CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 7 februari 2013 ( 1 )
Zaak C‑476/11
HK Danmark, optredend namens Glennie Kristensen
tegen
Experian A/S
[verzoek van het Vestre Landsret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing]
„Gelijke behandeling in arbeid en beroep — Richtlijn 2000/78/EG — Verbod van discriminatie op grond van leeftijd — Ondernemings‑ en sectoriële regeling van sociale zekerheid — Werkgeversbijdragen aan bedrijfspensioenvoorziening — Systeem van vaste bijdragen — Leeftijdsafhankelijke bijdragepercentages — Artikel 6, lid 2, van de richtlijn — Reikwijdte van de uitzondering”
I – Inleiding
1.
Mag een onderneming de hoogte van de door haar als werkgever betaalde bijdragen voor de bedrijfspensioenverzekering laten afhangen van de leeftijd van haar medewerkers of maakt zij zich dan schuldig aan verboden leeftijdsdiscriminatie? Om deze vraag draait het in het door het Vestre Landsret ingediende verzoek om een prejudiciële beslissing, dat het Hof de gelegenheid biedt zijn rechtspraak over leeftijdsdiscriminatie te preciseren. ( 2 )
2.
Concreet wenst het Vestre Landsret te vernemen of een bedrijfspensioenregeling met leeftijdsafhankelijke bijdragepercentages onder artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG ( 3 ) inzake gelijke behandeling valt. Dit is de eerste keer dat het Hof wordt gevraagd deze bepaling uit te leggen. ( 4 )
II – Toepasselijke bepalingen
A – Unierecht
3.
Het Unierechtelijke kader van de onderhavige zaak wordt bepaald door richtlijn 2000/78/EG. Volgens artikel 1 ervan heeft deze richtlijn tot doel,
„met betrekking tot arbeid en beroep een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden”.
4.
Onder het opschrift „Het begrip discriminatie” bepaalt artikel 2 van richtlijn 2000/78:
„1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder het ‚beginsel van gelijke behandeling’ verstaan de afwezigheid van directe of indirecte discriminatie op een van de in artikel 1 genoemde gronden.
2. Voor de toepassing van lid 1 is er:
a)
‚directe discriminatie’, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op basis van een van de in artikel 1 genoemde gronden;
[...]”
5.
De werkingssfeer van richtlijn 2000/78 wordt in artikel 3 als volgt omschreven:
„1. Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is deze richtlijn zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
[....]
c)
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;
[...]
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.
[...]”
6.
Artikel 6 van richtlijn 2000/78, „Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd”, bepaalt:
„1. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:
a)
het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;
b)
de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of ‑anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;
[...]
2. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat de vaststelling, in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen‑ of invaliditeitsuitkeringen, inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht.”
B – Nationaal recht
7.
Richtlijn 2000/78 is in Deens recht omgezet bij de Lov om forbud mod forskelsbehandling på arbejdsmarkedet m.v. (Forskelbehandlingslov; hierna: „wet gelijke behandeling”) ( 5 ).
8.
§ 1 van de wet gelijke behandeling definieert het begrip discriminatie op dezelfde wijze als artikel 2 van de richtlijn. § 2, lid 1, van deze wet verbiedt discriminatie van werknemers, onder meer bij aanwerving, bij ontslag en bij salariëring. Volgens lid 3 van dezelfde bepaling heeft de werknemer die op het punt van salariëring wordt gediscrimineerd, recht op betaling van het beloningsverschil.
9.
§ 6a van de wet gelijke behandeling geeft uitvoering aan artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 en luidt als volgt:
„Niettegenstaande het bepaalde in de §§ 2 tot en met 5 verzet deze wet zich niet tegen de vaststelling, in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd, noch tegen het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen. Het gebruik van leeftijdscriteria mag niet leiden tot discriminatie op grond van geslacht.”
III – Feiten en prejudiciële vragen
10.
G. Kristensen is van november 2007 tot oktober 2008 bij Experian A/S (hierna: „Experian”) in dienst geweest als medewerker van de klantendienst.
11.
Experian heeft een bedrijfspensioenvoorziening, hoewel er geen wet of collectieve overeenkomst is die haar daartoe verplicht. Deze regeling berust uitsluitend op de arbeidsovereenkomst tussen Experian en haar werknemer. Deelname aan de bedrijfspensioenregeling is voor al het personeel van Experian verplicht en start automatisch na een diensttijd van negen maanden. Volgens de pensioenregeling betaalt Experian twee derde van de bijdrage, en de werknemer het resterende derde deel. De pensioenbijdragen zijn een percentage van het basissalaris en zijn als volgt vastgesteld:
—
werknemers jonger dan 35 jaar: werknemersaandeel 3 % – aandeel Experian 6 %;
—
werknemers van 35 tot en met 44 jaar: werknemersaandeel 4 % – aandeel Experian 8 %;
—
werknemers vanaf 45 jaar: werknemersaandeel 5 % – aandeel Experian 10 %.
12.
Kristensen was bij haar indiensttreding 29 jaar oud. Daarom betaalde Experian, zoals in de arbeidsovereenkomst was bepaald, een bedrag ter hoogte van 6 % van haar basissalaris aan de bedrijfspensioenverzekering. De maandelijkse bezoldiging van Kristensen bestond dus uit het overeengekomen basissalaris van 21500 DKK plus de door de werkgever betaalde pensioenbijdrage van 6 %, zodat haar totale salaris uitkwam op 22790 DKK per maand. Als zij tussen 35 en 44 jaar oud was geweest, zou zij echter wegens de in dat geval hogere werkgeversbijdrage aan de pensioenverzekering 23220 DKK per maand hebben ontvangen, en als zij 45 jaar of ouder was geweest, zou het maandelijks door haar ontvangen bedrag 23650 DKK hebben bedragen.
13.
Verzoeker in het hoofdgeding, de namens Kristensen optredende Handels‑ og Kontorfunktionærernes Forbund Danmark (HK) ( 6 ), acht dit in strijd met het in § 2 van de wet gelijke behandeling geformuleerde verbod van discriminatie op grond van leeftijd en vordert daarom schadevergoeding en nabetaling van de pensioenbijdragen.
14.
Volgens de verwijzende rechter rijst de vraag of de door Experian voorgestane uitlegging dat leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen op grond van § 6a van de wet gelijke behandeling zijn toegestaan, verenigbaar is met artikel 6, lid 2, van de richtlijn.
15.
Het Vestre Landsret heeft derhalve bij beschikking van 14 september 2011, ingekomen bij de griffie van het Hof op 19 september daaraanvolgend, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
„1)
Moet de uitzondering van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 aldus worden uitgelegd dat de lidstaten op basis daarvan ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid in het algemeen kunnen uitzonderen van het in artikel 2 van deze richtlijn geformuleerde verbod van directe of indirecte discriminatie op grond van leeftijd, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht?
