CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 7 februari 2013 ( 1 )
Zaak C‑546/11
Dansk Jurist- og Økonomforbund, handelend namens Erik Toftgaard,
tegen
Indenrigs- og Sundhedsministeriet
[verzoek van het Højesteret (Denemarken) om een prejudiciële beslissing]
„Gelijke behandeling in arbeid en beroep — Richtlijn 2000/78/EG — Verbod van discriminatie op grond van leeftijd — Nationale bepaling die in geval van schrapping van een ambtenarenpost voorziet in doorbetaling van de beloning gedurende drie jaar indien de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar nog niet heeft bereikt — Uitzondering volgens artikel 6, lid 2, van de richtlijn — Ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid — Reikwijdte van de uitzondering — Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van artikel 6, lid 1, van de richtlijn”
I – Inleiding
1.
In Denemarken ontvangen ambtenaren die wegens het schrappen van hun post zijn ontslagen, gedurende een periode van drie jaar hun oorspronkelijke salaris. Ambtenaren die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt – en die derhalve met pensioen kunnen gaan, maar daartoe niet verplicht zijn –, hebben echter geen recht op dit wachtgeld. In de onderhavige zaak is de vraag aan de orde of deze beperking is te beschouwen als een leeftijdsdiscriminatie die in strijd is met richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep. ( 2 )
2.
Tevens wordt het Hof voor de eerste keer verzocht zich uit te spreken over de omvang van de in artikel 6, lid 2, opgenomen uitzondering op het discriminatieverbod voor ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid. ( 3 )
II – Rechtskader
A – Unierecht
3.
In artikel 3 van richtlijn 2000/78 is de werkingssfeer van deze richtlijn vastgelegd:
„1. Binnen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, is het verbod van discriminatie zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot:
[...]
c)
werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning;
[...]
3. Deze richtlijn is niet van toepassing op uitkeringen van welke aard dan ook die worden verstrekt door wettelijke of daarmee gelijkgestelde stelsels, met inbegrip van de stelsels voor sociale zekerheid of voor sociale bescherming.
[...]”
4.
Artikel 6 van richtlijn 2000/78, dat de „Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd” regelt, luidt:
„1. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Dergelijke verschillen in behandeling kunnen onder meer omvatten:
a)
het creëren van bijzondere voorwaarden voor toegang tot arbeid en beroepsopleiding, van bijzondere arbeidsvoorwaarden en ‑omstandigheden, met inbegrip van voorwaarden voor ontslag en beloning voor jongeren, oudere werknemers en werknemers met personen ten laste, teneinde hun opneming in het arbeidsproces te bevorderen, en hun bescherming te verzekeren;
b)
de vaststelling van minimumvoorwaarden met betrekking tot leeftijd, beroepservaring of -anciënniteit in een functie voor toegang tot de arbeid of bepaalde daaraan verbonden voordelen;
[...]
2. Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat de vaststelling, in ondernemings- en [sectorale] regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen, inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings- en [sectorale] regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht.”
B – Nationaal recht
5.
Richtlijn 2000/78 werd in Denemarken omgezet bij de Lov om forbud mod forskelsbehandling på arbejdsmarkedet m.v. ( 4 ) § 6a van deze wet dient ter omzetting van de bepalingen van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78. Op grond daarvan is de vaststelling van leeftijdsgrenzen voor de toetreding tot ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid ( 5 ) en het gebruik van leeftijdscriteria, in het kader van deze regelingen, voor actuariële berekeningen toegestaan.
6.
Ten tijde van het ontslag van Toftgaard bepaalde § 32, leden 1 en 4, Tjenestemandslov (ambtenarenwet) ( 6 ) het volgende:
„Een ambtenaar die wordt ontslagen omdat zijn post ten gevolge van wijzigingen in de organisatie of de werkwijze van de overheidsadministratie is geschrapt, ontvangt gedurende drie jaar zijn tot dusver genoten salaris, behoudens het bepaalde in de leden 3 tot en met 5.
[...]
De betrokkene heeft geen recht op wachtgeld indien hij
l)
naar een andere post wordt overgeplaatst die hij volgens de §§ 12 en 13 verplicht is te aanvaarden,
2)
de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt,
3)
de voor de post vastgestelde pensioenleeftijd heeft bereikt of
4)
op het moment van ontslag, wegens ziekte of ongeschiktheid niet in staat is de post te aanvaarden waartoe hij op grond van de §§ 12 en 13 verplicht is.”
7.
Het wachtgeld wordt uitgekeerd door het tot aanstelling bevoegde gezag, en de ambtenaar is verplicht om zich voor het gezag beschikbaar te houden in het tijdvak waarin het wachtgeld wordt betaald. Indien het tot aanstelling bevoegde gezag een geschikte post aanwijst, moet de ambtenaar deze post aanvaarden. Indien de ambtenaar deze verplichting niet nakomt, verliest hij zijn wachtgeld.
8.
Voorheen voorzag § 29 van de ambtenarenwet in een algemeen verplichte pensioenleeftijd van 70 jaar voor ambtenaren, maar deze werd op 19 juni 2008 ingetrokken, dat wil zeggen nadat Toftgaard met pensioen was gegaan.
9.
