ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
15 november 2012 ( *1 )
„Landbouw — Verordening (EEG) nr. 1443/82 — Artikel 3, lid 4 — Toepassing van quotaregeling in sector suiker — Excedentaire hoeveelheid suiker die door nationale autoriteiten bij controle a posteriori bij producent is vastgesteld — Inaanmerkingneming van dit excedent bij vaststelling van definitieve productie van verkoopseizoen waarin verschil is geconstateerd”
In zaak C-131/11,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Duitsland) bij beslissing van 8 maart 2011, ingekomen bij het Hof op 17 maart 2011, in de procedure
Pfeifer & Langen KG
tegen
Hauptzollamt Aachen,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Tizzano, kamerpresident, A. Borg Barthet, M. Ilešič, M. Safjan (rapporteur) en M. Berger, rechters,
advocaat-generaal: E. Sharpston,
griffier: A. Impellizzeri, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 9 februari 2012,
gelet op de opmerkingen van:
—
Pfeifer & Langen KG, vertegenwoordigd door D. Ehle en C. M. Hagemann, Rechtsanwälte,
—
het Hauptzollamt Aachen, vertegenwoordigd door M. Lambertz en R.-M. Gleim-Arnold als gemachtigden,
—
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Rossi en B. Schima als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 maart 2012,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 3, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1443/82 van de Commissie van 8 juni 1982 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 158, blz. 17, met rectificatie in PB L 169, blz. 39), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 392/94 van de Commissie van 23 februari 1994 (PB L 53, blz. 7; hierna: „verordening nr. 1443/82”).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Pfeifer & Langen KG (hierna: „Pfeifer & Langen”) en het Hauptzollamt Aachen over een bij een controle achteraf bij de producent door de Duitse autoriteiten vastgestelde excedentaire hoeveelheid suiker en het verkoopseizoen waaraan dit overschot moet worden toegewezen.
Toepasselijke bepalingen
3
Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 177, blz. 4), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1148/98 van de Commissie van 2 juni 1998 (PB L 159, blz. 38; hierna: „basisverordening”), had tot doel om in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (hierna: „GMO suiker”) zowel de producenten van basisproducten als de suikerfabrikanten van de Europese Gemeenschap de noodzakelijke waarborgen inzake werkgelegenheid en levensstandaard te blijven verzekeren en om de suikervoorziening voor alle consumenten tegen redelijke prijzen te verzekeren door stabilisatie van de suikermarkt.
4
Daartoe regelde de basisverordening de productie en de in- en uitvoer van suiker. Meer in het bijzonder stelde zij een productiequotaregeling in, die volgens de vijftiende overweging van de considerans ervan een middel vormde om de producenten de communautaire prijzen en de afzet van hun productie te waarborgen.
5
In het kader van deze quotaregeling kreeg met name elke lidstaat voor elk verkoopseizoen (dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar) een basishoeveelheid voor nationale productie toebedeeld. Deze hoeveelheid werd binnen elk van de lidstaten verdeeld op basis van bepaalde door de basisverordening vastgestelde criteria tussen de suikerproducerende ondernemingen in de vorm van een A- en een B-quotum.
6
Artikel 24, lid 1, tweede alinea, van de basisverordening bepaalde:
„In deze verordening wordt verstaan onder:
a)
A-suiker [...] elke hoeveelheid suiker [...] die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen binnen de limiet van het A-quotum van de betrokken onderneming wordt geproduceerd;
b)
B-suiker [...] elke hoeveelheid suiker [...] die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen wordt geproduceerd en het A-quotum overschrijdt doch binnen de som van de A- en B-quota van de betrokken onderneming blijft;
c)
C-suiker [...] elke hoeveelheid suiker [...] die voor rekening van een bepaald verkoopseizoen wordt geproduceerd en de som van de A- en B-quota van de betrokken onderneming overschrijdt, hetzij wordt geproduceerd door een onderneming waarvoor geen quota zijn bepaald.”