2)
Moet de uitzondering van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 aldus worden uitgelegd dat het een lidstaat niet verboden is een rechtssituatie te laten voortbestaan waarin een werkgever de mogelijkheid heeft om als onderdeel van de beloning leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen te betalen – waarbij bijvoorbeeld de bijdrage voor werknemers jonger dan 35 jaar 6 %, die voor werknemers van 35 tot en met 44 jaar 8 % en die voor werknemers vanaf 45 jaar 10 % bedraagt – mits dit niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht?”
IV – Procesverloop voor het Hof
16.
In de procedure voor het Hof hebben behalve HK en Experian tevens de Deense regering en de Europese Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend. Aan de schriftelijke behandeling hebben bovendien de Belgische, de Duitse, de Nederlandse en de Spaanse regering deelgenomen.
V – Juridische beoordeling
Eerste prejudiciële vraag
17.
Evenals de Commissie twijfel ik aan de relevantie van de eerste prejudiciële vraag voor de uitkomst van het hoofdgeding. Of de hier aan de orde zijnde pensioenregeling op grond van de richtlijn is toegestaan, zal namelijk al blijken uit het antwoord van het Hof op de tweede prejudiciële vraag, zodat een verdergaande uitlegging van artikel 6, lid 2, niet noodzakelijk is om het hoofdgeding te kunnen beslechten. Ik zal de eerste prejudiciële vraag dan ook niet beantwoorden.
Tweede prejudiciële vraag
18.
Met zijn tweede prejudiciële vraag wenst het Vestre Landsret te vernemen of de richtlijn een lidstaat toestaat een rechtssituatie te laten voortbestaan waarin een werkgever in het kader van een bedrijfspensioenvoorziening leeftijdsafhankelijke bijdragen hanteert.
19.
Hoewel richtlijn 2000/78 in beginsel discriminatie op het terrein van arbeid en beroep verbiedt, staat zij de lidstaten in artikel 6 toe voor specifieke situaties vast te stellen dat bepaalde maatregelen geen discriminatie op grond van leeftijd vormen. Denemarken heeft in elk geval van deze mogelijkheid gebruikgemaakt wat betreft artikel 6, lid 2, dat in Deens recht is omgezet bij § 6a van de wet gelijke behandeling. Blijkens de verwijzingsbeschikking legt het Deense ministerie van Werkgelegenheid deze nationale bepaling aldus uit, dat een bedrijfspensioenregeling zoals die van Experian daaronder valt en dus is toegestaan.
20.
Het is de vraag of deze uitlegging verenigbaar is met artikel 6, lid 2, van de richtlijn. In wezen moet dus worden nagegaan of een ouderdomspensioenvoorziening zoals die van Experian onder artikel 6, lid 2, kan worden gebracht.
1. Toepasselijkheid van de richtlijn
21.
Allereerst moet worden nagegaan of richtlijn 2000/78 van toepassing is. Volgens artikel 3, lid 1, sub c, is deze richtlijn „[b]innen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden [...] zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot [...] werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning”.
22.
Gelet op artikel 3, lid 3, gelezen in samenhang met punt 13 van de considerans, vallen onder de richtlijn echter niet de stelsels voor sociale zekerheid en voor sociale bescherming waarvan de uitkeringen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de zin van artikel 157 VWEU, noch de uitkeringen van welke aard ook die door de staat worden verstrekt en die de toegang tot arbeid of behoud van arbeid tot doel hebben. ( 7 )
23.
Zoals ook de Commissie en de Belgische regering betogen, is voor de toepasselijkheid van de richtlijn op het onderhavige geval dus bepalend of de werkgeversbijdragen aan de pensioenverzekering kunnen worden gelijkgesteld met een beloning in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU. ( 8 ) Dit is naar mijn mening het geval.
24.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof omvat het begrip „beloning” in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU „alle huidige of toekomstige voordelen in geld of in natura, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden toegekend”. ( 9 ) Zoals advocaat-generaal Jääskinen onlangs in zijn conclusie in de zaak Römer ( 10 ) heeft verklaard, vat het Hof het begrip beloning dus ruim op en omvat dit met name alle vormen van pensioen die worden toegekend in het kader van een bedrijfspensioenregeling.
25.
In deze zin heeft het Hof met betrekking tot bedrijfspensioenuitkeringen reeds verklaard dat deze als beloning zijn aan te merken. ( 11 ) Anders dan de zaak Barber ( 12 ) en de overige zojuist aangehaalde zaken ( 13 ) betreft de onderhavige zaak weliswaar niet de uitbetaling van pensioen aan een gepensioneerde werknemer, maar de afdracht van pensioenbijdragen door de werkgever. De bijdragebetalingen door Experian hebben dan ook niet het karakter van vaststaande uitkeringen aan een werknemer (systeem van „vaste prestaties”), maar het zijn vaststaande bijdragen aan de pensioenverzekering (systeem van „vaste bijdragen”). Ook deze bijdragebetalingen moeten echter als beloning worden beschouwd.
26.
Om te beginnen vormen de door Experian betaalde bijdragen een huidig voordeel, aangezien zij voor elke medewerker van dit bedrijf na een diensttijd van negen maanden maandelijks worden overgemaakt. Bovendien volgt de verplichting tot bijdragebetaling uitsluitend uit de arbeidsovereenkomst en wordt er alleen voor medewerkers van Experian bijdrage betaald. ( 14 ) De bijdragen worden dus rechtstreeks uit hoofde van de dienstbetrekking en als tegenprestatie voor de bij Experian verrichte werkzaamheden betaald. De betaling vindt weliswaar niet rechtstreeks aan de werknemer zelf plaats, maar de bijdragen worden op zijn persoonlijke pensioenrekening gestort. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Experian echter in antwoord op een vraag van het Hof verklaard dat elke werknemer zelf de beschikking over zijn pensioenrekening heeft en samen met zijn pensioenadviseur zelf bepaalt hoe hij het gespaarde bedrag investeert met het oog op zijn oude dag. De gestorte bijdragen behoren derhalve tot de beloning in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU. ( 15 )
2. Verschil in behandeling in de zin van artikel 2, lid 2, van de richtlijn
27.
Blijkens artikel 1 juncto artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 is zowel directe als indirecte leeftijdsdiscriminatie in arbeid en beroep verboden, waarbij onder discriminatie elk ongerechtvaardigd verschil in behandeling moet worden verstaan. ( 16 )
28.
Volgens artikel 2, lid 2, sub a, juncto artikel 1 van de richtlijn is er sprake van directe leeftijdsdiscriminatie als iemand op grond van zijn leeftijd ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld. De ongelijke behandeling houdt dus rechtstreeks verband met de leeftijd van de betrokkene.