Krachtens de Tjenestemandspensionslov ( 7 ) hebben ambtenaren recht op pensioen naargelang van het aantal dienstjaren als ambtenaar, daaronder begrepen de periode waarin zij wachtgeld ontvangen. In een geval waarin de ambtenaar in beginsel recht op wachtgeld zou hebben gehad, maar dit hem niet is uitgekeerd vanwege de in de ambtenarenwet gestelde beperking tot ambtenaren die de leeftijd van 65 jaar nog niet hebben bereikt, worden ook pensioenrechten opgebouwd over het tijdvak waarin de ambtenaar geen wachtgeld heeft ontvangen vanwege deze leeftijdsgrens.
III – Feiten, prejudiciële vragen en procesverloop voor het Hof
10.
Erik Toftgaard was hoofd van het districtsbestuur Vejle. Hij werd op 8 mei 2006 ontslagen met ingang van 31 december 2006. Vanaf dat moment had hij recht op ambtenarenpensioen, aangezien hij de leeftijd van 66 jaar had bereikt. Zijn ontslag was het gevolg van de schrapping van zijn post na de herstructurering van het regionale bestuur. Toftgaard heeft verklaard dat hij niet met pensioen wilde gaan, maar op een andere post tewerk wilde worden gesteld, en dat hij daarvoor zelfs bereid was een salarisverlaging te aanvaarden.
11.
De werkgever van Toftgaard weigerde hem wachtgeld te betalen, hoewel ambtenaren daar in beginsel gedurende drie jaar recht op hebben in geval van ontslag wegens schrapping van een post. Deze weigering werd gemotiveerd met een beroep op artikel 32 van de ambtenarenwet, volgens hetwelk geen recht op wachtgeld bestaat indien de ambtenaar op het tijdstip van zijn ontslag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en daarmee recht heeft op ambtenarenpensioen en op het algemene ouderdomspensioen. Toftgaard had het recht om op 65-jarige leeftijd met pensioen te gaan, maar daartoe verplicht was hij niet.
12.
Toftgaard beschouwt de weigering van betaling van wachtgeld als een discriminatie op grond van leeftijd. Hij heeft derhalve, vertegenwoordigd door de Dansk Jurist- og Økonomforbund ( 8 ), een procedure tegen zijn werkgever, het Indenrigs- og Socialministeriet ( 9 ), aanhangig gemaakt bij het Østre Landsret ( 10 ). Nadat de vordering was afgewezen, ging hij in beroep bij het Højesteret. Naar de opvatting van het Højesteret is voor de beslissing in deze zaak een uitlegging van artikel 6, leden 1 en 2, van richtlijn 2000/78 vereist.
13.
Het Højesteret heeft de procedure derhalve bij beschikking van 7 oktober 2011, ingekomen ter griffie van het Hof op 26 oktober 2011, geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
„1)
Moet artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG aldus worden uitgelegd dat de lidstaten enkel mogen bepalen dat de vaststelling, in ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van uitkeringen geen discriminatie oplevert, voor zover deze socialezekerheidsregelingen betrekking hebben op pensioen- of invaliditeitsuitkeringen?
2)
Moet artikel 6, lid 2, aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid om leeftijden vast te stellen slechts betrekking heeft op de toegang tot de regeling, of moet deze bepaling aldus worden uitgelegd dat de mogelijkheid om leeftijden vast te stellen ook betrekking heeft op het recht op uitbetaling van uitkeringen krachtens deze regeling?
3)
Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: Kan de uitdrukking ‚ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid’ in artikel 6, lid 2, tevens een regeling omvatten als die van het „rådighedsløn” (wachtgeld) als bedoeld in § 32, lid 1, van de Deense ambtenarenwet, krachtens welke een ambtenaar, bij wijze van bijzondere bescherming in het geval van ontslag wegens schrapping van zijn post, gedurende drie jaar aanspraak behoudt op het laatst genoten salaris en tevens pensioenrechten blijft verkrijgen, vooropgesteld dat hij beschikbaar blijft voor benoeming op een andere geschikte post?
4)
Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78/EG aldus worden uitgelegd dat dit niet in de weg staat aan een nationale bepaling als die in § 32, lid 4, punt 2, van de Deense ambtenarenwet, krachtens welke wachtgeld niet wordt uitgekeerd aan een ambtenaar die de leeftijd heeft bereikt waarop het algemene ouderdomspensioen voor het eerst wordt uitbetaald, indien zijn post is geschrapt?”
14.
In de procedure voor het Hof hebben naast verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door de DJØF, en de Kommunernes Landsforening ( 11 ), de Deense regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk alsmede de Europese Commissie schriftelijke en mondelinge opmerkingen ingediend. Danske Regioner heeft samen met KL schriftelijke opmerkingen ingediend.
IV – Juridische beoordeling
A – Eerste prejudiciële vraag
1. Personele en materiële werkingssfeer van richtlijn 2000/78
15.
Allereerst wil ik onderzoeken of het onderhavige geval binnen de werkingssfeer van richtlijn 2000/78 valt. Blijkens artikel 3, lid 1, sub c, is richtlijn 2000/78 „[b]innen de grenzen van de aan de Gemeenschap verleende bevoegdheden, [...] zowel in de overheidssector als in de particuliere sector, met inbegrip van overheidsinstanties, op alle personen van toepassing met betrekking tot [...] werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van ontslag en beloning”.
16.
Als ambtenaar in een leidende functie van een Deens territoriaal lichaam was Toftgaard werkzaam „in de overheidssector” dan wel bij een „overheidsinstantie”, en valt hij derhalve binnen de personele werkingssfeer van richtlijn 2000/78.
17.