7
Suiker van het A-quotum, dat overeenstemde met het verbruik in de Gemeenschap, kon vrij op de gemeenschappelijke markt worden verkocht en de afzet ervan werd gegarandeerd door de interventieprijs. Suiker van het B-quotum kon eveneens vrij op de gemeenschappelijke markt worden verkocht, maar zonder de garantie van de interventieprijs, of kon met exportsteun naar derde landen worden uitgevoerd. Voor C-suiker gold geen prijsondersteuningsregeling of exportsteun.
8
Daar de GMO suiker op een zelffinancieringsregeling berustte, werden de kosten van exportsteun gefinancierd door productieheffingen, terwijl er geen enkele heffing was op de productie van C-suiker. Bovendien moest C-suiker buiten de Gemeenschap worden afgezet en verkocht op de wereldmarkt.
9
Artikel 26 van de basisverordening luidde:
„1. [...] C-suiker die niet krachtens artikel 27 [...] is overgebracht [...] [kan] niet op de interne markt van de Gemeenschap worden afgezet; [dit product moet] als zodanig vóór 1 januari volgend op het einde van het betrokken verkoopseizoen worden uitgevoerd.
[...]
3. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 41.
Zij moeten met name inhouden dat een bedrag wordt geheven op de C-suiker [...] bedoeld in lid 1, waarvan de uitvoer als zodanig binnen de gestelde termijn op een te bepalen datum niet is bewezen.”
10
Artikel 27, leden 1 en 2, van de basisverordening bepaalde:
„1. Iedere onderneming kan besluiten de productie van suiker boven het A-quotum geheel of gedeeltelijk over te brengen naar het volgende verkoopseizoen voor suiker voor rekening van de productie van dat verkoopseizoen. Deze beslissing is onherroepelijk.
[...]
2. De ondernemingen die de in lid 1 bedoelde beslissing nemen:
—
delen vóór 1 februari aan de betrokken lidstaat de over te brengen geproduceerde hoeveelheid of hoeveelheden suiker mede,
—
en verbinden zich ertoe de over te dragen hoeveelheid of hoeveelheden op te slaan gedurende een periode van twaalf opeenvolgende maanden, waarvan het begin nader dient te worden bepaald. Voor deze periode worden de opslagkosten vergoed volgens artikel 8, ook voor overdragen C-suiker en voor A- en B-suiker die overgedragen C-suiker zijn geworden na toepassing van artikel 23, lid 4 bis.
[...]”
11
Artikel 27, lid 3, van de basisverordening bepaalde:
„De uitvoeringsbepalingen van dit artikel, die een beperking van de voor overbrenging in aanmerking komende hoeveelheden suiker kunnen inhouden, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 41.
Die bepalingen voorzien met name in de heffing van een bedrag op de [...] in opslag te plaatsen hoeveelheid die wordt afgezet in de voorgeschreven opslagperiode.”
12
Artikel 28 van de basisverordening stelde de criteria voor de vaststelling van de productieheffingen op de geproduceerde hoeveelheden A- en B-suiker vast. Deze heffingen werden geïnd door de lidstaten.
13
De op basis van artikel 26, lid 3, van de basisverordening vastgestelde verordening (EEG) nr. 2670/81 van de Commissie van 14 september 1981 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor de productie buiten de quota in de sector suiker (PB L 262, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 158/96 van de Commissie van 30 januari 1996 (PB L 24, blz. 3; hierna: „verordening nr. 2670/81”), bepaalde nader de voorwaarden waaronder de uitvoer van C-suiker werd geacht te hebben plaatsgevonden.
14
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 2670/81 luidde:
„De in artikel 26, lid 1, van [de basisverordening] bedoelde uitvoer wordt geacht te hebben plaatsgevonden indien:
a)
onverminderd de overige bepalingen van deze verordening, het in artikel 2 bedoelde bewijs in het bezit is van de bevoegde instantie van de producerende lidstaat, ongeacht welke lidstaat de C-suiker [...] uitvoert;
b)
de betrokken uitvoeraangifte door de lidstaat van uitvoer wordt aanvaard vóór 1 januari volgend op het einde van het verkoopseizoen waarin de C-suiker, [...] is geproduceerd;
c)
de C-suiker [...] of een overeenkomstige hoeveelheid in de zin van artikel 2, lid 3, uiterlijk op de zestigste dag na 1 januari bedoeld sub b het douanegebied van de Gemeenschap heeft verlaten;
d)
het product zonder restitutie of heffing is uitgevoerd als niet-gedenatureerde witte of ruwe suiker [...].