29.
Zoals de verwijzende rechter aangeeft, bestaat het salaris van het personeel van Experian uit het voor alle medewerkers gelijke basissalaris plus de leeftijdsafhankelijke pensioenbijdrage. Aangezien Kristensen tijdens haar dienstverband bij Experian jonger dan 35 jaar was, bedroeg de door Experian betaalde werkgeversbijdrage voor haar pensioen 6 % van haar basissalaris. Haar totale maandelijkse bezoldiging (basissalaris + 6 % werkgeversbijdrage) was dus lager dan een oudere medewerker zou hebben ontvangen (basissalaris + 8 % werkgeversbijdrage voor medewerkers vanaf 35 jaar; basissalaris + 10 % werkgeversbijdrage voor medewerkers vanaf 45 jaar). De lagere bezoldiging en daarmee de minder gunstige behandeling houdt rechtstreeks verband met de leeftijd. De bedrijfspensioenregeling van Experian heeft derhalve een direct verschil in behandeling op grond van leeftijd in de zin van artikel 2, lid 2, sub a, juncto artikel 1 van richtlijn 2000/78 tot gevolg.
3. Rechtvaardiging van het verschil in behandeling
30.
De leeftijdsafhankelijke pensioenbijdragen leveren echter geen ongeoorloofde leeftijdsdiscriminatie op wanneer het verschil in behandeling gerechtvaardigd is.
a) Rechtvaardiging op grond van artikel 6, lid 2, van de richtlijn
31.
Experian is van mening dat haar pensioenregeling onder artikel 6, lid 2, van de richtlijn valt en om die reden gerechtvaardigd is. HK verdedigt het tegenovergestelde standpunt en stelt bovendien dat artikel 6, lid 2, überhaupt niet op het onderhavige geval kan worden toegepast.
i) Toepasselijkheid van artikel 6, lid 2, van de richtlijn
32.
Artikel 6, lid 2, bevat een regeling voor leeftijdsgerelateerde verschillen in behandeling in het kader van ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid. Volgens HK is deze bepaling niet van toepassing op het onderhavige geval, aangezien het hier niet gaat om discriminatie in het kader van een dergelijke regeling, maar om discriminatie op een eerder tijdstip, namelijk dat waarop de werknemer zijn beloning krijgt uitbetaald. Volgens HK kan Experian zich dan ook niet op artikel 6, lid 2, beroepen. Deze zienswijze overtuigt mij niet.
33.
Het door Experian betaalde bedrag wordt als bijdrage aan het bedrijfspensioenstelsel gestort op de pensioenrekening van de betrokken werknemer. Er is dus zonder enige twijfel sprake van een prestatie in het kader van de bedrijfspensioenvoorziening. Zoals gezegd ( 17 ), moet een dergelijke betaling als beloning in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU worden beschouwd, wat een voorwaarde voor de toepasselijkheid van richtlijn is.
34.
Als men nu echter net zoals HK redeneerde dat de toepasselijkheid van artikel 6, lid 2, van de richtlijn is uitgesloten zodra de prestaties in het kader van een ondernemings‑ of sectoriële regeling inzake sociale zekerheid het karakter van beloning hebben, zou deze bepaling volstrekt betekenisloos worden. De toepasselijkheid van de richtlijn op ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid zou dan immers steeds automatisch de toepasselijkheid van artikel 6, lid 2, uitsluiten. Het feit dat een voorwaarde voor de toepasselijkheid van de richtlijn op dergelijke regelingen is dat de concrete prestatie van de werkgever het karakter van beloning heeft, terwijl de richtlijn tegelijkertijd ook een uitzonderingsbepaling voor dergelijke regelingen bevat, laat zien dat het door HK verdedigde standpunt niet kan worden aanvaard en dat het beloningskarakter van een betaling niet automatisch de toepasselijkheid van artikel 6, lid 2, kan uitsluiten.
35.
De betrokken werkgeversbijdragen hebben dan ook het karakter van een prestatie in het kader van een ondernemingsregeling inzake sociale zekerheid, zodat artikel 6, lid 2, van de richtlijn kan worden toegepast.
ii) Voorwaarden van artikel 6, lid, 2
36.
Dit doet de vraag rijzen of de bedrijfspensioenregeling waarom het in deze zaak gaat, op grond van artikel 6, lid 2, valt te rechtvaardigen. Deze bepaling noemt drie varianten ( 18 ) in het kader waarvan leeftijdscriteria zijn toegestaan, namelijk de vaststelling van een leeftijdsgrens voor toetreding tot een dergelijke regeling ( 19 ) (eerste variant), de vaststelling van een leeftijdsgrens voor het verkrijgen van het recht op pensioen‑ of invaliditeitsuitkeringen (tweede variant), en het gebruik van leeftijdscriteria in actuariële berekeningen (derde variant).
– Vaststelling van een toetredingsleeftijd
37.
Volgens de eerste variant van artikel 6, lid 2, is het toegestaan om in ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid een toetredingsleeftijd vast te stellen. Dit betekent dat het op de leeftijd van de werknemer gebaseerde verschil in behandeling wat de hoogte van de pensioenbijdrage betreft, gerechtvaardigd zou zijn als de differentiatie naar leeftijd neerkwam op een voorwaarde om aan de pensioenregeling van Experian te mogen deelnemen.
38.
Bij de uitlegging van artikel 6, lid 2, moet in aanmerking worden genomen dat niet in richtlijn 2000/78 zelf het beginsel is neergelegd van gelijke behandeling in arbeid en beroep, dat zijn oorsprong vindt in diverse internationale instrumenten en de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten, maar dat de richtlijn enkel beoogt inzake die materies een algemeen kader te creëren voor de bestrijding van discriminatie op grond van diverse redenen, waaronder leeftijd. ( 20 ) Volgens het Hof vormt het verbod van discriminatie op grond van leeftijd de uitdrukking van dit algemene Unierechtelijke beginsel ( 21 ), dat door richtlijn 2000/78 slechts wordt geconcretiseerd ( 22 ). Bovendien hebben volgens artikel 6, lid 1, VEU het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de Verdragen dezelfde juridische waarde. Artikel 21, lid 1, van het Handvest verbiedt „[e]lke discriminatie, met name op grond van [...] leeftijd”. Om deze reden moeten uitzonderingen op het discriminatieverbod in beginsel strikt worden uitgelegd. ( 23 )
39.
HK en de Spaanse regering zijn dan ook van mening dat de pensioenregeling van Experian niet onder de uitzondering van artikel 6, lid 2, van de richtlijn valt. Zij betogen dat de in deze regeling toegepaste differentiatie naar leeftijd niet neerkomt op een voorwaarde om aan de regeling te mogen deelnemen. Aangezien elke medewerker na een diensttijd van negen maanden automatisch aan de bedrijfspensioenregeling gaat deelnemen, is het „of” van de deelname leeftijdsonafhankelijk geregeld. De differentiatie naar leeftijd komt integendeel neer op een verschil in behandeling wat de uitwerking van de deelname en dus het „hoe” daarvan betreft, waarop artikel 6, lid 2, niet van toepassing is.