Uit artikel 3, lid 3, van de richtlijn, gelezen in samenhang met punt 13 van de considerans ervan, blijkt dat de richtlijn niet van toepassing is op regelingen inzake sociale zekerheid en sociale bescherming waarvan de uitkeringen niet worden gelijkgesteld met een beloning in de betekenis die aan dat woord wordt gegeven bij de toepassing van artikel 157 VWEU ( 12 ), noch op de uitkeringen van welke aard ook die door de staat worden verstrekt ter bevordering van de toegang tot of het behoud van de arbeid.
18.
De toepasselijkheid van de richtlijn in het onderhavige geval kan derhalve of voortvloeien uit het feit dat het wachtgeld als beloning in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU wordt beschouwd of dat het onder het begrip ontslagvoorwaarde valt. Mijns inziens is het eerste het geval.
19.
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moeten onder „beloning” in de zin van artikel 157, lid 2, VWEU alle huidige of toekomstige voordelen in geld of natura worden begrepen, mits deze, zij het ook indirect, door de werkgever aan de werknemer uit hoofde van zijn dienstbetrekking worden betaald. ( 13 )
20.
De betalingsverplichting vloeit uitsluitend voort uit de dienstbetrekking. Het wachtgeld wordt maandelijks gedurende drie jaar betaald en is gelijk aan het laatst betaalde loon van de ambtenaar voorafgaand aan het ontslag. ( 14 ) Weliswaar wordt dit wachtgeld in eerste instantie niet als tegenprestatie voor feitelijke werkzaamheden bij de werkgever betaald, maar de ambtenaar moet zich beschikbaar houden en is verplicht op ieder moment een hem door zijn werkgever aangeboden passende post te aanvaarden. Doet hij dit niet, verliest hij zijn recht op wachtgeld.
21.
De betaling geschiedt uit hoofde van de dienstbetrekking. Dat de dienstbetrekking blijft bestaan, kan ook worden afgeleid uit het feit dat aan de ambtenaar gedurende de periode waarin hij wachtgeld ontvangt, pensioenrechten worden toegekend. In die zin verschilt het wachtgeld van een ontslagvergoeding, in welk geval de rechtsbetrekking tussen werkgever en werknemer definitief eindigt en op het moment van vertrek van de werknemer eenmalig een vergoeding wordt betaald.
22.
Het wachtgeld is ook geen vergoeding die door de staat wordt verstrekt ter bevordering van de toegang tot of het behoud van de arbeid, zoals bedoeld in punt 13 van de considerans. In casu betaalt de staat het wachtgeld namelijk in zijn hoedanigheid van publiekrechtelijke werkgever.
23.
Richtlijn 2000/78 is derhalve ook materieel van toepassing. Om die reden zal ik hierna onderzoeken of er sprake is van een verschil in behandeling op grond van leeftijd.
2. Verschil in behandeling in de zin van artikel 2, lid 2, van richtlijn 2000/78
24.
Op grond van artikel 1 juncto artikel 2, lid 1, van richtlijn 2000/78 is leeftijdsdiscriminatie in arbeid en beroep verboden. Discriminatie is een verschil in behandeling dat niet gerechtvaardigd is.
25.
Op grond van artikel 2, lid 2, sub a, juncto artikel 1 van de richtlijn is er sprake van directe ongelijke behandeling op grond van leeftijd, wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op grond van zijn leeftijd.
26.
Aangezien het wachtgeld niet wordt toegekend aan ambtenaren die de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt, en deze dan slechts de lagere pensioenuitkeringen ontvangen, leidt een regeling als § 32 van de ambtenarenwet tot een direct verschil in behandeling op grond van leeftijd.
27.
KL en de Deense regering zijn van mening dat dit verschil in behandeling volgens artikel 6, lid 2, van de richtlijn gerechtvaardigd is.
3. Rechtvaardiging volgens artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78
28.
In de Duitse taalversie van artikel 6, lid 2, van de richtlijn is het de lidstaten toegestaan te bepalen „dat de vaststelling, in ondernemings- en [sectorale] regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van pensioen- of invaliditeitsuitkeringen, inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings- en [sectorale] regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht”. ( 15 )
29.
De eerste vraag van de verwijzende rechter betreft de omvang van deze uitzondering. Vallen onder artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 alleen ondernemings- en sectorale regelingen die het pensioen en de invaliditeit betreffen, of alle soorten ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid (bijvoorbeeld ook inzake ziekte of werkloosheid)? Deze vraag vindt haar verklaring in de Deense taalversie van artikel 6, lid 2, van de richtlijn. Daar is slechts sprake van ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid; pensioen en invaliditeit worden niet vermeld. ( 16 ) In alle andere taalversies worden pensioen- en invaliditeitsuitkeringen daarentegen wel genoemd.
30.
Zoals blijkt uit de vaste rechtspraak, moeten de Unierechtelijke bepalingen uniform worden uitgelegd en toegepast in het licht van de tekst in alle talen van de Unie. ( 17 ) De in een van de taalversies van een bepaling gebruikte formulering kan niet als enige grondslag voor de uitlegging van die bepaling in de betrokken staat dienen; evenmin kan er in zoverre voorrang aan worden toegekend boven de andere taalversies. Een dergelijke benadering zou immers onverenigbaar zijn met het vereiste van eenvormige toepassing van het Unierecht. ( 18 )
31.
Indien de taalversies onderling afwijken, dan moet de betreffende bepaling in principe worden uitgelegd met inachtneming van de algemene opzet en de doelstelling van de regeling waarvan zij een onderdeel vormt. ( 19 )
32.