Indien niet aan alle in de eerste alinea genoemde voorwaarden wordt voldaan, wordt de betrokken hoeveelheid C-suiker [...] behalve in geval van overmacht, beschouwd als te zijn afgezet op de interne markt.
In geval van overmacht stelt de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan de C-suiker [...] is geproduceerd, de maatregelen vast die met het oog op de door de belanghebbende aangevoerde omstandigheden moeten worden genomen.
Als de C-suiker [...] wordt uitgevoerd vanaf het grondgebied van een andere lidstaat dan die waar hij is geproduceerd, worden deze maatregelen genomen na advies, desgevallend, van de bevoegde instanties van die lidstaat.”
15
Artikel 3, lid 1, van verordening nr. 2670/81 bepaalde:
„Op de hoeveelheden die, in de zin van artikel 1, lid 1, op de interne markt zijn afgezet, heft de betrokken lidstaat voor C-suiker per 100 kg witte of naargelang van het geval ruwe suiker, [...] een bedrag dat gelijk is aan de som van:
—
de hoogste invoerrechten voor het betrokken product in de periode die het verkoopseizoen waarin de betrokken C-suiker [...] is geproduceerd en de daaropvolgende zes maanden omvat,
en
—
1,21 [EUR]”
16
Artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1443/82 luidde:
„In de zin van de artikelen 26 tot en met 29 van [de basisverordening] wordt onder suikerproductie verstaan de totale, in witte suiker uitgedrukte hoeveelheid:
a)
witte suiker,
b)
ruwe suiker,
c)
invertsuiker,
[...]”
17
Artikel 3 van verordening nr. 1443/82 bepaalde:
„1. De lidstaten stellen jaarlijks vóór 15 februari de voorlopige suikerproductie van het lopende verkoopseizoen vast voor iedere op hun grondgebied gevestigde onderneming.
[...]
3. De lidstaten stellen vóór 1 oktober van ieder jaar, voor het voorafgaande verkoopseizoen, de definitieve productie van suiker [...] vast die door elke onderneming is bereikt.
4. Indien na de vaststelling van de definitieve productie voor de suiker als bedoeld in lid 3 later verschillen ten opzichte van deze cijfers worden geconstateerd, wordt met deze verschillen rekening gehouden bij de vaststelling van de definitieve productie van het verkoopseizoen waarin het verschil wordt geconstateerd.”
18
Artikel 4 van verordening nr. 1443/82 luidde:
„1. Onverminderd het bepaalde in de volgende leden wordt in de zin van de artikelen 26 tot en met 29 van [de basisverordening] onder suikerproductie [...] van een onderneming verstaan de totale hoeveelheid suiker [...] die door deze onderneming werkelijk is geproduceerd.
2. De totale suikerproductie van een verkoopseizoen is de in lid 1 bedoelde productie, vermeerderd met de naar dat verkoopseizoen overgebrachte hoeveelheid en verminderd met de naar het volgende verkoopseizoen overgebrachte hoeveelheid.”
19
Artikel 23 van verordening nr. 1009/67/EEG van de Raad van 18 december 1967 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector (PB 1967, 308, blz. 1) bepaalde:
„1. De lidstaten stellen voor iedere op hun grondgebied gevestigde suikerproducerende fabriek of onderneming een basisquotum vast. Onverminderd de krachtens lid 3 of lid 4 vastgestelde bepalingen wordt dit basisquotum bepaald door de gemiddelde jaarlijkse suikerproductie van de betrokken fabriek of van de betrokken onderneming gedurende de verkoopseizoenen 1961/1962 tot en met 1965/1966 te vermenigvuldigen met een coëfficiënt, die de verhouding weergeeft tussen de basishoeveelheid van de lidstaat en de gemiddelde jaarlijkse suikerproductie van de lidstaat gedurende deze periode.