40.
Met Experian, de Duitse, de Belgische en de Nederlandse regering en de Commissie ben ik echter van mening dat artikel 6, lid 2, wel op het onderhavige geval van toepassing is. Inderdaad moeten uitzonderingen op het discriminatieverbod, zoals HK en de Spaanse regering terecht stellen, strikt worden uitgelegd. ( 24 ) Het vereiste van strikte uitlegging kan echter niet in de weg staan aan maatregelen die minder ingrijpend zijn dan maatregelen die ook bij een strikte uitlegging zouden zijn toegestaan. Dat is in casu het geval.
41.
Volgens de duidelijke formulering van artikel 6, lid 2, van de richtlijn is de vaststelling van een toetredingsleeftijd toegestaan. Experian zou dus een systeem kunnen hanteren waarin bijvoorbeeld medewerkers jonger dan 35 jaar categorisch van deelname aan de bedrijfspensioenregeling werden uitgesloten. Volledig van deelname aan de regeling te worden uitgesloten, heeft voor een medewerker onmiskenbaar grotere gevolgen dan een deelname met lagere bijdragen.
42.
Als echter zelfs de deelname aan de regeling zelf leeftijdsafhankelijk kan worden gemaakt, zou toch ook een regeling moeten zijn toegestaan die erop neerkomt dat alle medewerkers ongeacht leeftijd aan de bedrijfspensioenvoorziening kunnen deelnemen en waarin uitsluitend de bijdragepercentages leeftijdsafhankelijk zijn. Anders zou de richtlijn namelijk tot het paradoxale resultaat leiden dat een mildere vorm van ongelijke behandeling ontoelaatbaar is, terwijl een verschil in behandeling met verdergaande consequenties is toegestaan.
43.
Vergeleken met de vaststelling van een leeftijdsgrens als gevolg waarvan bepaalde medewerkers categorisch van deelname aan de regeling worden uitgesloten, moeten de door Experian gehanteerde leeftijdsafhankelijke bijdragen als het „mindere” worden beschouwd. Dit verschil in behandeling valt derhalve onder de eerste variant van artikel 6, lid 2, van de richtlijn.
– Noodzaak van een aanvullende evenredigheidstoets
44.
Enkele deelnemers aan de procedure verschillen van mening over de vraag of in het kader van artikel 6, lid 2, een evenredigheidstoets moet plaatsvinden. Volgens HK is dit het geval omdat artikel 6, lid 2, een uitzondering op het discriminatieverbod vormt, die altijd proportioneel moet zijn. Experian en de Deense regering verdedigen het tegenovergestelde standpunt: artikel 6, lid 2, bevat een „algemene” uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van leeftijd, zodat een evenredigheidstoets achterwege kan blijven. Ik deel deze zienswijze.
45.
Om te beginnen volgt deze uitlegging uit een vergelijking van de tekst van de bepaling met die van artikel 6, lid 1. Terwijl artikel 6, lid 1, een evenredigheidstoets voorschrijft, wordt deze eis in artikel 6, lid 2, niet gesteld. Als de wetgever een aanvullende evenredigheidstoets noodzakelijk had geoordeeld, zou hij dat met zoveel woorden hebben bepaald. Daaruit volgt a contrario dat een dergelijke toets in het kader van artikel 6, lid 2, achterwege kan blijven.
46.
Dit verschil tussen het eerste en het tweede lid van artikel 6 blijkt al uit de ontstaansgeschiedenis van de bepaling. In het oorspronkelijke richtlijnvoorstel werd aanvankelijk alleen in enkele subonderdelen van artikel 5 (dat later het huidige artikel 6, lid 1, is geworden) iets over pensioenen gezegd. ( 25 ) Dat artikel 5 verlangde met zoveel woorden dat de verschillen in behandeling „objectief en redelijk door een legitiem doel [werden] gerechtvaardigd en voor de verwezenlijking van dat doel gepast en nodig [waren]”. Ook in latere versies van het richtlijnontwerp waren de bepalingen over bedrijfspensioenregelingen nog opgenomen in het huidige artikel 6, lid 1, ( 26 ) en gold daarvoor dus het voorbehoud van een evenredigheidstoets.
47.
Zoals uit het document van de Raad van de Europese Unie van 20 oktober 2000 (nr. 12494/00, blz. 15) blijkt, werden de bepalingen over ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid pas later in lid 1 ingelast. Vervolgens werden zij in een apart lid opnieuw geformuleerd (zie het voorstel voor artikel 6, lid 3, in het zojuist genoemde document van de Raad, dat correspondeert met het huidige artikel 6, lid 2), zonder dat daarbij de in artikel 6, lid 1, opgenomen formulering inzake de evenredigheidstoets werd overgenomen. In dit verband werd ook punt 25 van de considerans van de richtlijn toegevoegd ( 27 ), waarin wordt verklaard dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd specifieke bepalingen nodig maken die naargelang de situatie in de lidstaten kunnen verschillen. Uit het feit dat de wetgever voor ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid een nieuw lid met een afwijkende tekst heeft geformuleerd, blijkt dat voor deze regelingen met betrekking tot het discriminatieverbod andere voorwaarden gelden dan voor maatregelen in het kader van artikel 6, lid 1. Anders had men de desbetreffende bepalingen wel in lid 1 kunnen laten staan of met zoveel woorden in een evenredigheidstoets voorzien.
48.
Dit wordt ook bevestigd door de verdere systematiek van de richtlijn. Zoals de Deense regering betoogt, komen namelijk ook elders in de richtlijn bepalingen voor die met zoveel woorden een evenredigheidstoets voorschrijven, en bepalingen die dit juist niet doen. Zo voorziet artikel 3, lid 4, dat betrekking heeft op de strijdkrachten, in een uitzondering op het verbod van discriminatie op grond van leeftijd, zonder dat het met zoveel woorden een evenredigheidstoets verlangt. Artikel 4, lid 1, daarentegen bepaalt dat verschillen in behandeling in het beroepsleven alleen dan geen discriminatie vormen, indien „het doel legitiem en het vereiste evenredig aan dat doel is”. De wetgever heeft dus een duidelijk onderscheid gemaakt tussen situaties die principieel van het discriminatieverbod zijn uitgezonderd en situaties waarbij een aanvullende evenredigheidstoets noodzakelijk is.
49.
