire vergadering, is zeer belangwekkend en weerspiegelt zeker een daadwerkelijke ontwikkeling in de regeling van de werkzaamheden van het Parlement. Niettemin blijft mij wederom ontgaan waarom alleen de duur van deze periode van vergaderingen in oktober is ingekort.
71.
Ten slotte heeft het Parlement eveneens aangevoerd dat de bestreden besluiten moeten worden gelezen in het licht van de kosten die worden veroorzaakt door de pluraliteit van plaatsen waar het Parlement zijn werkzaamheden verricht; kosten die nog meer in het oog springen in de context van een economische crisis. Dit is ontegenzeglijk het sterkste argument. De huidige context verplicht waarschijnlijk dat wordt nagedacht over dat thema. Dat neemt niet weg dat, gelet op de bij de Verdragen vastgestelde verdeling van bevoegdheden, deze verantwoordelijkheid bij de lidstaten berust. Ik voeg daaraan toe dat volgens mij deze kosten deel uitmaken van de „inherente gevolgen” van de pluraliteit van plaatsen waar het Parlement zijn werkzaamheden verricht, die het Hof heeft aangevoerd in zijn arrest Frankrijk/Parlement. ( 40 ) Aangezien het protocol in elk geval twaalf periodes van maandelijkse plenaire vergaderingen vereist, leidt het in dezelfde maand houden van twee periodes van plenaire vergaderingen, die elk even lang duren als die in de overige maanden van het jaar, niet tot extra kosten in vergelijking met de kosten van het gedurende het hele jaar houden van een dergelijke periode per maand, met inbegrip van de maand augustus.
72.
Bijgevolg heeft het Parlement geen conjuncturele redenen aangevoerd die een aanpassing van zijn rooster op één punt kunnen rechtvaardigen, en evenmin aangetoond dat het in oktober houden van twee periodes van gewone plenaire vergaderingen die even lang duren als die in de overige maanden van het jaar, zijn goede werking zou belemmeren of het goede verloop van zijn procedures zou schaden.
d) Conclusie
73.
Gelet op de algemene inrichting van de roosters voor 2012 en 2013 lijkt het mij derhalve duidelijk dat de twee in dezelfde week van oktober 2012 en oktober 2013 vastgestelde zittingen in feite één enkele zitting vormen, waarvan men op grond van het ontbreken van een overtuigende verklaring door het Parlement in het kader van de onderhavige procedure, terecht kan aannemen dat deze kunstmatig in twee delen is gesplitst, teneinde op niet minder kunstmatige wijze te voldoen aan de bij de protocollen vastgestelde vereisten.
74.
Ik moet bijgevolg vaststellen dat de twee in dezelfde week van oktober vastgestelde zittingen, afzonderlijk beschouwd, niet kunnen worden gekwalificeerd als maandelijkse plenaire zittingen, als bedoeld in de protocollen. De bestreden besluiten stellen derhalve voor 2012 en 2013 niet de twaalf maandelijkse plenaire zittingen vast, die genoemde protocollen vereisen.
75.
Het door de Franse Republiek in het kader van de onderhavige beroepen aangevoerde enige middel is derhalve gegrond en moet worden aanvaard.
V – Kosten
76.
Volgens artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Franse Republiek dat heeft gevorderd, moet het Europees Parlement in de kosten worden verwezen.
77.
Overeenkomstig artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering zal het Groothertogdom Luxemburg zijn eigen kosten dragen.
VI – Conclusie
78.
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging als volgt uitspraak te doen:
„1)
De besluiten van het Europees Parlement van 9 maart 2011 betreffende het vergaderrooster van het Parlement voor 2012 en betreffende het vergaderrooster van het Parlement voor 2013 worden nietig verklaard voor zover zij in de maand oktober van de betrokken jaren in dezelfde week twee gewone plenaire zittingen vaststellen, van kortere duur dan de zittingen die in de overige maanden van het jaar moeten worden gehouden, terwijl een dergelijk verschil niet is gerechtvaardigd.
2)
Het Europees Parlement wordt verwezen in de kosten.
3)
Het Groothertogdom Luxemburg zal zijn eigen kosten dragen.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) Zie enig artikel van bedoelde protocollen, sub a.
( 3 ) Dat wil zeggen die van 1 tot en met 4 oktober 2012 en die van 30 september tot en met 3 oktober 2013.
( 4 ) Alleen de vermelding van het jaar van het betrokken werkrooster van het Parlement verschilt immers.
( 5 ) Zaak C-345/95 (Jurispr. blz. I-5215).
( 6 ) Verweerder haalt daartoe de arresten aan van het Hof van 23 april 1986, Les Verts/Parlement (294/83, Jurispr. blz. 1339, punten 25 e.v.), en 23 maart 1993, Weber/Parlement (C-314/91, Jurispr. blz. I-1093, punt 12), alsook het arrest van het Gerecht van 10 april 2003, Le Pen/Parlement (T-353/00, Jurispr. blz. II-1729, punt 77).