Volgens de formulering van alle taalversies, met uitzondering van de Deense, geldt artikel 6, lid 2, van de richtlijn niet voor alle soorten van ondernemings- en sectorale regelingen inzake sociale zekerheid, maar slechts voor die inzake ouderdoms‑ en invaliditeitspensioenen.
33.
Indien de Uniewetgever alle soorten van ondernemings- en sectorale regelingen onder artikel 6, lid 2, van de richtlijn had willen laten vallen, zoals de Deense regering aanvoert, had hij niet in alle andere taalversies twee concrete regelingen expliciet genoemd, temeer omdat hij ook niet een woord, zoals bijvoorbeeld „inzonderheid”, heeft toegevoegd dat zou kunnen wijzen op een enuntiatieve opsomming.
34.
Dat de vermelding van twee concrete regelingen van sociale zekerheid niet slechts als voorbeeld is bedoeld, blijkt bijvoorbeeld heel duidelijk uit de Franse taalversie. Daar zijn de ondernemings- en sectorale regelingen van sociale zekerheid tussen komma’s ingelast, hetgeen duidelijk laat zien dat de vermelding van de ouderdoms‑ en invaliditeitspensioenen limitatief is bedoeld. ( 20 )
35.
Indien het de bedoeling was geweest om meer dan de uitdrukkelijk genoemde regelingen van sociale zekerheid uit te zonderen, zou men hebben mogen verwachten dat de richtlijn expliciet had aangegeven welke soorten regelingen van sociale zekerheid eronder vallen. Zo worden in de antidiscriminatie-richtlijn 2006/54/EG inzake de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep ( 21 ) bijvoorbeeld de onder de richtlijn vallende regelingen expliciet genoemd. Een dergelijke opsomming is evenwel niet nodig, als artikel 6, lid 2, hoe dan ook uitsluitend voor de twee daar expliciet genoemde regelingen, namelijk inzake pensioen- en invaliditeitsuitkeringen, bedoeld is.
36.
Voor een enge uitlegging van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 pleiten met name teleologische argumenten en het verbod van discriminatie op grond van leeftijd, dat van een hogere rang is.
37.
De richtlijn concretiseert het verbod van discriminatie op grond van leeftijd dat in het Unierecht is erkend als algemeen beginsel ( 22 ) en in artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten is verankerd. Dit heeft sinds 1 december 2009 op grond van artikel 6, lid 1, VEU juridisch dezelfde rang als de Verdragen. Een afwijking van het verbod van discriminatie op grond van leeftijd moet in beginsel eng worden uitgelegd. ( 23 ) Ook om die reden mag artikel 6, lid 2, van de richtlijn niet ruim worden uitgelegd in die zin dat het alle soorten ondernemings- en sectorale regelingen van sociale zekerheid omvat.
38.
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 betreft dus slechts de regelingen van pensioen- en invaliditeitsuitkeringen. Aangezien het Deense wachtgeld noch een pensioen- noch een invaliditeitsuitkering is, kan artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 in casu niet van toepassing zijn.
4. Voorlopige conclusie
39.
De uitzondering van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 is slechts van toepassing op ondernemings- en sectorale regelingen van sociale zekerheid die pensioen‑ of invaliditeitsuitkeringen betreffen.
B – Tweede prejudiciële vraag
40.
Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of de mogelijkheid om leeftijden vast te stellen als bedoeld in artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 slechts betrekking heeft op de toegang tot een ondernemings- en sectorale regeling van sociale zekerheid of ook op het recht op uitkeringen krachtens een dergelijke regeling.
41.
Tegen de achtergrond van mijn antwoord op de eerste vraag, dat een uitkering zoals het wachtgeld principieel al niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 2, valt, is beantwoording van deze vraag overbodig.
C – Derde prejudiciële vraag
42.
De derde prejudiciële vraag werd slechts gesteld voor het geval dat de eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord en hoeft, gezien het antwoord op deze vraag, eveneens niet te worden besproken. Aangezien wachtgeld niets te maken heeft met pensioen of invaliditeit en dus niet binnen de werkingssfeer van artikel 6, lid 2, van de richtlijn valt, kan in het midden blijven of het daarbij überhaupt gaat om een uitkering krachtens een ondernemings- en sectorale regeling van sociale zekerheid.
D – Vierde prejudiciële vraag
43.
De vierde prejudiciële vraag houdt in of het verschil in behandeling op grond van de leeftijd bij de betaling van een vergoeding zoals het Deense wachtgeld kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 6, lid 1, van de richtlijn.
1. Rechtvaardiging van het verschil in behandeling op grond van artikel 6, lid 1, van de richtlijn
44.
Volgens artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen „indien zij in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn”.
45.
Met deze formulering omschrijft richtlijn 2000/78 uiteindelijk het beginsel van evenredigheid als in het Unierecht erkend vereiste voor de rechtvaardiging van een verschil in behandeling. Kort gezegd is volgens artikel 6, lid 1, van de richtlijn voor de rechtvaardiging van een direct verschil in behandeling derhalve vereist dat de daaraan ten grondslag liggende maatregel gebaseerd is op een legitiem doel en een evenredigheidstoets doorstaat. ( 24 )
a) Legitiem doel
46.
Legitieme doelen in de zin van artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 zijn, hoewel de opsomming niet exhaustief is, doelstellingen van sociaal beleid, zoals die in verband met het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding. ( 25 )
47.