Deze uitlegging is ook in overeenstemming met het doel van artikel 6, lid 2, dat belemmeringen voor de ontwikkeling van bedrijfspensioenvoorzieningen wil wegnemen en een goed functioneren van dergelijke voorzieningen wil waarborgen. Aangezien de in de verschillende lidstaten bestaande regelingen behalve zeer uiteenlopend ook uiterst complex zijn, is het zaak dat de lidstaten op dit terrein over een ruime beoordelingsmarge beschikken. ( 28 )
50.
Hieruit volgt dat, anders dan HK betoogt, een aanvullende evenredigheidstoets niet vereist is. Men zou zich kunnen afvragen of het feit dat artikel 6, lid 2, in een algemene uitzondering op het discriminatieverbod voorziet zonder een evenredigheidstoets te verlangen, wellicht met het Handvest van de grondrechten in strijd is. Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft echter niet de geldigheid van artikel 6, lid 2.
– Voorlopige conclusie
51.
Samenvattend moet worden geconcludeerd dat een pensioenverzekeringsregeling zoals die van Experian onder artikel 6, lid 2, van de richtlijn valt.
b) Rechtvaardiging op grond van artikel 6, lid 1, van de richtlijn
52.
Voor het geval het Hof deze zienswijze niet zou delen, rijst de vraag of de regeling op grond van artikel 6, lid 1, van de richtlijn valt te rechtvaardigen, zoals Experian subsidiair heeft aangevoerd. De verwijzende rechter heeft weliswaar niet om uitlegging van artikel 6, lid 1, van de richtlijn verzocht, maar om hem een bruikbaar antwoord te kunnen geven, zal ik hierna toch subsidiair op deze bepaling ingaan.
53.
Volgens artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 vormt een verschil in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie indien het in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel, met name legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. ( 29 ) Per saldo gaat het er dus om dat de aan het verschil in behandeling ten grondslag liggende maatregel is ingegeven door een legitiem doel en een evenredigheidstoets doorstaat. ( 30 )
54.
De nationale rechter is bij uitsluiting bevoegd om de feiten van het bij hem aanhangige geding te beoordelen en de toepasselijke nationale wetgeving uit te leggen. Het is zijn taak om uit te maken of en in hoeverre een bepaling wordt gerechtvaardigd door „legitieme” doelstellingen in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78. Het Hof kan echter in zijn prejudiciële beslissing de nationale rechter een richtsnoer voor de uitlegging geven. ( 31 )
i) Legitiem doel
55.
Wat het doel van een maatregel betreft, heeft het Hof reeds geoordeeld dat de lidstaten, en in voorkomend geval de sociale partners, op nationaal niveau over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de beslissing welke van meerdere doelstellingen van werkgelegenheids‑ en sociaal beleid zij specifiek willen nastreven. ( 32 ) Het moet daarbij echter hoe dan ook gaan om doelstellingen van sociaal beleid, zoals die in verband met het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding. ( 33 )
56.
Experian betoogt dat het doel van de leeftijdsafhankelijke bijdragen tweeledig is. Ten eerste moet oudere werknemers zo de mogelijkheid worden geboden ook nog voldoende pensioenkapitaal op te bouwen als zij pas in een latere fase van hun loopbaan bij Experian gaan werken.
57.
Ten tweede is het de bedoeling dat jongere werknemers al in een vroeg stadium in de pensioenverzekeringsregeling worden opgenomen. Jongere werknemers hebben er echter doorgaans ook belang bij om over een groter deel van hun inkomen vrij te kunnen beschikken, in plaats van dit reeds in pensioen te investeren. De differentiatie van de bijdragen (en dus ook van de door de werknemers betaalde bijdragen) naar leeftijd is dus tevens bedoeld om de lasten van jongere werknemers te verlichten.
58.
Met de wens om oudere werknemers de mogelijkheid te bieden ook bij een kortere periode van bijdragebetaling voldoende pensioenkapitaal op te bouwen om later een behoorlijk pensioen te hebben, en om jongere werknemers weliswaar al in een vroeg stadium in de pensioenregeling op te nemen, maar ze tegelijkertijd niet met al te hoge bijdragelasten op te zadelen voor een nog ver in de toekomst gelegen doel, streeft de pensioenverzekeringsregeling van Experian legitieme doelen van het sociaal beleid op het terrein van werkgelegenheid en arbeidsmarkt na. Op basis van dergelijke doelen kan een verschil in behandeling op grond van leeftijd waar het de aan de arbeid verbonden voordelen betreft, in beginsel worden gerechtvaardigd (artikel 6, lid 1, eerste alinea, juncto tweede alinea, sub b, van richtlijn 2000/78).
59.
Nagegaan moet echter nog worden of het systeem waarbij de werkgever meer bijdraagt aan het pensioen naarmate de werknemer ouder is, een evenredig middel is om deze legitieme doelstellingen te verwezenlijken. Zoals uit de formulering van artikel 6, lid 1, volgt, is dit systeem proportioneel indien het „passend en noodzakelijk” is en ertoe leidt dat de nagestreefde doelstellingen worden bereikt zonder dat jongere werknemers daarbij al te zeer worden benadeeld.
ii) Geen kennelijk ongeschikte maatregel
60.
De differentiatie naar leeftijd is „passend” indien zij geschikt is ter verwezenlijking van het nagestreefde doel, namelijk oudere werknemers in staat te stellen een voldoende groot kapitaal op hun pensioenrekening op te bouwen, en jongere werknemers al in een vroeg stadium aan het systeem te laten deelnemen, maar ze tegelijkertijd niet met al te hoge financiële lasten op te zadelen.
61.
Gezien het uit de ruime beoordelingsmarge van de lidstaten voortvloeiende beoordelingsprerogatief ter zake van de keuze van de maatregelen die geschikt zijn ter verwezenlijking van hun doelstellingen op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid ( 34 ), is de rol van het Hof beperkt tot de vaststelling dat de genomen maatregelen niet onredelijk lijken ( 35 ), of – anders gezegd – dat de genomen maatregelen niet kennelijk ongeschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel. ( 36 )
62.
Niets wijst erop dat de differentiatie van de bijdragen naar leeftijd kennelijk ongeschikt is ter verwezenlijking van de nagestreefde doelen. Het is juist zeer goed te begrijpen dat voor oudere werknemers die pas later bij Experian gaan werken en dus gedurende een kortere periode bijdragen storten, een hogere bijdrage vereist is om ervoor te zorgen dat zij aan het einde van hun loopbaan voldoende pensioenkapitaal hebben opgebouwd. Ook de beoogde deelname van jongere werknemers aan de pensioenregeling kan door het door Experian toegepaste systeem worden bereikt.
iii) Noodzakelijkheid
63.
Het systeem van leeftijdsafhankelijke bijdragen moet daarnaast echter ook noodzakelijk zijn. Een maatregel is slechts „noodzakelijk” indien het nagestreefde doel niet had kunnen worden verwezenlijkt door een minder ingrijpend, maar even geschikt middel.