De basishoeveelheid bedraagt voor
Duitsland: 1750000 ton witte suiker,
Frankrijk: 2400000 ton witte suiker,
Italië: 1230000 ton witte suiker,
Nederland: 550000 ton witte suiker,
de B.L.E.U.: 550000 ton witte suiker.
2. Indien een lidstaat de basisquota per onderneming vaststelt, moet hij de maatregelen treffen welke nodig zijn ter bescherming van de belangen van de suikerbieten- en suikerrietproducenten.
3. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag de algemene voorschriften voor de toepassing van lid 1 en de eventuele afwijkingen van de bepalingen van dat lid vast.
4. Indien uitvoeringsbepalingen voor dit artikel nodig zijn, worden deze volgens de procedure van artikel 40 vastgesteld.”
20
Verordening nr. 1009/67 is ingetrokken bij verordening (EEG) nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 359, blz. 1).
21
De basisverordening is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 2038/1999 van de Raad van 13 september 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker (PB L 252, blz. 1).
22
Verordening nr. 2670/81 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 967/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 318/2006 met betrekking tot de productie buiten het quotum in de sector suiker (PB L 176, blz. 22).
23
Verordening nr. 1443/82 is ingetrokken en vervangen door verordening (EG) nr. 314/2002 van de Commissie van 20 februari 2002 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker (PB L 50, blz. 40).
24
Het hoofdgeding valt, gelet op het tijdstip van de feiten ervan, evenwel onder de regeling van de basisverordening en de verordeningen nr. 2670/81 en nr. 1443/82.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
25
Blijkens de verwijzingsbeslissing fabriceert Pfeifer & Langen suiker in haar fabrieken van Elsdorf, Euskirchen, Appeldorn en Lage (Duitsland).
26
Op aangifte van deze onderneming van 8 september 1998 stelde het Hauptzollamt Köln-West bij besluit van 25 september 1998 haar definitieve suikerproductie voor het verkoopseizoen 1997/1998 vast.
27
Het Hauptzollamt für Prüfungen Köln startte op 4 november 1999 een onderzoek ter plaatse bij Pfeifer & Langen. Op 16 januari 2003 hervatte het Hauptzollamt Krefeld dit onderzoek met name inzake de productieheffing voor suiker voor het verkoopseizoen 1997/1998.
28
Volgens het rapport van deze controleurs van 9 mei 2006 hadden zij een productieoverschot tegenover de aangifte van Pfeifer & Langen gevonden. Het Hauptzollamt Aachen stelde bijgevolg bij besluit van 28 december 2006 vast dat Pfeifer & Langen een overschotequivalent aan witte suiker van 9657,4 ton voor het verkoopseizoen 1997/1998 had geproduceerd. Het Hauptzollamt Aachen legde bij een ander besluit van dezelfde dag Pfeifer & Langen een heffing voor C-suiker van 5810857,58 EUR voor dit productieoverschot op.
29
Pfeifer & Langen maakte bezwaar tegen deze twee besluiten met name op grond dat het gestelde productieoverschot krachtens artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 niet aan het verkoopseizoen 1997/1998 kon worden toegewezen aangezien het niet vóór 1 oktober 1998 was vastgesteld.
30
Het Hauptzollamt Aachen wees het bezwaar van Pfeifer & Langen af bij besluit van 27 april 2010 met name op grond dat het vastgestelde productieoverschot terecht aan het verkoopseizoen 1997/1998 was toegewezen aangezien artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 slechts kon worden toegepast op een door de fabrikant aangegeven productie. Niet-aangegeven en later vastgestelde productieoverschotten moesten worden toegewezen aan het verkoopseizoen waarin zij werden gefabriceerd.
31
Het Hauptzollamt Aachen wijzigde bij besluit ook van 27 april 2010 voorts zijn vaststellingsbesluit van 28 december 2006 en stelde een productieoverschot van 6922,1 ton voor het verkoopseizoen 1997/1998 vast. Het wijzigde bij een besluit van dezelfde dag zijn heffingsbesluit van 28 december 2006 en legde Pfeifer & Langen een productieheffing van 4165027,57 EUR op.