Uit de bewoordingen van de wet zelf valt niet af te leiden welke doelstellingen worden nagestreefd met § 32 van de ambtenarenwet. De wettekst geeft geen uitsluitsel over de vraag waarom ambtenaren die de leeftijd van 65 jaar reeds hebben bereikt en dus een pensioen kunnen ontvangen, uitgesloten zijn van de ontvangst van wachtgeld. Het onderliggende doel van de betrokken maatregel kan echter ook aan de hand van andere elementen, ontleend aan de algemene context ervan, worden bepaald. ( 26 )
48.
In casu geeft de in de verwijzingsbeslissing aangehaalde wetsgeschiedenis uitsluitsel over het doel van § 32 van de ambtenarenwet.
49.
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing stamt het wachtgeld uit het jaar 1919, toen het nog „ventepenge” (wachtgeld) werd genoemd. Het doel van het wachtgeld is de onafhankelijkheid van ambtenaren te waarborgen door ze te vrijwaren van persoonlijke en politieke druk, en hun te beschermen tegen al te ingrijpende wijzigingen van hun situatie. In het jaar 1969 werd het wachtgeld op een aantal punten gewijzigd. Onder meer werd de betaling ervan beperkt tot drie jaar en tot uiterlijk het tijdstip waarop de pensioenleeftijd voor de betrokken post werd bereikt. In de voorbereidende stukken van de wet werd deze wijziging gemotiveerd met de wens een evenwicht te vinden tussen enerzijds de noodzaak voor de staat om het openbaar bestuur te kunnen aanpassen en doeltreffender te maken, en anderzijds de bescherming van de onafhankelijkheid van de ambtenaar.
50.
Bij een wetswijziging in 1991 werd de uitkeringsduur van het wachtgeld voor betrokkenen beperkt tot de leeftijd van 67 jaar (later verlaagd naar 65 jaar).
51.
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel werd in verband met deze beperking gesteld dat in zijn algemeenheid kon worden aangenomen dat aan ambtenaren die de pensioenleeftijd hadden bereikt, geen andere post meer kon worden toegewezen en dat zij dus niet voldeden aan de algemene voorwaarde voor het recht op wachtgeld, namelijk dat zij voor een andere post ter beschikking stonden. Indien een ambtenaar de leeftijd van 60 jaar ruim heeft overschreden, werd het zeer onwaarschijnlijk geacht dat hij bereid zou zijn een nieuwe post – en de aanpassing die dit kon meebrengen – te aanvaarden. Veeleer was het dan natuurlijk dat een dergelijke ambtenaar met pensioen ging, zo de memorie van toelichting.
52.
De Deense regering heeft het belang van de – legitieme – behoefte van de staat benadrukt om het openbaar bestuur te kunnen herstructureren en doeltreffender te maken. De legitieme verwachting van de overheid met betrekking tot de beschikbaarheid van een ambtenaar voor een nieuwe post zou over het algemeen echter niet meer bestaan in het geval van een reeds pensioengerechtigde ambtenaar. Verder heeft de regering de behoefte aan bescherming van de ambtenaren benadrukt, waaraan tegemoet wordt gekomen door het wachtgeld. Deze behoefte is naar haar mening evenwel niet meer aanwezig als de ambtenaar reeds anderszins wordt beschermd, zoals door pensioenuitkeringen.
53.
Met het wachtgeld op zich streeft de Deense wetgever zonder enige twijfel een doelstelling van sociaal beleid na: bescherming van de onafhankelijkheid van de ambtenaren tegen politieke en persoonlijke druk, door een sociaal verantwoorde behandeling van de schrapping van posten en het herstructureren van de publieke sector.
54.
De Commissie is evenwel van mening dat in het kader van de rechtvaardigingstoets niet het in zijn algemeenheid met het wachtgeld nagestreefde doel – flexibiliteit van het bestuur en bescherming van de ambtenaren – beslissend is. Het gaat naar haar mening veeleer om het met de beperking nagestreefde doel. Dit doel bestaat haars inziens erin in het algemeen uit te sluiten dat ambtenaren wachtgeld ontvangen die niet voor een nieuwe post ter beschikking staan. Dit doel heeft uitsluitend betrekking op de interne belangen van de werkgever en kan derhalve niet worden aangemerkt als een het algemene belang dienende doelstelling van sociaal beleid in de zin van artikel 6, lid 1, van de richtlijn.
55.
Dit aspect betreft echter de vraag of de maatregel geschikt respectievelijk noodzakelijk is. ( 27 ) Deze vraag zal ik hierna bespreken.
b) Geen kennelijk ongeschikte maatregel
56.
Het Hof heeft erkend dat de lidstaten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken bij de keuze van de maatregelen die geschikt zijn ter verwezenlijking van hun doelstellingen op het gebied van sociaal beleid en werkgelegenheidsbeleid. ( 28 ) Dit betekent dat het volstaat dat de genomen maatregelen niet kennelijk ongeschikt zijn ter verwezenlijking van het nagestreefde doel. ( 29 )
57.