64.
Als minder ingrijpend middel om ervoor te zorgen dat oudere werknemers voldoende pensioenkapitaal opbouwen, zou om te beginnen kunnen worden beschouwd een regeling waarbij alle werknemers op het punt van de bijdragebetalingen gelijk worden behandeld (overeenkomstig de percentages die thans voor werknemers vanaf 45 jaar gelden). Het doel om jongere werknemers niet met te hoge lasten op te zadelen, zou op die manier echter niet kunnen worden verwezenlijkt, aangezien dan ook de werknemersbijdrage navenant hoger zou zijn.
65.
Problematisch zou bovendien kunnen zijn dat Experian in het algemeen voor alle oudere werknemers hogere bijdragen hanteert, zonder daarbij in aanmerking te nemen of al deze werknemers die hogere bijdragen wel nodig hebben. De oplopende bijdragen komen namelijk ten goede aan elke oudere werknemer, ongeacht of het hierbij gaat om een medewerker die al lang bij Experian in dienst is en dus al gedurende een langere periode bij deze onderneming pensioen heeft kunnen opbouwen (en om die reden geen hogere bijdragen nodig heeft), dan wel om een nieuwe medewerker (die wellicht tot dusver geen enkel of slechts een gering kapitaal bij elkaar heeft gespaard). Bovendien wordt ook bij nieuwe medewerkers geen onderscheid gemaakt naargelang zij al dan niet uit hoofde van eerdere dienstbetrekkingen over een toereikende bedrijfspensioenvoorziening beschikken.
66.
Het is dan ook de vraag of een differentiatie van de bijdragen naar behoefte of – eventueel – een differentiatie van de bijdragen naar het (in theorie nog resterende) aantal dienstjaren in aanmerking komt als minder ingrijpend, maar even effectief middel om de nagestreefde doelen te verwezenlijken.
67.
In dit verband moet echter wederom rekening worden gehouden met de beoordelingsvrijheid waarover de lidstaten op het gebied van het sociaal beleid beschikken. ( 37 ) Hoewel deze beoordelingsvrijheid niet tot gevolg mag hebben dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd wordt uitgehold ( 38 ), omvat zij in beginsel de mogelijkheid om ter vereenvoudiging af te zien van een toetsing van de omstandigheden van elk individueel geval en de werknemers in plaats daarvan op grond van algemene criteria in categorieën in te delen ( 39 ). Daarom kunnen enkel (minder ingrijpende) maatregelen worden verlangd die in het kader van een goed functionerend systeem haalbaar en economisch verantwoord zijn.
68.
Ook moet worden bedacht dat het niet de taak van een onderneming is om een bedrijfspensioenregeling aan te bieden die rekening houdt met de individuele behoefte van elke werknemer. Het zijn integendeel de wettelijke stelsels, waarop richtlijn 2000/78 niet van toepassing is, die een adequate basisvoorziening op het gebied van pensioenen moeten waarborgen. Het gaat er dan ook enkel om dat de betrokken bedrijfspensioenregeling op zichzelf een coherent geheel vormt. Experian wil haar medewerkers, ongeacht het tijdstip van hun indiensttreding en ongeacht hun eerdere dienstbetrekkingen, een functionerende bedrijfspensioenregeling aanbieden. Zij heeft bovendien betoogd dat een onderzoek van de individuele behoefte van een werknemer technisch niet mogelijk is. Om deze reden komt ook een differentiatie van de bijdragen naar behoefte niet in aanmerking.
69.
Problematisch is ook dat de hoogte van de volledige pensioenbijdrage variabel is. Het is de vraag of het doel om ook jongere werknemers aan de pensioenregeling te laten deelnemen, die echter nog niet met al te hoge bijdragelasten moeten worden opgezadeld, niet ook kan worden bereikt door een regeling waarin alleen het werknemersaandeel varieert, terwijl het werkgeversaandeel voor alle werknemers gelijk is. De werkgeversbijdrage heeft namelijk geen concrete gevolgen voor het nettosalaris waarover de jongere werknemer maandelijks daadwerkelijk kan beschikken. Een jongere werknemer „merkt” dus niet of de werkgeversbijdrage hoger dan wel lager is; enkel de werknemersbijdrage is rechtstreeks van invloed op het daadwerkelijk beschikbare maandinkomen. Of dit een (economisch) verantwoord alternatief is, kan aan de hand van de beschikbare informatie niet worden beoordeeld. Het is daarom aan de nationale rechter om deze vraag te beantwoorden.
iv) Geen excessieve benadeling
70.
Zelfs als het systeem van leeftijdsafhankelijke bijdragen het minst verstrekkende middel is om de nagestreefde legitieme doelstellingen te verwezenlijken, moet echter nog worden onderzocht of jongere werknemers hierdoor niet al te zeer worden benadeeld. Uit het evenredigheidsbeginsel volgt namelijk dat maatregelen die afbreuk doen aan een door het Unierecht gewaarborgd recht – in casu het verbod van discriminatie op grond van leeftijd – voor het individu geen nadelen mogen veroorzaken die onevenredig zijn aan de nagestreefde doelstellingen. ( 40 )
71.
In dit verband moet enerzijds in aanmerking worden genomen dat de regeling verplicht is voor alle medewerkers, die dus niet de keuze hebben om van de pensioenbijdrage af te zien en zich in plaats daarvan de betrokken bedragen te laten uitbetalen. Ook het door Experian aangevoerde argument dat jongere werknemers die een hoger totaalsalaris wensen, hierover individueel kunnen onderhandelen, is niet overtuigend. Van een individuele medewerker kan niet worden verwacht dat hij een in een regeling besloten liggende ongunstige behandeling op grond van leeftijd door het sluiten van een individuele overeenkomst ongedaan maakt of compenseert. Dit is met name het geval omdat de werknemer doorgaans in een zwakkere onderhandelingspositie verkeert dan de werkgever.
72.
In het onderhavige geval is echter niet uit te sluiten dat de nadelen van het verschil in behandeling door de daaraan verbonden voordelen worden gecompenseerd. Het gaat in deze zaak om een verschil in behandeling dat kan oplopen tot 4 % van het basissalaris en in het geval van Kristensen dus om 860 DKK ( 41 ) minder per maand. Dit is zonder meer een niet onaanzienlijk bedrag. Er mag echter niet worden vergeten dat Kristensen ook voordeel heeft van de bedrijfspensioenregeling van Experian, aangezien er maandelijks bijdrage wordt betaald voor haar pensioen. Bovendien is bij een lagere werkgeversbijdrage ook de werknemersbijdrage lager, zodat Kristensen zelf slechts 3 % van haar basissalaris naar de pensioenrekening hoeft over te maken. Als zij 45 jaar of ouder was geweest, zou haar eigen aandeel 5 % hebben bedragen. Deze omstandigheden moeten echter uiteindelijk door de bevoegde nationale rechter tegen elkaar worden afgewogen.
v) Voorlopige conclusie
73.