32
Pfeifer & Langen wees er ter terechtzitting op dat dit overschot 1,4 % van haar volledige suikerproductie voor het verkoopseizoen 1997/1998 vertegenwoordigde.
33
Pfeifer & Langen stelde bij het Finanzgericht Düsseldorf beroep in tegen dat besluit.
34
Volgens de verwijzende rechter is beslissend voor de beslechting van het hoofdgeding of het bij de controle bij Pfeifer & Langen na het einde van het verkoopseizoen 1997/1998 vastgestelde suikeroverschot aan dat verkoopseizoen dan wel aan een later verkoopseizoen moest worden toegewezen.
35
Dienaangaande wijst de verwijzende rechter erop dat artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 conform is aan het arrest van het Hof van 30 januari 1974, Hannoversche Zucker (159/73, Jurispr. blz. 121, punt 6), maar dat dat arrest vóór de inwerkingtreding van de GMO suiker geproduceerde overschotten betrof, hetgeen in het hoofdgeding niet het geval is.
36
Voorts merkt de verwijzende rechter op dat de aan de ondernemingen toebedeelde productiequota volgens de basisverordening de in de loop van een verkoopseizoen geproduceerde hoeveelheden betreffen. Door toepassing van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 op na het verstrijken van een verkoopseizoen vastgestelde suikeroverschotten wordt deze productie overgebracht naar een later verkoopseizoen. De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of een dergelijke uitlegging verenigbaar is met de productiequotaregeling.
37
Daarop heeft het Finanzgericht Düsseldorf de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
„Moet artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 aldus worden uitgelegd dat deze bepaling ook toepassing vindt op de excedentaire hoeveelheden die door een overheidsinstantie a posteriori worden vastgesteld in het kader van een controle bij de producent?”
Beantwoording van de prejudiciële vraag
38
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op de situatie waarin een excedentaire hoeveelheid suiker door de nationale autoriteiten bij een controle a posteriori bij de producent is vastgesteld.
39
Vooraf dient eraan te worden herinnerd dat een verkoopseizoen liep van 1 juli tot en met 30 juni van het volgende jaar. Volgens artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1443/82 stelden de lidstaten jaarlijks vóór 15 februari de voorlopige suikerproductie van het lopende verkoopseizoen vast voor iedere op hun grondgebied gevestigde onderneming. Krachtens lid 3 van dit artikel stelden de lidstaten vervolgens, vóór 1 oktober van ieder jaar, voor het voorafgaande verkoopseizoen de definitieve productie van suiker vast die door elke onderneming is bereikt.
40
Krachtens lid 4 van dit artikel wordt indien na de vaststelling van deze definitieve productie „later verschillen ten opzichte van deze cijfers worden geconstateerd, [...] met deze verschillen rekening gehouden bij de vaststelling van de definitieve productie van het verkoopseizoen waarin het verschil wordt geconstateerd”.
41
Deze laatste bepaling, waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft, is gesteld in dezelfde bewoordingen als artikel 2, lid 3, van verordening (EEG) nr. 700/73 van de Commissie van 12 maart 1973 tot vaststelling van enkele uitvoeringsbepalingen welke noodzakelijk zijn voor de toepassing van het quotasysteem in de sector suiker (PB L 67, blz. 12). In het arrest Hannoversche Zucker, reeds aangehaald, heeft het Hof naar artikel 2, lid 3, van verordening nr. 700/73 verwezen.
42
De zaak die tot dat arrest heeft geleid, betrof een excedentaire hoeveelheid suiker die in een ambtelijke voorraadopneming na 1 juli 1968, de datum van inwerkingtreding van de GMO suiker, was geconstateerd maar vóór die datum was geproduceerd.
43
Zoals het Hof in punt 3 van het arrest Hannoversche Zucker, reeds aangehaald, erop heeft gewezen, strekte de prejudiciële vraag tot verduidelijking of deze excedentaire hoeveelheid voor de berekening van de productieheffing moest worden toegewezen hetzij aan de periode vóór de inwerkingtreding van de GMO suiker hetzij aan het eerste onder deze ordening vallende verkoopseizoen waarin zij is geconstateerd.