Een regeling zoals § 32 van de ambtenarenwet waarborgt dat alleen ambtenaren wachtgeld ontvangen die nog geen recht op pensioen hebben. Derhalve hebben alleen personen recht op wachtgeld waarvan het zeer waarschijnlijk is dat zij daadwerkelijk voor een nieuwe post ter beschikking staan. Het doel van de maatregel is een vereenvoudiging van de herstructurering van het bestuur te realiseren met behoud van de onafhankelijkheid van de ambtenaren, rekening houdend met de concrete beschermingsbehoefte van de betrokken ambtenaar. De maatregel die hier aan de orde is, is niet kennelijk ongeschikt om dit doel te verwezenlijken.
c) Noodzakelijkheid
58.
„Noodzakelijk” is een maatregel wanneer het nagestreefde legitieme doel niet door een minder ingrijpende, maar even geschikte maatregel kan worden bereikt.
59.
§ 32 van de ambtenarenwet sluit ambtenaren met een opeisbare pensioenaanspraak in het algemeen uit van het recht op wachtgeld. De bepaling houdt er geen rekening mee of zij ook daadwerkelijk met pensioen willen gaan of veeleer ter beschikking staan voor een nieuwe post. Want met 65 jaar hebben ambtenaren slechts een recht, maar geen verplichting om met pensioen te gaan. Tot het jaar 2008 was de verplichte pensioenleeftijd 70 jaar, maar zelfs deze leeftijdsgrens is inmiddels ingetrokken, aldus de verwijzende rechter.
60.
Zonder enige twijfel is een individuele toetsing van de beschikbaarheid van de pensioengerechtigde ambtenaren een minder ingrijpend middel.
61.
Zoals reeds vermeld, beschikken de lidstaten bij de keuze van de maatregelen ter verwezenlijking van hun doelen op het gebied van werkgelegenheid en sociaal beleid over een ruime beoordelingsvrijheid. ( 30 )
62.
De Deense wetgever heeft de leeftijdsgrens gebaseerd op de overweging dat over het algemeen ervan kan worden uitgegaan dat ambtenaren die recht op pensioen hebben, niet geneigd of niet geschikt zullen zijn om een andere post te aanvaarden. De algemene uitsluiting van deze personen van het wachtgeld kan derhalve ook berusten op overwegingen van bestuurlijke vereenvoudiging, namelijk voorkomen dat in concreto moet worden beoordeeld of de ambtenaar voor een nieuwe post ter beschikking staat.
63.
De aan de lidstaten toegekende beoordelingsvrijheid omvat in beginsel ook de mogelijkheid, om redenen van bestuurlijke vereenvoudiging af te zien van een toetsing van de omstandigheden van elk individueel geval; de wetgever kan, mits met inachtneming van de evenredigheid, werknemers op grond van algemene criteria in categorieën indelen. ( 31 )
64.
De Deense regeling voorziet echter wel ten aanzien van ambtenaren onder 65 jaar in een concrete beoordeling van het individuele geval, om na te gaan of de ambtenaar ter beschikking staat voor andere posten. Hier zou de verwijzende rechter moeten onderzoeken hoe deze beoordeling van het individuele geval er bij de jongere ambtenaren precies uitziet en waarom een dergelijke beoordeling juist ten aanzien van de ambtenaren boven 65 jaar onaanvaardbare administratieve lasten zou meebrengen.
65.
Maar ook als rekening wordt gehouden met het legitieme belang van het bestuur om onaanvaardbare lasten te vermijden, waren minder ingrijpende middelen mogelijk geweest. Een voorbeeld van een minder ingrijpend middel, dat de werkgever ook zou beschermen tegen onaanvaardbare administratieve lasten, zou in dit verband zijn om de ambtenaar de stelplicht en bewijslast met betrekking tot zijn beschikbaarheid op te leggen.
66.
In ieder geval mag de beoordelingsvrijheid van de lidstaten niet tot gevolg hebben dat het beginsel van non-discriminatie op grond van leeftijd wordt uitgehold. ( 32 ) Juist dit is in casu echter het geval. Een bepaling als § 32 van de ambtenarenwet, die de werkgever automatisch vrijstelt van de verplichting tot betaling van wachtgeld zodra de ambtenaar de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt en derhalve aanspraak op pensioen heeft, brengt het risico mee dat de werkgever bij voorkeur de posten van die ambtenaren zal schrappen, die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. Voor de werkgever wordt het financieel aantrekkelijker diegenen te ontslaan die de pensioenleeftijd hebben bereikt, dus personen van zekere leeftijd.
67.
Een bepaling als § 32 van de ambtenarenwet gaat derhalve verder dan noodzakelijk is om te waarborgen dat het wachtgeld alleen ten goede komt aan die ambtenaren die voor een nieuwe post ter beschikking staan.
d) Geen onevenredige nadelen
68.
Indien de maatregel niet reeds afstuit op het noodzakelijkheidscriterium, moet worden onderzocht of hij niet onevenredig is in engere zin, omdat hij een onevenredige benadeling van de belangen van de ambtenaren tot gevolg heeft. ( 33 )
69.
De Deense regering benadrukt in dit verband dat de ambtenaren vanaf een leeftijd van 65 jaar minder bescherming behoeven dan jongere ambtenaren, omdat zij recht hebben op pensioenuitkeringen.
70.
Het kan in het belang zijn van een ambtenaar om door te werken, hoewel hij reeds recht heeft op pensioen. Hiervoor kunnen financiële redenen bestaan (de ambtenaar wenst nog geen genoegen te nemen met het inkomensverlies dat verbonden is met zijn pensionering) of ook persoonlijke omstandigheden. De Deense wetgever heeft zelf in 2008 de leeftijdsgrens van 70 jaar waarop een ambtenaar met pensioen moest gaan, geschrapt.