Samenvattend stel ik vast dat een maatregel als de onderhavige gerechtvaardigd kan zijn voor zover het systeem van leeftijdsafhankelijke bijdragen bedoeld is om enerzijds oudere werknemers de mogelijkheid te bieden ook nog een toereikend pensioenkapitaal op te bouwen als zij pas in een latere fase van hun loopbaan bij de betrokken onderneming gaan werken, en anderzijds jongere werknemers al in een vroeg stadium in de pensioenregeling op te nemen zonder ze al meteen met al te hoge bijdragelasten op te zadelen. Dit geldt echter enkel voor zover het niet mogelijk is om tegen economisch redelijke kosten andere, even geschikte maatregelen ter verwezenlijking van die doelstellingen te nemen, die minder nadelige gevolgen voor jongere werknemers hebben, en voor zover de aan een verschil in behandeling verbonden nadelen in een passende verhouding staan tot de voordelen van het systeem.
vi) Bevorderen van trouw aan de onderneming
74.
De Belgische regering wijst er nog op dat de maatregel ook tot doel zou kunnen hebben om werknemers langer aan de onderneming te binden. Experian heeft zich in de procedure voor het Hof niet erover uitgelaten of dit ook met het systeem van leeftijdsafhankelijke bijdragen wordt beoogd. Het is derhalve aan de verwijzende rechter om te beoordelen of dit het geval is en of de oplopende percentages dus een soort premie op bedrijfstrouw zijn.
75.
Als dit het geval was, zou dit in beginsel een legitieme doelstelling zijn. De differentiatie naar leeftijd schijnt ook, althans wat jongere werknemers betreft, in beginsel een geschikt middel te zijn om werknemers langer aan het bedrijf te binden. Er moet echter in aanmerking worden genomen dat die differentiatie juist niet aanknoopt bij het aantal dienstjaren bij de onderneming, maar ongeacht het aantal dienstjaren wordt toegepast en dus ook ten goede komt aan werknemers die pas in een zeer laat stadium van hun loopbaan bij Experian gaan werken. De differentiatie naar leeftijd is zo gezien dan ook niet noodzakelijk. Een minder ingrijpend en effectiever middel zou integendeel zijn om de bijdragehoogte te laten afhangen van het aantal dienstjaren en niet van de leeftijd. De verwijzende rechter zal hiermee rekening moeten houden als hij deze doelstelling in zijn beoordeling betrekt.
VI – Conclusie
76.
Ik stel het Hof derhalve voor de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 staat een lidstaat toe een rechtssituatie te laten voortbestaan waarin een werkgever de mogelijkheid heeft om als onderdeel van de beloning leeftijdsafhankelijke bijdragen voor een bedrijfspensioenverzekering te betalen, waarbij bijvoorbeeld de bijdrage voor werknemers jonger dan 35 jaar 6 %, die voor werknemers van 35 tot en met 44 jaar 8 % en die voor werknemers vanaf 45 jaar 10 % bedraagt.
2)
Een dergelijke pensioenregeling kan ook op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78 gerechtvaardigd zijn voor zover het systeem van leeftijdsafhankelijke bijdragen bedoeld is om enerzijds oudere werknemers de mogelijkheid te bieden ook nog een toereikend pensioenkapitaal op te bouwen als zij pas in een latere fase van hun loopbaan bij de betrokken onderneming gaan werken, en anderzijds jongere werknemers al in een vroeg stadium in de pensioenregeling op te nemen zonder ze al meteen met al te hoge financiële lasten op te zadelen. Dit geldt echter enkel voor zover het niet mogelijk is om tegen economisch redelijke kosten andere, even geschikte maatregelen ter verwezenlijking van die doelstellingen te nemen, die minder nadelige gevolgen voor jongere werknemers hebben, en voor zover de aan een verschil in behandeling verbonden nadelen in een passende verhouding staan tot de voordelen van het systeem.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Zie in dit verband het – fundamentele – arrest van 16 oktober 2007, Palacios de la Villa (C-411/05, Jurispr. blz. I-8531), alsmede arresten van 12 oktober 2010, Ingeniørforeningen i Danmark („Andersen”) (C-499/08, Jurispr. blz. I-9343), en 6 december 2012, Odar (C‑152/11).
( 3 ) Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303, blz. 16).
( 4 ) Een ander aspect van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 is aan de orde in zaak C‑546/11, Toftgaard. Zie daarover mijn conclusie van heden in die zaak.
( 5 ) Wet nr. 459 van 12 juni 1996 inzake het verbod van discriminatie op de arbeidsmarkt, enz. Bij wijzigingswet nr. 1417 van 22 december 2004 zijn leeftijd en handicap als criteria in de wet gelijke behandeling opgenomen. Deze wijzigingswet is op 28 december 2004 in werking getreden.
( 6 ) Bond voor handels- en kantoorpersoneel Denemarken.
( 7 ) Zie arresten van 10 mei 2011, Römer (C-147/08, Jurispr. blz. I-3591, punt 32), en 1 april 2008, Maruko (C-267/06, Jurispr. blz. I-1757, punt 41).
( 8 ) Aangezien het hier om een zuivere bedrijfspensioenverzekering gaat en er geen sprake is van door wettelijke stelsels verstrekte of daarmee gelijkgestelde uitkeringen, is het duidelijk dat de uitsluitingsgrond van artikel 3, lid 3, van de richtlijn niet van toepassing is. Met name worden de uitkeringen niet rechtstreeks bij de wet, maar uitsluitend bij de arbeidsovereenkomst vastgesteld en gelden zij slechts voor een specifieke groep werknemers, namelijk het personeel van Experian. Zie in dit verband arrest van 17 mei 1990, Barber (C-262/88, Jurispr. blz. I-1889, punt 22).
( 9 ) Zie arresten van 25 mei 1971, Defrenne (80/70, Jurispr. blz. 445, punt 6), en 9 februari 1982, Garland (12/81, Jurispr. blz. 359, punt 5), alsmede arresten Barber (aangehaald in voetnoot 8, punt 12) en Römer (aangehaald in voetnoot 7, punt 32).
( 10 ) Conclusie van 15 juli 2010 in de zaak Römer (aangehaald in voetnoot 7, punt 54).
( 11 ) Zie arrest van 13 mei 1986, Bilka (170/84, Jurispr. blz. 1607, punt 22); arrest Barber (aangehaald in voetnoot 8, punt 28), en arrest van 10 februari 2000, Schröder (C-50/96, Jurispr. blz. I-743, punt 27). Zie ook punt 13 van de considerans van richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204, blz. 23), waarin wordt verklaard: „Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 17 mei 1990 in zaak C‐262/88, bepaald dat alle vormen van bedrijfspensioenen een element van de beloning vormen in de zin van artikel 141 van het Verdrag.”