( 7 ) De Franse Republiek baseert zich hier met name op de arresten van 10 februari 1983, Luxemburg/Parlement (230/81, Jurispr. blz. 255, punt 30); 22 september 1988, Frankrijk/Parlement (358/85 en 51/86, Jurispr. blz. 4821, punt 15), en 28 november 1991, Luxemburg/Parlement (C-213/88 en C-39/89, Jurispr. blz. I-5643, punt 16).
( 8 ) Arrest van 28 november 1991, Luxemburg/Parlement (reeds aangehaald, punt 15).
( 9 ) Arrest van 23 maart 1993 (C-314/91, Jurispr. blz. I-1093).
( 10 ) Arrest Weber/Parlement (reeds aangehaald, punten 9 en 10).
( 11 ) Ibidem (punt 11).
( 12 ) Arrest van 28 november 1991, Luxemburg/Parlement (reeds aangehaald, punten 26 en 27). Zie voor een uitvoerig voorbeeld van de impliciete erkenning van het besluitvormend karakter van een wijziging van het reglement van het Parlement, arrest van 30 maart 2004, Rothley e.a./Parlement (C-167/02 P, Jurispr. blz. I-3149).
( 13 ) Beschikking van 4 juni 1986, Europese Rechtse Fractie/Parlement (78/85, Jurispr. blz. 1753, punt 11).
( 14 ) Beschikking van 22 mei 1990, Blot en Front national/Parlement (C-68/90, Jurispr. blz. I-2101, punten 10 en 11).
( 15 ) Zie punt 16 van de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald). Advocaat-generaal Mancini had zich toen reeds uitgelaten omtrent de mogelijkheid dat handelingen van interne organisatie rechtsgevolgen in het leven roepen [zie zijn conclusie in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 10 februari 1983, Luxemburg/Parlement (230/81, Jurispr. blz. 255, met name blz. 302)].
( 16 ) Arrest van 16 december 1960, Humblet/Belgische Staat (6/60, Jurispr. blz. 1169).
( 17 ) Zie punten 9 e.v. van de conclusie van advocaat-generaal Lenz in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald).
( 18 ) Arrest van 10 februari 1983, Luxemburg/Parlement (reeds aangehaald, punt 30).
( 19 ) Arrest van 28 november 1991, Luxemburg/Parlement (reeds aangehaald, punt 16).
( 20 ) Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van het Parlement dat cijfer teruggebracht tot 34 dagen, aangezien de maandelijkse plenaire vergaderingen op maandag pas om 5 uur ’s middags beginnen, en op donderdag op hetzelfde tijdstip eindigen.
( 21 ) Arrest van 10 juli 1986, Wybot (149/85, Jurispr. blz. 2391, punt 16).
( 22 ) Het Parlement, dat verwijst naar een studie van 2007, heeft het getal van 19000 ton koolstofdioxide aangevoerd. De Franse Republiek, die een andere studie uit 2012 aanhaalt, raamt de milieubelasting van de verplaatsingen naar Straatsburg op 4699 ton koolstofdioxide. Wat de economische kosten betreft, voert het Parlement, op basis van een studie van 2011, het getal van 160 miljoen EUR aan; de Franse Republiek, die dezelfde studie aanhaalt als die betreffende de milieubelasting, raamt de kosten van de vaststelling van de plaats van de zetel van het Parlement te Straatsburg op 15 miljoen EUR.
( 23 ) Arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald, punt 24).
( 24 ) Ibidem (punt 25).
( 25 ) Ibidem (punt 26).
( 26 ) Ibidem (punt 28).
( 27 ) Ibidem (punt 29).
( 28 ) Ibidem (punt 31).
( 29 ) Ibidem (punt 32).
( 30 ) Ibidem (punt 32).
( 31 ) Zie punt 16 van het arrest Wybot (reeds aangehaald).
( 32 ) Teneinde de werkingssfeer ratione temporis vast te stellen van de parlementaire onschendbaarheid van een Europese afgevaardigde.
( 33 ) Arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald, punt 25). Cursivering van mij.
( 34 ) Het feit dat de Franse Republiek zich niet heeft verzet tegen een dergelijke wijziging van de praktijk, terwijl deze, volgens het Parlement, naar verhouding veel belangrijker was dan die welke door de bestreden besluiten is vastgesteld, heeft echter geen gevolgen voor het oordeel dat het Hof thans over genoemde besluiten moet geven.
( 35 ) Zie punt 8 van de onderhavige conclusie.
( 36 ) Zie arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald, punt 33).
( 37 ) Zie artikel 48 VEU.
( 38 ) Om volstrekt duidelijk te zijn, van maandag tot en met dinsdag of van donderdag tot en met vrijdag.
( 39 ) Het volstaat om de agenda te bestuderen van de meest recente door het Parlement te Straatsburg gehouden plenaire vergadering, van 2 tot en met 5 juli 2012, om zich daarvan te overtuigen (zie zittingsdocument nr. 491.927 van 2 juli 2012).
( 40 ) Zie arrest van 1 oktober 1997, Frankrijk/Parlement (reeds aangehaald, punt 32).
Full & Egal Universal Law Academy