71.
Tenslotte wordt het recht om te werken ook erkend in artikel 15, lid 1, van het Handvest van de grondrechten.
72.
§ 32 van de ambtenarenwet maakt het voor die ambtenaren die reeds recht op pensioen hebben, op zijn minst moeilijker om te blijven werken. ( 34 ) Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet duidelijk of de leeftijdsgrens ook betekent dat een ambtenaar niet alleen geen recht heeft op wachtgeld, maar ook niet werkzaam mag blijven op een andere post binnen de publieke sector.
73.
Het Hof heeft beslist dat het gerechtvaardigd kan zijn dat werknemers die een bepaalde leeftijdsgrens hebben bereikt, gedwongen worden gepensioneerd. ( 35 ) De weigering van een financiële compensatie bij het zoeken naar een nieuwe dienstbetrekking zou dan, als minder ingrijpende maatregel, evenzeer gerechtvaardigd kunnen zijn.
74.
Tegelijkertijd benadrukte het Hof echter dat het evenredigheidsbeginsel eist dat een doel op coherente en systematische wijze wordt nagestreefd. In casu lijkt het echter niet coherent, dat de Deense wetgever enerzijds een op 70 jaar gestelde absolute leeftijdsgrens voor de pensionering opheft en anderzijds bij schrapping van een post feitelijk een pensioenleeftijd hanteert die al bij 65 jaar ligt. Want met het afschaffen van een absolute leeftijdsgrens voor de pensionering geeft de wetgever te kennen dat hij het bereiken van een bepaalde leeftijd niet ziet als geschikt criterium voor de kwestie van de pensionering.
75.
In mijn conclusie in de zaak Andersen ( 36 ), die een vergelijkbare regeling betrof (leeftijdsgrens voor de betaling van een ontslagvergoeding), heb ik als maatstaf genomen of de werknemers in het kader van de daar aan de orde zijnde regeling verlagingen van de vervroegde pensioenuitkering en andere kortingen op het voor hen maximaal haalbare pensioenbedrag moesten accepteren.
76.
Dit lijkt bij de onderhavige regeling op het eerste gezicht niet het geval te zijn. Krachtens de wet inzake het ambtenarenpensioen hebben ambtenaren recht op een ambtenarenpensioen naargelang van hun dienstjaren als ambtenaar. Gedurende de periode waarin de ambtenaar wachtgeld had kunnen ontvangen, maar vanwege zijn leeftijd niet ontvangt, bouwt hij toch pensioenrechten op. Gedurende de drie jaar waarin in theorie recht op wachtgeld bestaat, gaan derhalve geen pensioenrechten verloren.
77.
Indien de ambtenaar echter daadwerkelijk drie jaar lang wachtgeld ontvangt en hem ook een nieuwe post wordt aangeboden, had hij nog meer pensioenrechten kunnen opbouwen (oorspronkelijk tot de leeftijd van 70 jaar en na afschaffing van deze leeftijdsgrens voor de pensionering nog langer).
78.
Van een onevenredige benadeling kan evenwel ook sprake zijn indien het verschil tussen het recht op pensioen en het wachtgeld, dat anders gedurende drie jaar was betaald, aanzienlijk is. Vooral wanneer het verschil tussen het recht op pensioen en het wachtgeld een fors bedrag is, valt aan te nemen dat dit voor een ambtenaar die zich wat betreft zijn persoonlijke financiële planning nog niet op een pensionering heeft ingesteld, tot grote nadelen kan leiden. Het staat aan de verwijzende rechter om op dit punt duidelijkheid te verschaffen.
2. Voorlopige conclusie
79.
Een bepaling als § 32 van de ambtenarenwet is niet noodzakelijk ter verwezenlijking van het daarmee nagestreefde doel. Om die reden kan het directe verschil in behandeling op grond van leeftijd dat zij meebrengt niet worden gerechtvaardigd op grond van artikel 6, lid 1, van richtlijn 2000/78.
V – Conclusie
80.
Derhalve geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„1)
Artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, is uitsluitend van toepassing op ondernemings‑ en sectorale regelingen van sociale zekerheid die pensioen‑ of invaliditeitsuitkeringen betreffen.
2)
Indien aan ambtenaren die zijn ontslagen omdat hun post is geschrapt, gedurende drie jaar wachtgeld wordt betaald, voor zover zij ter beschikking staan voor een nieuwe post, is het onverenigbaar met de artikelen 2 en 6 van richtlijn 2000/78, wanneer dit wachtgeld wordt geweigerd aan ambtenaren die bij hun vertrek recht op pensioen hebben, zonder dat wordt nagegaan of de betrokken ambtenaar daadwerkelijk met pensioen wil gaan dan wel ter beschikking staat voor een nieuwe post.”
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) PB L 303, blz. 16.
( 3 ) Om een ander aspect van artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 gaat het in zaak C‑476/11, Kristensen; zie mijn conclusie van heden in deze zaak.
( 4 ) Forskelsbehandlingslov (wet ongelijke behandeling), wet nr. 459 van 12 juni 1996 inzake het verbod op ongelijke behandeling op de arbeidsmarkt e.a. Bij wijzigingswet nr. 1417 van 22 december 2004 werden de criteria leeftijd en handicap in de discriminatiewet opgenomen. De wijzigingswet is op 28 december 2004 in werking getreden.
( 5 ) Cursivering van mij.
( 6 ) Codificatiebesluit nr. 531 van 11 juni 2004.