( 12 ) Zie arrest Barber (aangehaald in voetnoot 8).
( 13 ) Zie voetnoot 11.
( 14 ) Arrest Barber (aangehaald in voetnoot 8, punt 25).
( 15 ) Deze conclusie is ook in overeenstemming met het arrest van het Hof van 22 december 1993, Neath (C-152/91, Jurispr. blz. I-6935, punt 29), waarin het Hof voor de kwalificatie van een uitkering als beloning de concrete verbintenis van de werkgever bepalend heeft geacht. In het geval van Experian verplicht de arbeidsovereenkomst uitsluitend tot de betaling van bijdragen, niet tot de latere uitkering van een pensioen.
( 16 ) Zie in dit verband mijn conclusie van 6 mei 2010 in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punt 28) en de daarin opgenomen verwijzingen, alsmede de laatste volzin van punt 25 van de considerans van richtlijn 2000/78, waarin wordt verklaard: „Het is derhalve van essentieel belang onderscheid te maken tussen verschillen in behandeling die gerechtvaardigd zijn [...] en discriminatie die verboden moet worden.”
( 17 ) Zie punt 22 van deze conclusie.
( 18 ) Dit geldt althans voor de Duitse, de Franse, de Engelse, de Spaanse en de Italiaanse versie van de richtlijn die ik heb vergeleken. De Deense versie vermeldt op het eerste gezicht slechts twee varianten, namelijk de toegang tot ondernemings‑ en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid („adgang til”) en de actuariële berekeningen („anvendelse af alderskriteriet til aktuarberegninger inden for rammerne af disse ordninger”). Dit verschil is hier echter niet van belang, aangezien de vaststelling van leeftijdsgrenzen als voorwaarde voor toetreding ook in de Deense versie van de richtlijn voorkomt en de pensioenregeling van Experian reeds uit hoofde van deze eerste variant gerechtvaardigd is.
( 19 ) Een dergelijke toetredingsleeftijd mag echter niet voor alle ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid worden vastgesteld, maar enkel voor pensioen- en invaliditeitsregelingen. Zie in dit verband mijn conclusie in zaak C‑546/11, Toftgaard, van heden.
( 20 ) Arresten van 22 november 2005, Mangold (C-144/04, Jurispr. blz. I-9981, punt 74), en 19 januari 2010, Kücükdeveci (C-555/07, Jurispr. blz. I-365, punt 20).
( 21 ) Zie arrest Mangold (aangehaald in voetnoot 20, punt 75).
( 22 ) Zie arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 20, punt 21).
( 23 ) Zie arrest van 12 januari 2010, Petersen (C-341/08, Jurispr. blz. I-47, punt 60).
( 24 ) Zie ook punt 38 van deze conclusie.
( 25 ) Zie artikel 5, sub b en c, van het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep; voorstel van 25 november 1999, COM(1999) 565 def., blz. 23.
( 26 ) Zie de versie van artikel 6, lid 1, in het document van de Raad van de Europese Unie van 11 oktober 2000 (nr. 12269/00, blz. 15), waarin al wordt gesproken van „ondernemings- en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid”, een begrip dat voor het eerst voorkwam in het document van de Raad van de Europese Unie van 1 maart 2000 [nr. 6434/00, blz. 4 (g) en artikel 5, sub b].
( 27 ) Zie het document van de Raad van de Europese Unie van 12 oktober 2000 (nr. 12270/00 ADD 1, blz. 5).
( 28 ) Zie in dit verband het document van de Raad van de Europese Unie van 11 oktober 2000 (nr. 12270/00, blz. 3), waarin het Verenigd Koninkrijk aan deze beoordelingsmarge refereert.
( 29 ) Zie arrest Odar (aangehaald in voetnoot 2, punt 37).
( 30 ) Zie in dit verband reeds mijn conclusie van 6 mei 2010 in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punten 42‑47).
( 31 ) Arresten van 5 maart 2009, Age Concern England (C-388/07, Jurispr. blz. I-1569, punten 47 en 48), en 23 november 2006, Asnef-Equifax en Administración del Estado (C-238/05, Jurispr. blz. I-11125, punt 40, en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 32 ) Zie arresten Mangold (aangehaald in voetnoot 20, punt 63) en Palacios de la Villa (aangehaald in voetnoot 2, punt 68).
( 33 ) Arrest Age Concern England (aangehaald in voetnoot 31, punten 47 en 48); arresten van 18 juni 2009, Hütter (C-88/08, Jurispr. blz. I-5325, punt 41), en 13 september 2011, Prigge e.a. (C-447/09, Jurispr. blz. I-8003, punt 80).
( 34 ) Arresten Palacios de la Villa (aangehaald in voetnoot 2, punt 68), Mangold (aangehaald in voetnoot 20, punt 63), Age Concern England (aangehaald in voetnoot 31, punt 51) en Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 20, punt 38); in dezelfde zin ook punt 25 van de considerans van richtlijn 2000/78, waarin wordt verklaard dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd „specifieke bepalingen nodig maken die naargelang de situatie in de lidstaten kunnen verschillen” (geciteerd in arrest Palacios de la Villa, aangehaald in voetnoot 2, punt 69).
( 35 ) Arresten Palacios de la Villa (aangehaald in voetnoot 2, punt 72) en Petersen (aangehaald in voetnoot 23, punt 70).
( 36 ) Zie mijn conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punt 54).
( 37 ) Zie reeds punt 55 van deze conclusie.
( 38 ) Arrest Age Concern England (aangehaald in voetnoot 31, punt 51 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook mijn conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punt 63) en mijn conclusie van 1 april 2004 in de zaak Hlozek (C-19/02, Jurispr. blz. I-11491, punt 59).
( 39 ) Zie wederom mijn conclusies in de zaken Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punt 62) en Hlozek (aangehaald in voetnoot 38, punten 57 en 58).
( 40 ) Zie reeds mijn conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punten 67 en 68), alsmede arresten van 11 juli 1989, Schräder (265/87, Jurispr. blz. 2237, punt 21); 10 maart 2005, Tempelman en Van Schaijk (C-96/03 en C-97/03, Jurispr. blz. I-1895, punt 47), en 9 maart 2010, ERG e.a. (C-379/08 en C-380/08, Jurispr. blz. I-2007, punt 68), en arrest Andersen (aangehaald in voetnoot 2, punt 47).
( 41 ) Volgens de wisselkoers die gold toen de zaak bij de nationale rechter aanhangig werd gemaakt, komt 860 DKK ongeveer overeen met 115,50 EUR.
Full & Egal Universal Law Academy