44
Dienaangaande heeft het Hof in punt 5 van dat arrest met name opgemerkt dat gelet op de opslagtechniek bij suiker slechts met tussenpozen van verscheidene jaren de voorraden kunnen worden opgenomen en dat het bij constatering van een excedentaire hoeveelheid boven de op basis van de boekhouding van de producent berekende voorraden in de praktijk moeilijk is om het daadwerkelijke jaar van productie van een dergelijk overschot met juistheid te bepalen.
45
Het Hof heeft in hetzelfde punt daaraan toegevoegd dat de toewijzing van een excedent aan een voorgaand verkoopseizoen voor suiker de noodzaak had meegebracht de voor dat seizoen definitief vastgestelde productiecijfers te corrigeren niet alleen voor de individuele onderneming, maar ook voor de lidstaat en de gehele Gemeenschap, en dat een dergelijke correctie, gezien de gevolgen die daaruit achteraf voortvloeien voor de berekening van de productiequota en de op de excedentaire productie toe te passen heffingen, administratieve complicaties zou veroorzaken die niet in verhouding staan tot het beoogde effect.
46
Het Hof is in punt 6 van het arrest tot de conclusie gekomen dat derhalve op de vragen moest worden geantwoord – zoals ook formeel bekrachtigd bij de sedert 15 maart 1973 toepasselijke verordening nr. 700/73 – dat een na de vaststelling van de definitieve productie geconstateerd verschil in aanmerking moet worden genomen in het seizoen waarin het is geconstateerd.
47
De omstandigheden van het hoofdgeding en van de zaak die heeft geleid tot het arrest Hannoversche Zucker, reeds aangehaald, verschillen evenwel, aangezien het in deze laatste zaak geconstateerde suikeroverschot een suikerproductie betrof die niet hoger was dan het bij de geldende regeling, namelijk artikel 23 van verordening nr. 1009/67, vastgestelde quotum. Dit quotum kwam in wezen overeen met alle zogenoemde „A-” en „B-suiker”-quota van de basisverordening.
48
Vaststaat dat het in het hoofdgeding geconstateerde suikeroverschot C-suiker in de zin van artikel 24, lid 1, sub a, van de basisverordening en geen A- of B-suiker betreft. Dat betwist overigens geen enkele belanghebbende in de zin van artikel 23 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europees Unie die opmerkingen bij het Hof heeft ingediend.
49
Bijgevolg blijft de oplossing van het Hof in het arrest Hannoversche Zucker, reeds aangehaald, weliswaar geldig voor de vaststelling van de definitieve suikerproductie van het A- of B-quotum, maar dient te worden nagegaan of artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 ook van toepassing is wanneer de bij een controle achteraf bij de producent door de nationale autoriteiten vastgestelde excedentaire hoeveelheid suiker C-suiker vormt.
50
Dienaangaande bevat de tekst van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 niets dat de conclusie wettigt dat de materiële werkingssfeer ervan moet worden beperkt tot A- en B-suiker.
51
Deze bepaling moet evenwel worden uitgelegd tegen de achtergrond van de algemene systematiek en de doelstellingen van de Unieregeling inzake de GMO voor suiker.
52
Dienaangaande dient rekening ermee te worden gehouden dat bij de basisverordening een specifiek systeem van behandeling van C-suikeroverschotten is ingevoerd. Volgens dit systeem beschikte de suikerproducent die de quota voor A- en B-suiker had overschreden en dus een bepaalde hoeveelheid C-suiker had, over een optie voor deze laatste soort suiker.
53
Hij kon namelijk enerzijds, zoals bepaald bij artikel 26, lid 1, van de basisverordening, deze C-suiker vóór 1 januari volgend op het einde van het betrokken verkoopseizoen exporteren. Indien niet was aangetoond dat deze suiker binnen de gestelde termijn was uitgevoerd, was de producent gehouden het krachtens artikel 26, lid 3, van deze verordening verschuldigde bedrag te betalen.