( 7 ) Wet op het ambtenarenpensioen in de op de onderhavige zaak toepasselijke versie, wet nr. 230 van 19 maart 2004.
( 8 ) Deense Bond van juristen en economen; hierna: „DJØF”.
( 9 ) Ministerie van Binnenlandse en Sociale Zaken [thans Indenrigs- og Sundhedsminsteriet (ministerie van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid)].
( 10 ) Oostelijke regionale rechtbank.
( 11 ) Vereniging van de Deense gemeenten, die reeds in het hoofdgeding als interveniënte in de procedure werd toegelaten; hierna: „KL”.
( 12 ) Zie arresten van 1 april 2008, Maruko (C-267/06, Jurispr. blz. I-1757, punt 41), 10 mei 2011, Römer (C-147/08, Jurispr. blz. I-3591, punt 32), en 6 december 2012, Dittrich e.a. (C‑124/11, C‑125/11 en C‑143/11, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie, punt 31).
( 13 ) Zie arresten van 4 juni 1992, Bötel (C-360/90, Jurispr. blz. I-3589, punt 12), en 9 februari 1999, Seymour-Smith en Perez (C-167/97, Jurispr. blz. I-623, punt 29), en arrest Dittrich e.a. (aangehaald in voetnoot 12, punt 35).
( 14 ) In die zin arrest Maruko (aangehaald in voetnoot 12, punt 48).
( 15 ) Cursivering van mij.
( 16 ) In de Deense taalversie ontbreekt ook het begrip „verkrijgen” van uitkeringen.
( 17 ) Zie in die zin arresten van 7 december 1995, Rockfon (C-449/93, Jurispr. blz. I-4291, punt 28), 2 april 1998, EMU Tabac e.a. (C-296/95, Jurispr. blz. I-1605, punt 36), en 8 december 2005, Jyske Finans (C-280/04, Jurispr. blz. I-10683, punt 31).
( 18 ) Arrest van 12 november 1998, Institute of the Motor Industry (C-149/97, Jurispr. blz. I-7053, punt 16).
( 19 ) Arresten van 9 maart 2000, EKW en Wein & Co (C-437/97, Jurispr. blz. I-1157, punt 42), en 1 april 2004, Borgmann (C-1/02, Jurispr. blz. I-3219, punt 25).
( 20 ) „[...] les États membres peuvent prévoir que ne constitue pas une discrimination fondée sur l’âge la fixation, pour les régimes professionnels de sécurité sociale, d’âges d’adhésion ou d’admissibilité aux prestations de retraite ou d’invalidité [...]”.
( 21 ) Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (PB L 204, blz. 23).
( 22 ) Arrest van 19 januari 2010, Kücükdeveci (C-555/07, Jurispr. blz. I-365, punt 21).
( 23 ) Zie arrest van 12 januari 2010, Petersen (C-341/08, Jurispr. blz. I-47, punt 60).
( 24 ) Zie in dit verband mijn conclusie van 6 mei 2010 in de zaak Ingeniørforeningen i Danmark („Andersen”) (C-499/08, Jurispr. blz. I-9343, punten 42‑47).
( 25 ) Arresten van 5 maart 2009, Age Concern England (C-388/07, Jurispr. blz. I-1569, punt 46), 18 juni 2009, Hütter (C-88/08, Jurispr. blz. I-5325, punt 41), en 13 september 2011, Prigge e.a. (C-447/09, Jurispr. blz. I-8003, punt 80). In de zaak Prigge e.a. heeft het Hof beslist dat de veiligheid van het luchtverkeer niet tot de in artikel 6, lid 1, eerste alinea, van richtlijn 2000/78 bedoelde doelstellingen behoort (punt 81).
( 26 ) Arrest van 16 oktober 2007, Palacios de la Villa (C-411/05, Jurispr. blz. I-8531, punten 56 en 57), en arresten Age Concern England (aangehaald in voetnoot 25, punten 44 en 45), en Petersen (aangehaald in voetnoot 23, punten 39 en 40).
( 27 ) In die zin ook mijn conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 24, punten 51 en 52) alsmede het arrest van 12 oktober 2010 in deze zaak (C-499/08, Jurispr. blz. I-9343, punt 29).
( 28 ) Arrest Palacios de la Villa (aangehaald in voetnoot 26, punt 68), arrest van 12 oktober 2010, Rosenbladt (C-45/09, Jurispr. blz. I-9391, punt 41), alsmede arrest Kücükdeveci (aangehaald in voetnoot 22, punt 38).
( 29 ) Zie in dit verband mijn conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 24, punt 54).
( 30 ) Zie boven, punt 56.
( 31 ) Zie mijn conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 24, punt 62) alsmede mijn conclusie van 1 april 2004 in de zaak Hlozek (C-19/02, Jurispr. blz. I-11491, punten 57 en 58).
( 32 ) Arrest Age Concern England (aangehaald in voetnoot 25, punt 51) alsmede arrest Andersen (aangehaald in voetnoot 27, punt 33).
( 33 ) Arrest en conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 27 respectievelijk 24).
( 34 ) Zie arrest Andersen (aangehaald in voetnoot 27, punt 45).
( 35 ) Arrest Palacios de la Villa (aangehaald in voetnoot 26).
( 36 ) Conclusie in de zaak Andersen (aangehaald in voetnoot 24, punt 73). Zie ook het arrest Andersen (aangehaald in voetnoot 27, punt 46).
Full & Egal Universal Law Academy