54
Anderzijds kon de producent krachtens artikel 27, leden 1 en 2, van de basisverordening beslissen deze hoeveelheid suiker over te brengen naar het volgende verkoopseizoen, hetgeen aan de betrokken lidstaat vóór 1 februari moest worden meegedeeld. Wanneer een bepaalde hoeveelheid suiker die op deze wijze was overgebracht, in de loop van de voorgeschreven opslagperiode op de interne markt werd afgezet, werd een bedrag geheven over de afgezette hoeveelheid suiker.
55
De overschotten die als C-suiker golden, moesten dus op 1 januari respectievelijk 1 februari met zekerheid zijn vastgesteld.
56
Wanneer artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 aldus wordt uitgelegd dat deze suikeroverschotten konden worden toegewezen aan het verkoopseizoen waarin zij werden geconstateerd, zou worden ingegaan tegen het doel van de regeling voor C-suiker, dat erin bestaat te voorkomen dat deze suiker op de interne markt werd afgezet.
57
Als met C-suiker zoals met A- en B-suiker rekening had kunnen worden gehouden bij de vaststelling van de definitieve productie van het verkoopseizoen waarin het verschil krachtens artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 werd geconstateerd, was er namelijk geen enkele stimulans voor de producenten om deze suikeroverschotten te exporteren of aan te geven en naar het volgende verkoopseizoen over te brengen. Zo was niet uitgesloten dat de producenten dezelfde suikeroverschotten eindeloos behielden, die onafgebroken hadden kunnen worden toegewezen aan het verkoopseizoen waarin zij werden geconstateerd, ook al ging het in feite om een overbrenging van suiker uit hoofde van een vorig verkoopseizoen.
58
Een dergelijke situatie had niet alleen een daadwerkelijke controle van de afzet van C-suiker belet, maar ook artikel 27, lid 3, van de basisverordening geschonden, krachtens hetwelk de hoeveelheden suiker die mochten worden overgedragen, konden worden beperkt.
59
Inzake het argument van het Hauptzollamt Aachen dat artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 alleen van toepassing was als de producent bij de aangifte van zijn definitieve suikerproductie niet wist dat er een overschot was, is het van belang, naast de moeilijkheden tot bewijs van een dergelijke omstandigheid, eraan te herinneren dat een voorzichtige marktdeelnemer die op de hoogte is van de stand van de regeling, bij zijn beoordeling van de mogelijke voordelen van de suikerhandel rekening moet houden met de aan de productie verbonden risico’s, met name met de moeilijkheid om met zekerheid de geproduceerde hoeveelheid suiker nauwkeurig te bepalen, en deze risico’s moet aanvaarden als normale nadelen van deze productie.
60
De betrokken regeling voor C-suiker berust bovendien op objectieve criteria en is van toepassing ongeacht eventueel bedrieglijk opzet van de producent. Zo moesten de bedragen waarin was voorzien ingeval C-suiker niet binnen de termijn van artikel 26, lid 1, van de basisverordening werd uitgevoerd of op de interne markt werd gebracht in de zin van artikel 27, lid 3, van deze verordening, worden geïnd ongeacht eventueel bedrieglijk gedrag van de producent.
61
Uit het voorgaande volgt dat de werkingssfeer van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 niet kan worden verruimd tot C-suiker.
62
Bijgevolg dient op de prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 3, lid 4, van verordening nr. 1443/82 aldus moet worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op de situatie waarin een excedentaire hoeveelheid suiker door de nationale autoriteiten bij een controle a posteriori bij de producent is vastgesteld, wanneer deze excedentaire hoeveelheid C-suiker vormt.
Kosten
63
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:
Artikel 3, lid 4, van verordening (EEG) nr. 1443/82 van de Commissie van 8 juni 1982 houdende uitvoeringsbepalingen voor de quotaregeling in de sector suiker, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 392/94 van de Commissie van 23 februari 1994, moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is op de situatie waarin een excedentaire hoeveelheid suiker door de nationale autoriteiten bij een controle a posteriori bij de producent is vastgesteld, wanneer deze excedentaire hoeveelheid C-suiker vormt.
ondertekeningen
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy